Litouwen…stug, zelfbewust, spiritueel en solidair.

‘k Heb voorbije vakantie een twaalftal dagen in Litouwen doorgebracht en heb mijn reisimpressies wat laten bezinken. Litouwen is niet onmiddellijk een vakantieplaats waar je vrolijk van wordt. Nochthans ondernam ik de reis in hartje zomer, de tijd waarin toeristische plaatsen er altijd levendiger en opgewekter uitkomen. Niet meteen zo bij mijn kennismaking met Vilnius, dat dit jaar zijn duizendjarig bestaan (1009-2009) vierde en tegelijk culturele hoofdstad van Europa was. Ik beklemtoon ‘meteen’ want de stad liet slechts bij mondjesmaat haar ware aard zien. Komend uit een sovjetregime dat de stad nu toch al gedurende bijna 20 jaar van zich probeert af te schudden, heeft ze het nog steeds moeilijk om de vaak stugge, bijna militaristische omgang met bezoekers wat vriendelijker te laten verlopen. Ik had mijn best gedaan om een mondjevol ‘Litouws voor elke dag’ te leren en voelde me compleet verloren als treinloketbedienden of buschauffeurs kortaf weigerden om antwoord te geven of het loketvenster voor mijn neus dichtschoven en me van het kastje naar de muur stuurden. Maar deze negatieve ervaringen werden regelmatig getemperd door uiterst aangename naarmate mijn vakantie vorderde: de receptiebediende van Mikotel die op een aandoenlijke manier probeerde om de betaalkaartenmachine op haar balie mijn visakaart te laten accepteren en daarin slaagde en me mijn hele verblijf daar van de nodige informatie voorzag betreffende het openbaar verkeer; de loketbediende van Vilnius busstation die telkens naar potlood en papiertje greep om met mij te communiceren over vertrektijden en overstapplaatsen; de jonge bewoners in Uzupio die in de ontmoetingsplaats ‘Stopke’ me honderduit vertelden (in ’t Engels) over Nida en Neringa en over hun alternatieve wijk aan de overkant van de Vilnele; de ingenieurstudent die naast me plaats nam op de bus van Vilnius naar Klaipeda (een 3.5 uur durende rit) toen hij vernam dat ik Engels sprak en die kans te baat wou nemen om Engels te oefenen. We praten over onderwijssystemen, over vakantieoorden, Europa en opleidingen en over elkaar. We aten tussendoor een lekkere Litouwse cracker en toen we in Klaipeda aankwamen waarschuwde hij me dat deze stad teleur zou stellen; dat de criminaliteit er hoger was als in Vilnius. Zelf reisde hij door naar Palanga waar hij als student een marketing vakantiejob had aanvaard. Ik was dus gewaarschuwd.
Vilnius had me op de duur charmant geleken, het prachtige Raadhuisplein waar een avondconcert van een Amerikaanse brassband me in de juiste stemming had gebracht, Pilies en het Kathedraalplein met de imposante neoclassicistische kathedraal en de klokkentoren, de Gediminasheuvel met zijn mooie panorama’s over de Neris en de binnenstad, ook al regende het die dag, plensregende het zelfs voor ettelijke uren wat me deed vluchten naar een museum, dat van de ‘genocideslachtoffers’ op de Gedimino Prospekt in het oude KGB-gebouw. Hier wachtte me de meest hallucinante ervaring van mijn reis: de KGB-gevangenis in de kelders van het gebouw waar de leden van het Woudpartizanenverzetsleger (mannen, vrouwen en priesters die hun mensen niet in de steek lieten) gefolterd en gefusilleerd werden. Een beetje navrant is wel dat de duizenden Joden die in deze stad eveneens uitgeroeid werden, nauwelijks ergens enige vermelding krijgen. Alleen in Kaunas, net buiten de stad daar, werd voor hen een monument opgericht. Kaunas, de stad waar ik op zaterdag midden in de trouwpartijen belandde voor het stadhuis ‘De witte zwaan’. Heugelijk moment voor het ervaren van typische gebruiken en gewoonten.
Toen ik een van de eerste dagen in Vinius langs de Oude Markthal liep om zo via de Dageraadpoort de stad in te lopen, stond ik versteld van de rijen vrouwen die voor de hal post hadden gevat met tassen en emmertjes. Ik dacht dat ze op de bus stonden te wachten. Het bleken echter allen plattelandsvrouwen te zijn die de groenten en het fruit dat ze uit hun boomgaarden en tuinen haalden op die manier in de stad te koop aanboden voor wat extra cash in het huishouden. De armoede en het verval waarmee ik op mijn busrit van de luchthaven naar het treinstation (Gelezinkelio stotis) had kennis gemaakt, dook hier weer op. Aftandse sovjetflatjes kwamen ook weer in zicht in de buitenwijken van de stad op mijn uitstap naar Trakaï, terwijl deze plaats zelf wellicht één van de mooiste toeristische trekpleisters van Litouwen is.
De universiteitsgebouwen met het observatorium en de academische boekhandel, de Sint Johanneskerk  en de Alma Mater, getuigen van de jezuïetenbarok en van hoogstaand wetenschappelijk onderzoek.
Het Nationaal Museum voor Moderne Kunst dat zich op een helling aan de overkant van de Neris bevindt, is een prestigieus modern architectonisch complex dat vanuit de cafetaria een prachtig uitzicht biedt op de radiotoren die sinds 1993 symbool werd van de onafhankelijkheid. De storm die losbrak, zwarte luchten, regen, wind, donder en bliksem, toen ik op zondagnamiddag omstreeks 17u dit gebouw verliet, gooide me als het ware in de wereld van Ciurlionis, de componist-schilder wiens mystiek werk, geïnspireerd door de Litouwse natuur, ik die middag nog lang in me voelde nazinderen.
Gefascineerd heb ik ook gezocht naar ‘de wondersteen’ op het kathedraalplein waar de laatste persoon van de mensenketting Talinn-Vilnius in augustus 1989, heeft gestaan.
Troosteloze  armoede naast barokke grandeur, solidariteit naast commercieel niets ontziend kapitalisme en materialisme; fijnzinnige vrije kunst (in de talrijke galerijen) naast relicten van propagandakunst; kerk naast moskee en synagoge en…Cilli Kaimas waar ik s’ avonds Litouwse keuken proefde. Dat was Vilnius!
Ik was gewaarschuwd voor Klaipeda, havenstad aan de Baltische zee. Het busstation was een puinhoop maar een brandnieuw stond in de steigers. Deze week zou in deze stad Europeade 2009 plaatsvinden; een folklorefestival waarvan de Antwerpse Jan De Clopper de grondlegger is. Mijn hotel, een tiental kilometer buiten de stad was makkelijk met de lijnbus bereikbaar en het buskaartjessysteem had ik ondertussen door. Het onthaal was prettig, mijn kamer ruim en de Baltische zee op 500m van mijn hotel. Na de lange rit van Vilnius naar de Oostzee/Baltische zee, wou ik uitwaaien op het strand. Dat lag er erg verlaten bij omwille van het winderige weer maar ik voelde me er meteen in mijn sas. Ik genoot van de rust want de komende dagen wou ik nog heel wat zien en bezoeken.
Het stralende zomerweer van de volgende ochtend voerde me zonder enige twijfel recht door de stad naar het veer over de Koerse haf naar Neringa en Nida. Nida is werkelijk het einde. Een lange wandeling over de hoge duinen en naar het zomerhuis van Thomas Mann vulden zonder moeite deze fantastische dag. Ik viel van de ene verbazing in de andere en geraakte verrukt over het prachtige uizicht over de lagune van bovenop het duin. Met de blote voeten door het superfijne zand naar de top van het duin en naar de Baltische zonnewijzer die er is aangebracht. Het onovertroffen uitzicht vanop de witte banken in Thomas Manns achtertuin; de rietkragen langs de oever van de lagune. Ik had mijn fototoestel constant in aanslag. Dit moment wou ik vastleggen; deze gevoelens wou ik, eens weer thuis, opnieuw oproepen. Ik had er een zielezalige eeuwigheid kunnen vertoeven maar ik moest weer mee met de laatste bus.
’s Nachts hoorde ik het pijpestelen regenen en ik prees me gelukkig dat ik Nida in de zon had mogen verkennen. ’s Morgens was de lucht weer opgeklaard en ik besloot Klaipeda weer in te gaan en mijn treinticket naar Vilnius voor de terugreis op zondag te gaan kopen. De folkloregroepen hadden hun intrede in de stad gemaakt en op het Theaterplein en andere plaatsen in de stad spreiddden ze hun danskunst ten toon. Ik bezocht de kunstambachtenmarkt en slenterde genietend langs de vele kraampjes af en toe smekend om een foto van een karakterkop, wat me eenmaal geweigerd werd door een ware keikop uiteraard.
Op vrijdag besliste ik: vandaag wil ik de Kruisenheuvel bezoeken. De lijnbus Klaipeda-Siauliai bracht me in vier uren tijd naar Siauliai maar daar miste ik op één minuut na de bus richting Kruisenheuvel. Het was 15u, er was geen verbinding meer en om 17 u vertrok de lijnbus Siauliai-Klaipeda al opnieuw. Enige toevlucht ‘een taxi’, een wat dure oplossing om nog 12km verder te komen maar het beeld dat van die plaats op mijn netvlies bleef hangen, vergeet ik wellicht nooit. Het begon te regenen. Hier stond ik oog in oog met het grote verdriet van Litouwen maar ook met de grote hoop. De taxichauffeur was een vriendelijke man, hij wachtte en nam me weer mee naar Siauliai. Of ik nog langs de souvenirsshop wou? Neen. Mijn souvenir zat in mijn hoofd en in mijn ziel.
In het restaurant van het busstation at ik die dag mijn eerste hap sinds het ontbijt: ceppelinai met hamvulling en een svyturis. Op de terugweg begon het heviger te regenen en het werd erg grijs en donker. Het was of de natuurelementen mijn stemming hadden geraden of ik de stemming van de natuur had gevoeld. Een dame nam plaats naast me, in de grootste stilte legden we de hele reisweg af, vier uur lang. In klaipeda haalde ik op het nippertje nog de laatste bus naar Pajuris.  
Zaterdagmorgen was de lucht weer helder en in de stad stond de grote Europeadeoptocht op het programma. Die wou ik nog bijwonen en ik wou ook even naar de kerk van O.-L.-Vrouw van de Vrede waar zondag de slotviering zou plaatsvinden. Rozenblaadjes lagen er voor de ingang, binnen vond een huwelijksviering plaats. Onmiddellijk erna was ik getuige van een doop.
Ik verliet Pajuris zondagochtend, nadat de receptionist nog even een praatje met me maakte terwijl ik op mijn taxi wachtte, die ik nota bene met een fikse reductie van het hotel, aangeboden kreeg. Om 6u35 ging mijn trein vanuit Klaipeda station naar Vilnius, er was nog geen lijnbus op dat uur.
De treinrit naar de hoofdstad was een unieke ochtendlijke ervaring: de bossen waren in een dichte ochtendmist gehuld en ikzelf bevond me alleen in de treinwagon gedurende een lange tijd. Op de stations die we passeerden stapten amper enkele passagiers op. Ik merkte weer hoe elk plekje grond langs de spoorweg in de nabijheid van de huizen door volkstuintjes ingenomen werd.
Overleven, dacht ik. Overleven is wat de buitenmensen hier bezighoudt. Het eenvoudige leven lag er voor het grijpen: bessen en paddestoelen plukken in de bossen; voedsel inmaken voor de winter, de harde winters die warme truien, wanten en gebreide sokken van de ambachtskraampjes noodzakelijk maakten; overschotjes verkopen in de stad voor wat extra cash. Dienster worden in één van de vele horecazaken van de stad. Geen overbodige luxe kennen, de eeuwige angst niet rond te komen. De armoede die steeds om de hoek loert en de drank als destructieve duivel. 
Maar ik zag ook dat  stadsmensen niet meteen de supermarktgroenten en -bloemen kochten maar die van de vrouwen op de stoep voor de supermarkt.  Een solidaire ketting dus die ook de bevrijding mogelijk heeft gemaakt. 
In het wisselkantoor van de luchthaven zette ik mijn resterende litas weer om in euro en vulde nadien mijn reisdagboek aan.  Ik moest nog even wachten op mijn vlucht met SN Brussels Airlines.
Luisterend naar Ciurlionis op mijn draagbaar CD-spelertje, terwijl we over Vilnius en Trakaï vlogen, nam ik afscheid van Litouwen.
 
 
 

Auteur: Blauwkruikje

Master of Germanic Philology - KULeuven - Belgium - Nature, fiction, theater, poetry, philosophy and art lover. Photo: Ostend (B) - Japanese Deep Sea Garden

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s