Triënnale Brugge 2015 – Hedendaagse kunst en architectuur in de historische binnenstad van Brugge

Dinsdagochtend en ik moet een trein halen om 8u28. Het regent. Een zomerse plensbui die niet lang duurt maar je wel doorweekt achterlaat. Paraplu in de aanslag wacht ik in de wagen op de parkeerplaats van het buurtstation en overpeins de komende dag. De Triënnale Brugge 2015 (20/5-18/10) met twee jaargenoten germanisten staat vandaag op het programma. Alsof we het wisten toen de keuze op Brugge viel en niet op Beaufort 2015. Het weer, dachten we. In Brugge kunnen we makkelijker een cosy brasserietje of patisserietje binnenwippen als dat niet meezit.  Met een zucht klap ik het wagenportier dicht.  Hondenweer en nadien een overvolle treinwagon.  Brussel – Brugge verloopt iets comfortabeler en mijn plu krijgt de kans om te drogen. Ondertussen zijn we met z’n tweetjes al goed op dreef met bijpraten en als Brugge in zicht komt, klaart de hemel zowaar helderblauw uit. Uit Oostende naar Brugge gekomen, wacht bij de uitgang de derde van het gezelschap. Eerst langs de infokiosk en als ik nog even tijd vraag voor een toiletbezoek, slagen we erin om elkaar kwijt te spelen  in een cirkeltje ‘uitgang, lokettenhal, uitgang’. De mobieltjes brengen soelaas.  Het trio kan op pad.

Het concept heeft ons kunnen overtuigen. Maar een eerder verwarrende keuze wacht ons. Er is een parcours ‘Earmarks’ dat uitnodigt om verschillende plekken in Brugge te bezoeken en hun geluidskwaliteit te beleven.  We kiezen voor het kunstparcours maar we hebben ons de wandelgids niet aangeschaft en redderen met de brochure waarop een miniplan met de locaties van 14 kunstinstallaties.

De eerste installatie van Daniel Dewaele bevindt zich op het plein voor het station: The Passage Room, een knalrode container ‘To Becone a New Citizen of Bruges’. Originele intro, oordelen we. In de binnentuin van het Begijhof  zijn Tadashi Kawamata’s ‘Tree huts in Bruges’  speelse, spirituele verwijzingen naar de geborgenheid die afzondering en stilte kunnen bieden.  Op het Oud Sint Jan, menen we, staat er een kraan. Groot is onze verbazing als we lezen dat het eigenlijk om de Britse installatie UNDERCURRENT van HeHe gaat. Haar symboliek is bijzonder frappant in deze historische context. Naast de Salvatorkerk worden we gecharmeerd door  de Chinese constructie Doing Nothing Doing – Wu Wei Er Wei van Song Dong.  We laten ons even, zittend op de trappen, meegaan met de stroom van de indrukken van het moment terwijl we onverwacht door een schaduwgezel – de eega van ééntje van ons – op foto vastgelegd worden en wat meer deskundige wandelgidsinformatie krijgen.  Leuk!  Onze wegen scheiden zich weer en als trio stevenen we naar de Markt.  Daar gaan we even binnen in Vibeke Jensens 1:1 Connect – Diamondscope. Een Noorse creatie. Prachtig zijn de gebroken weerspiegelingen van de gebouwen en de dynamiek aan de Markt. Speels het effect van te zien-zonder-gezien-te-worden. Een ervaring die menige Brugse bewoner allicht vertrouwd is.

En dan beslissen we te pauzeren. In de Vlamingstraat is Bakerstreet / Patisserie Prestige een leuk adresje, weet één van ons. En of ze gelijk heeft! De lunch valt iets langer uit. Geen zorg want we hebben net een regenbui ontlopen.

Op de Burg komt Nathan Coley’s lichtsculptuur A Place Beyond Belief me bekend voor. Watou14, in de kerk, herinner ik mij. Hier nu in de buurt van de Bloedkapel.  Achteraan op het plein – wie niet goed oplet, loopt eraan voorbij – staat wat donker weggedoken  de chocoladesculptuur  UBER Capitalism van de Oostenrijker Rainer Ganahl. Een aanklacht in het riante Brugge, wereldcentrum van de chocolade, tegen de kinderarbeid, mensenhandel en gevaarlijke werkomstandigheden in de landen waar de cacao geoogst wordt. Het roterende UBER Capitalism herinnert aan het roterende Benz-logo van weleer.

Op het Van Eyckplein en in het  hanzekwartier zoeken we naar de zwevende luidspreker die op bepaalde locaties geactiveerd wordt door een gps-gestuurd netwerk. Een installatie van het akoestisch traject. We moeten het overslaan want de luissprekers zijn op wandel. We trekken naar de Poortersloge waar de Belgische Vermeir & Heiremans’ video-installatie Masquerade de Art House Index promoot. Een moeilijk te begrijpen creatie, concluderen we. Het werk blijkt zijn titel en structuur te danken aan de laatste roman van Herman Melville, The Confidence Man – His Masquerade (1857), een kritiek op een cultuur van professioneel vertrouwen, die menselijke relaties herleidt tot louter financiële transacties. Het is een filmische vertelling die in 45 scenes een reeks uitwisselingen verhaalt tussen een zogenaamde ‘confidence man’ en zijn medepassagiers op de stoomboot Fidèle. Het titelpersonage neemt daarbij verschillende identiteiten aan en manipuleert de overtuigingen en het vertrouwen van zijn slachtoffers, om ze uiteindelijk aan hem te binden met een financieel contract.

Langs de Sint – Annarei – Potterierei proberen we de pontons uit van de Canal Swimmer’s Club van het Japanse architectencollectief Atelier Bow – Wow. Een prachtidee op deze locatie, vinden we.

We beslissen nog één installatie te bezoeken en flaneren langs de Verversdijk en de Hoogstraat naar de Groenerei en de Indische installatie van Studio Mumbai, Bridge by the Canal. Wonen op een brug? De Italianen van Firenze deden het al.

Langs de Steenhouwersdijk, de Rozenhoedkaai en Arents Hof struinen we naar het Wijngaardplein aan het Minnewater en doen er nog een terrasje. De schaduwgezel vervoegt opnieuw ons gezelschap en we praten wat na. Een warme avondzon breekt door. Een mooier einde van een boeiende culturele verkenning in de spirit van oude vriendschap kan een mens zich niet wensen.

Numero Zero – Het nulnummer – Umberto Eco***

Nog nooit las ik een boek dat de krantenwereld zo op de korrel neemt als de laatste roman Numero Zero van Umberto Eco, vertaald als Het nulnummer, Prometheus, 2015. Omdat mijn kennis van de Italiaanse politieke gebeurtenissen tussen 1945 en 1992 beperkt is, op enkele feiten na, ontging me heel wat. Echter, de wijze waarop de redactie van Morgen, aan kopij komt, de methodes die door de hoofdredacteur worden voorgestaan en de taalinstructies die de journalisten krijgen, het is alles ronduit burlesk. Echt gedreven heb ik gelezen wanneer de journalist Braggadocio tegenover verteller Colonna het Mussoliniverleden van Italië in verband weet te brengen met de aanslagen van 1992. Hij is een hallucinant complot op het spoor, denkt hij. Toen Gladio genoemd werd, het geheime netwerk dat na de Tweede Wereldoorlog werd opgezet in Europa tegen een mogelijke sovjetinvasie, en het koppel, Maia en de ondertussen ondergedoken Colonna, toevallig op de BBC-reportage over Gladio afstemmen, had ik als lezer een ‘connect-ervaring’. Ik herinnerde me de reportage nog levendig en meteen ook de verbijstering die ze bij me had teweeg gebracht.

Historische roman en satirische krantenthriller doorspekt met een grotesk liefdesverhaal, dat is Het nulnummer. Maar laat ik Jean-Pierre Rondas (Streven, Juni 2015) in een opmerkelijke analyse van de roman en de hedendaagse krantenwereld aan het woord:

‘Met Het nulnummer schreef Umberto Eco (°1932) een roman over een krantenredactie die van een vaag blijvende mediamagnaat de opdracht krijgt een serie van twaalf opzettelijk leugenachtige, waarheid verdraaiende ‘nulnummers’ samen te stellen maar uiteindelijk niet in staat blijkt te zijn om ook maar het eerste nulnummer half vol te krijgen. Hoe dat komt, vertelt ons het ik-personage, de erudiete loser en ‘man zonder eigenschappen’ Colonna. Deze eerste verhaallijn dient ook als bedding voor een tweede, die op het eerste gezicht van dit eerste onderwerp lijkt af te wijken en alles te maken heeft met de complottheorieën die we kennen uit Eco’s vorige romans De slinger van Foucault (1988), Baudolino (2000) en De begraafplaats van Praag (2010). Deze tweede lijn maakt trouwens een einde aan het journalistieke project.
Het nulnummer is zoals dat heet gemengd onthaald: van totale verwerping tot laaiend enthousiasme. Het probleem is dat de receptie van een roman veelal gemeten wordt aan het aantal en de kwaliteit van de recensies die geschreven worden door precies die redacties waarvan hier een negatief prototype tot op het bot wordt bekritiseerd. De meeste van deze recensenten hebben dan ook de neiging om niet diep in te gaan op de scherpe en soms cynische journalismekritiek die Eco hier ten beste geeft, maar des te meer op het detective-aspect van de complotterij waarmee hij zo graag speelt – zonder dat ze het verband met de huidige journalistiek wensen te zien. Ik tenminste heb geen enkele tekst mogen lezen die dit verband heeft gelegd. De twee aspecten worden apart besproken, waarbij geïnsinueerd wordt dat Eco hier twee van zijn speeltjes artificieel heeft verbonden.’
J.- P. Rondas besluit zijn artikel ‘Opgezet spel’ als volgt: ‘Het begin van de gedwongen verweekbladisering van de krant kunnen we inderdaad rond 1992 situeren. Op basis daarvan schreef Eco met Het nulnummer en met zijn gekende procedés een indringende satire op de krantenmakerij en haar methodes. Maar de krant heeft haar metamorfose tot weekblad goed doorstaan. Anno 2015 zitten we al een tijdlang in de periode van de gedwongen vertwittering van de krant, niet alleen qua vormgeving (die in druk wordt geïmiteerd) maar ook in de pregnantie van de kort gestelde bewering, volledig in eenklank met de beweringsjournalistiek die vandaag heerst. Men zegt vaak dat de krant haar macht kwijtspeelt aan de sociale media. Dat is nog maar de vraag. De krant zou ook wel eens haar vertwittering kunnen overleven, meer zelfs: ze zou wel eens de leiding kunnen nemen van de modellen die ze imiteert. Dan krijgen we pas een opgezet spel.’

The Adventures of Elizabeth in Rügen – Elizabeth von Arnim (1866 – 1941)

“[Walking] is the perfect way of moving if you want to see into the life of things. It is the one way of freedom. If you go to a place on anything but your own feet you are taken there too fast, and miss a thousand delicate joys that were waiting for you by the wayside.” ― Elizabeth von Arnim, The Adventures of Elizabeth in Rügen

‘If one theme could be found to link all her work it is that of plants and flowers. Where Woolf said every woman needed a room of her own, Von Arnim would have said every woman needed a garden.’ – The Independent, 25 July 2015

De Koning: “diepgaande, stevige en duurzame banden smeden en koesteren” – Nationale feestdag – 21 juli 2015

Il nero e l’argento – Het zwart en het zilver – Paolo Giordano*****

Als de tijd me ontbreekt om kleppers van romans te lezen, grijp ik naar verhalenbundels, novelles of miniromans. In elk geval een verhaal dat in een eerder korte tijdspanne gelezen kan worden zodat ik de namen van de personages of het verloop van de verhaallijn niet opniew moet proberen te achterhalen nadat ik het boek noodgedwongen een tijd ter zijde heb gelegd. Dat is één van de redenen dat ik Il nero e l’argento (2014) van Paolo Giordano vertaald voor De Bezige Bij als Het zwart en het zilver (2014) meenam. En dat was een gelukkige keuze want ik werd in het verhaal gesleept als in een niet te ontwijken stroomversnelling waarin ik mee moest, geen ontkomen aan.

Een ware ode aan Signora A. , weduwe, huishoudster en later ook nanny  bij het jonge moderne gezin van  Arno en Nora. Arno, academisch natuurkundige, en Nora,  interieurarchitecte, hebben een tamelijk druk leven. Signora A. wordt in het gezin gehaald wanneer Nora het bed moet houden vóór de bevalling van hun eerste kind Emanuele. Nadien blijft ze als de bijzonder toegewijde nanny van Emanuele en degene die op pragmatisch, zelfverzekerde wijze het evenwicht in dit jonge gezin weet te bewaren. Deze steun en toeverlaat, wiens invloed groter is dan door haar werkgevers wordt vermoed, wordt echter ongeneeslijk ziek.  Signora A. trekt zich terug en de gevolgen voor de relatie van Arno en Nora zijn desastreus. Toegewijd tot haar laatste ademtocht, roept ze hen nog een laatste maal bij zich.

Het zwart en zilver van de titel slaat op de verschillende persoonlijkheden van Arno en Nora

‘Ik sta stil bij de door Galenus geopperde overeenkomst tussen kanker en melancholie, die beide veroorzaakt worden door een teveel aan zwart levenssap. Terwijl ik lees, is het net of ik het kleverige sap, een stroom teer, door mijn lymfatisch systeem voel stromen, waardoor het verstopt geraakt.’ (blz.94)

“Ik denk dat de stewardess geen idee  heeft van het zwarte levenssap, zoals trouwens ook Nora, die tegen mijn schouder gevlijd ligt te slapen, er weinig van weet. Ik kijk naar haar weifelend tussen tederheid en jaloezie. Haar levenssap is licht, helder en ondanks alles overvloedig. Ik ben ervan overtuigd dat haar vitaliteit onuitputtelijk is, dat niets, ook niet het meest onherstelbare verdriet, zelfs niet de diepste rouw, haar tegenhoudt. Uiteindelijk zijn we bijna nooit gelukkig of ongelukkig door wat ons overkomt, we zijn het een of het ander afhankelijk van het levenssap dat in ons stroomt, en het hare is vloeibaar zilver, het witste van alle metalen, de beste van alle geleiders, het metaal dat het felste weerkaatst. De troostrijke gedacht dat zij zo sterk is, vermengt zich met de angst dat ik niet echt onmisbaar voor haar ben, en dat een van de talloze manieren waarop ik aan haar vastzit die van een bloedzuiger is, die het leven uit een ander zuigt, een enorme parasiet.” (blz.95)

“Ik wist zeker dat nora’s zilver en mijn zwart langzaam met elkaar vermengd raakten en dat er uiteindelijk dezelfde bruine, metaalachtige vloeistof door ons beiden zou stromen.[…] En we waren er samen van overtuigd geraakt dat het vuurrode levenssap van Signora A. aan het onze nog een schakering zou toevoegen, waardoor de soortgelijke dichtheid ervan zou toenemen en wij sterker zouden worden. Ik vergiste me. We vergisten ons.[…] In weerwil van wat we hoopten waren we niet in elkaar op te lossen.” (blz 144 -145)

Maar Signora A. speelt nog mee en dat verwoordt Giordano in een beklijvende metafoor: “Ze behoorde tot het soort struiken waarvan de wortels in de scheuren van de muren kruipen, langs de randen van het trottoir, tot het soort klimplanten dat genoeg heeft aan een spleetje om zich vast te hechten en de hele gevel van een gebouw te bedekken. Ze was onkruid, Signora A. maar van het edelste soort.”(blz.154)

Het moet een autobiografische ervaring geweest zijn die Giordano in staat stelde om dit verhaal van liefde en eenzaamheid in de liefde, van verlies en de verwerking ervan zo herkenbaar en puntgaaf te verwoorden zonder pathetisch sentimenteel te worden. Het is een doorleefd, warm relaas dat blijk geeft van een groot psychologisch inzicht. Giordano heeft een meesterlijk oog voor detail, voor het evoceren van ingehouden verdriet en verlangen, voor katalyserende momenten in het fluïdum van de liefde, voor de realiteit dat een overledene in haar afwezigheid intens aanwezig kan zijn. Een kleinood van een roman.

Stay Where You Are and Then Leave – De jongen die zijn vader zocht – John Boyne****

De Ierse John Boyne is sedert zijn boek The Boy in the Striped Pyjamas (2006) geen onbekende meer. In 2014 kwam bij Meulenhoff Boekerij de vertaling uit van een andere jeugdroman van hem  Stay Where You Are and Then Leave (2013), vertaald als De Jongen die zijn vader zocht (2014). En hoewel  we hier te maken hebben met een boek voor jongeren, toch is het ook in staat de volwassen lezer in zijn ban te houden.

Boyne kijkt in deze roman door de ogen van een negenjarige jongen naar de gebeurtenissen die in de nasleep van 28 juli 1914, het begin van WO I en hoofdfiguur Alfie Summerfield ’s  5de verjaardag,  diens buurt Damly Road (London) grondig veranderen. De historische gegevens van ontbering, fanatiek patriottisme, afstraffing van dienstweigeraars, shellshock, de heksenjacht tegen burgers met on-Engelse namen als vermeende Duitse spionnen komen in het boek aan bod op een voor jongeren te verhapstukken, niet sentimentele maar zeer indringende wijze.

De karakters van Alfie’s moeder Margie en haar man Georgie Summerfield, van Oma Summerfield,  de dienstweigeraar Joe Patience,  de Praagse familie Janáček en de Australiër Bill Hemperton komen doorheen het verhaal flink uit de verf.

De hoofdpersoon Alfie trekt de natuurlijke sympathie van de lezer door de wijze waarop hij ‘zijn steentje wil bijdragen’ om zijn moeder doorheen deze harde oorlogsjaren te helpen. Hij wordt echter een bijna onrealistische held wanneer hij het plan opvat om op ‘geheime missie’ te vertrekken en dat plan ook helemaal in zijn eentje uitvoert.

Sommige scènes zijn aangrijpend – de beschrijving van de door shellshock verwoeste soldaten in  East-Suffolk & Ipswich Hospital –  en educatief in die zin dat ze jonge sensitieve lezers confronteren met en bewust maken van de gruwelijke gevolgen van oorlog.

Voor sommige volwassenen eindigt deze roman misschien een tikkeltje te optimistisch – eind goed al goed – want  twintig jaar later dan de kalendertijd in dit verhaal , weten we, zal zich de oorlogsellende herhalen. Hoop is echter de drijvende kracht achter de handelingen en het voortschrijdend bewustzijn van hoofdfiguur Alfie.  Daar ligt de boodschap in het verhaal. Buurtsolidariteit, moed, doorzettingsvermogen, vindingrijkheid, vastberadenheid trekken de mens tenslotte door de ergste rampspoed. Immers, ‘Hij had het gedaan om de beste reden die je kunt bedenken. Uit liefde.’

Stir-fry | Geroerd | Emma Donoghue****

Emma Donoghue is een Iers-Canadese schrijfster wiens debuutroman Stir-fry (1994) – vertaald voor uitgeverij Atlas (Amsterdam) door Ardy Stegeman en Marijke Versluys als Geroerd (1994) – in 2011 door uitgeverij Mouria opnieuw werd uitgegeven.
Mária, zeventien en nog onzeker, heeft haar ouderlijk huis op het platteland verlaten om in Dublins Trinity College wiskunde en kunstgeschiedenis te gaan studeren. Wanneer ze ingaat op een advertentie ad valvas: ‘2 ♀ zoeken flatgenote.’- ’Eigen kamer. Wauw! Geen bekrompen types.’, vindt ze een kamer bij Ruth en Jaël. Ze probeert greep te krijgen op zichzelf en haar nieuwe bestaan in Dublin terwijl ze college loopt en ’s avonds kantoren schoonmaakt om haar studie te kunnen financieren. Ruth en Jaël verwelkomen haar hartelijk en maken haar wegwijs in de stad. Geleidelijk merkt Mária dat de relatie tussen haar beide flatgenoten anders is dan ze aanvankelijk dacht en dat zet haar aan tot nadenken over haar eigen seksualiteit. Emma Donoghue schrijft op haar website over de roman:

Apart from the University College Dublin setting circa 1989, Stir-fry has little of my life in it; I was interested in exploring how someone who lacked my own clarity and confidence might wander, even stumble, into questioning her sexual identity. The infinitely generous agent who took me on at 21, and has stood by me to this day – Caroline Davidson – put me through seven drafts, and kept my spirits up through endless rejection letters, before she managed to get me a two-book deal on both sides of the Atlantic. It’s a sign of how new I was to writing fiction that I changed the ending of Stir-fry completely in the last draft, after a friend pointed out that there was in fact much stronger chemistry between two other points in the human triangle. Then I tried to have the novel pulled just before publication, wanting to start my career with Hood instead, but my wise editor – the late Kate Jones at Hamish Hamilton – talked me down, promising me that Stir-fry, although slighter in some ways, would offer readers just as much pleasure.

Naarmate Mária zich bewuster wordt van haar eigen seksualiteit gaat zich ook het begrip ‘thuis’ verplaatsen: van de gezinssituatie op het platteland naar een nieuw nest bij Ruth en Jaël. Maar dat verloopt allemaal niet probleemloos. Gevoelens van vriendschap en verlangen overlappen elkaar. Emma Donoghue schrijft daar erg fijngevoelig, intelligent, ontroerend en tegelijk zeer geestig over. Een romandebuut dat ondertussen een klassieker werd.

%d bloggers liken dit: