100 jaar Slag van Passendale

Last Post Menenpoort – 30 juli 2017 – foto: VRT

De BBC-herdenking van de Slag bij Passendale was ongezien, indrukwekkend, spectaculair. Ik stemde af op BBC Two en volgde zowel de ceremonie aan de Menenpoort als het evenement op de Markt van Ieper. Ieper werd voor menige Engelse familie een pelgrimsoord, een plek waar ze hun verloren verwanten konden gedenken. Koning Filip trof – het moge gezegd – een gevoelige snaar met zijn toespraak aan de Menenpoort:

Every time we stand here under the Menin Gate, we feel overwhelmed by the immensity of the sacrifice of the men whose names surround us. And when a fresh breeze whispers through the arches, it touches something inside all of us. It is as if the fallen were telling us : we did this for you. Indeed, they came to our country from near and far to defend our freedom alongside our own soldiers. Ever since, we have expressed our gratitude to these heroes, and a hundred years have passed without it being diminished.

De BBC had een drietal experten rond de gesprekstafel uitgenodigd, waaronder historica Sophie De Schaepdrijver, die commentaar gaven bij de herdenking van de Totale Oorlog en de Derde Slag bij Passendale. Tyne Cot Cemetery, en alle andere oorlogskerkhoven in de regio, laten je als bezoeker verweesd staan bij het verlies van zo’n massa jonge mannen. Er zijn ook de eerder zeldzame Duitse kerkhoven, waarover Sophie De Schaepdrijver opmerkte dat de verliezen aan die zijde eveneens immens waren. Spontaan rees in het gesprek daarbij dan de vraag hoe verantwoord deze slachtpartij was en of de jonge mannen aan weerszijden van de frontlijn dit alles nog als een ‘heilige plicht’ ervoeren. De meerderheid wel, dacht één van de gesprekspartners.  Wie inzag wat er gebeurde, dacht daar echter anders over:

Net voor het begin van de Slag schrijft Siegfried Sassoon een fel protest tegen de oorlog. De dichter had als officier in Frankrijk gevochten en was thuis aan het  herstellen van een verwonding.  “Ik heb het lijden van de troepen gezien en meegemaakt, en ik kan niet langer meewerken aan het verlengen van dat lijden, dat, geloof ik, slechte en onrechtvaardige doelstellingen dient. Ik protesteer niet tegen de manier van oorlogsvoeren, maar wel tegen de politieke fouten en de oneerlijkheid waarvoor de mannen die vechten worden opgeofferd.”  De tekst verscheen op 31 juli in meerdere kranten. Normaal had de bekende Sassoon  hiervoor door een krijgsraad berecht moeten worden, maar dat durfden de Britse autoriteiten niet.  Hij werd naar een ziekenhuis gestuurd en er behandeld voor een ‘inzinking’. Meer op 100 jaar slag van Passendale (VRT).

Naar de Westhoek reizen en je laten treffen door de gruwel van een niets en niemand ontziende oorlog, is stil worden en beseffen dat herdenkingseducatie pas nuttig is als er ook gewerkt wordt aan vredeseducatie,  deradicalisering, vluchtelingenhulp, omgang met trauma en angst, illegale wapenhandel, een ban op kernwapens, humanitaire hulp. Schoonheid nastreven en beleven met oorlogsgruwel, het roept gemengde gevoelens op. We vergeten de feiten niet. Daarom werd de dagdagelijkse gewoonheid van dat herdenken, door de koning ook niet vergeten: Members of the Last Post Association organise the ceremony day after day, on busy summer evenings and quiet winter nights. For your dedication, we thank you.

Dit eerbetoon en de vraag om together with the new generations, [to] renew our commitment to the fallen to use the freedom we owe to them in a way that honours their immense sacrifice,  vormden zonder bombarie de eenvoudige, grootse woorden van een gevoelige koning.

 

 

De Wereld van De Wachter – Dirk De Wachter*****

In De wereld van De Wachter. Uitgeverij Lannoo Campus, stapt psychiater Dirk De Wachter uit zijn psychiaterstoel  en geeft in 13 hoofdstukken – met vooraf een paar inleidende stukjes en aan het einde een Nawoord en Bronnenlijst- een lucide kijk op ‘zijn wereld’, die ook onze wereld is, ons daarmee binnenloodsend in zijn visie op God?, Stil?, Totaal?, Klein?, Zin?, Economie?, Vlucht?, Tijd?, Moeten?, Jeugd?, Virtueel?, Lichaam?, Kunst? Elk hoofdstuk wordt voorafgegaan door een citaat uit . Vasili Grossmans roman Leven & Lot  Volgens De Wachter „de grootste schrijver van de twintigste eeuw, naast Marcel Proust en Thomas Mann”.

Moeten ? „We zijn bang voor verveling, maar vooral van de stilte die ze met zich meebrengt. Die confronteert ons met de tijd, op een andere manier dan de drukte doet. Waar de drukte ons de illusie oplevert dat we de tijd voorbij kunnen lopen, als we maar snel genoeg zijn, haakt de stilte ons vast aan het eindige moment.” blz. 126

De auteur slaagt erin om moeilijke materie toegankelijk weer te geven. Hij stelt zich op als een zoekende met de zoekenden, iemand die durft niet-te-weten maar die in alles wat hij kritiseert de blik hoopvol en liefdevol op de Ander houdt. In Borderline Times diagnosticeerde hij met een klinische blik de maatschappij. In dit boek wil hij echter dat medische kader loslaten om zo ‘in een diepere laag waarin complexe, paradoxale, soms onbegrijpelijke krachten spelen’, te komen. Van die krachten probeert hij een staal te nemen. Daarbij moet de onbegrijpelijkheid van het Zijn, ons niet machteloos of cynisch maken, stelt hij. Het denken zelf heeft zin ook al leidt het niet altijd tot directe en efficiënte oplossingen […]. Het geruststellende kader wordt losgelaten, de onzekerheid neemt terug toe, de gemakkelijke oplossingen worden steeds weer in vraag gesteld.

“De antwoorden voor de wereld kunnen nooit definitief zijn, maar altijd weer zoekend, hortend, corrigerend. Het menselijke wezen zoekt blijvend zin in de worsteling met zijn onbegrijpelijke lot.” blz. 11

De auteur voelt zich ongemakkelijk omdat hij zelf niet ontsnapt aan de wetten van de ikkige tijd maar  beklemtoont dat we zijn in de blik van de Ander, de face-en-face- avoir l’ autre dans sa peau, zoals Levinas dat zo krachtig uitdrukt en hij verklaart zich voor enkele van zijn rijke gedachten ook schatplichtig aan de Nederlandse filosoof Sam Ijsseling en voor meer begrip over de multiculturele wereld in verandering aan de visionaire scherpzinnigheid van  Hind Fraihi.

Dirk De Wachter profileert zich in dit boek als een gids die durft te hopen dat het kleine Goede het grote Kwaad uiteindelijk zal beteugelen. Hij heeft geen pasklare antwoorden voor de ellende en het verdriet van onze tijd en geen specifieke raadgevingen maar kijkt hoopvol naar solidaire bottom-up-initiatieven en schrijft een belangrijke rol toe aan de kunst, die bijzondere aspecten van onze ongrijpbare essentie kan doen oplichten.

In een interview met De Wereld Morgen:

U besteedt veel aandacht aan de rol van kunst en cultuur in uw boeken. Toevallig in tijden waarin die onder vuur liggen en zich voortdurend lijken te moeten bewijzen.

“Kan kunst de wereld redden? Volmondig ja. Ook kunst kan de wereld redden, met de nadruk op ‘ook’. De kunsten zijn geen eiland. Ze bestaan bij gratie van de wereld, de samenleving. De wereld definieert de kunsten. Maar engagement in de kunst kan ook doorslaan. Al te geëngageerde kunst, kunst die een stellige boodschap vertolkt is propaganda, geen kunst. Dan denk ik bijvoorbeeld aan de nazikunst. De kunstenaar moet blijven vragen stellen.

Ik moet nu spontaan denken aan Bukowski’s gedicht ‘Style’.

“Style is the answer to everything.
A fresh way to approach a dull or dangerous thing
To do a dull thing with style is preferable to doing a dangerous thing without it
To do a dangerous thing with style is what I call art

Bullfighting can be an art
Boxing can be an art
Loving can be an art
Opening a can of sardines can be an art”

Het is niet zozeer wat je doet, maar hoe je dingen doet die ze betekenis geeft.

Kunstenaars zijn visionairen, zij voelen dingen aan die de rest van de wereld (nog) niet ziet. Zij zijn perfect geplaatst om onze ogen te openen voor wat we doorgaans negeren.”

Ondanks uw kritische stem toont u zich erg mild voor het individu. U bent scherp voor structuren, maar ontziet de mensen.

“Dat klopt. Wanneer ik tegenover iemand zit die de meest ondenkbare racistische uitspraken doet, dan keur ik die niet goed, maar probeer ik te begrijpen wat er gaande is. Ieder mens heeft zijn verhaal, zijn achtergrond en geschiedenis. Achter het zichtbare zit veel verborgen wat we niet weten. Ieder mens is kwetsbaar. Tegenover die kwetsbaarheid moet je mededogen stellen.

Voor mij is kwetsbaarheid een talent. Een groot deel van de menselijke creativiteit komt voort uit kwetsbaarheid. Maar onze samenleving heeft maar weinig plaats voor het kwetsbare. Tegelijkertijd worden structuren wel gemaakt door mensen en zijn het ook alleen mensen die ze kunnen veranderen. Structuren zijn geen anonieme entiteiten en ze zijn niet van “de anderen”. We zijn allemaal verantwoordelijk.

“We willen alles perfectioneren, alles lijkt maakbaar, als je maar hard genoeg je best doet. Zelfs in de liefde willen we de ander kneden, zoeken we naar de perfecte relatie op maat. We zijn ziek in maakbaarheid. We hebben God in de hemel afgeschoten en zijn zelf God geworden. Dat is een vergissing. Ik pleit voor zingeving en aandacht voor zorg, maar wel als universele waarden, niet vanuit een conservatieve of religieus geïnspireerde visie. Mijn pleidooi betekent dus niet dat we terug moeten naar hoe het vroeger was, naar de verzuiling en de betutteling, maar wel dat we moeten nadenken hoe we deze nieuwe tijd vorm willen geven.” uit: De Wereld Morgen – Bieke Prunelle

Google doodle en …

20 Belgische trekpleisters in de Google doodle voor de Nationale Feestdag 2017

… kent u ook de 99 redenen waarom België EIGENZINNIG FENOMENAAL is? 🙂 Een beetje chauvinisme op een dag als vandaag kan geen kwaad, toch?

Op deze nationale feestdag is het boeiend om [ook] eens op een andere manier over onze geschiedenis te denken dan we hoorden op de schoolbanken. VRT-journalist Jos De Greef kijkt eigenzinnig naar dat verleden en ziet een België dat al altijd meertalig was en ouder is dan het officiële geboortejaar.

 

 

Koning Filip: “Over de verschillen heen kijken, meer is niet nodig”

Koning Filip breekt mee de vastenperiode tijdens ramadan – foto: VRT

In zijn jaarlijkse toespraak aan de vooravond van onze nationale feestdag spreekt Koning Filip klare én optimistische taal. Hij roept op om te focussen op wat we delen met elkaar, niet op wat ons verdeelt. De tijd is er rijp voor, dankzij een nieuwe dynamiek in Europa, aldus onze vorst.

Over de economie en de arbeidsmarkt waait vandaag een wind van optimisme”, steekt onze vorst van wal. “Een nieuwe Europese dynamiek lijkt vorm te krijgen. Hoe kunnen we dit moment aangrijpen?” Een directe vraag, en de koning geeft meteen het antwoord. Door te “leren van elkaar en met elkaar”, om zo breuken in onze samenleving te overbruggen, zo klinkt het.

De vibe van Macron

Vorig jaar lag de focus van de koning nog op het verdriet van België na de aanslagen en de onrust binnen de Europese Unie. Nu voelt hij kansen die we moeten grijpen. Weg is het pessimisme van de brexit: met Macron in het Franse Elysée ligt de focus binnen Europa weer op samenzijn.

Door ervaringen te delen, kunnen we leren, vindt de koning. Van de Zwitsers bijvoorbeeld, en hun opleidingssysteem van duaal leren, op school en op de werkplek, waar koning Filip zo’n fan van is. Eind juni ging hij er nog op werkbezoek, met een schare ministers.

“Onlangs heb ik in Zwitserland kunnen vaststellen hoe succesvol dit model van duaal leren kan zijn. Laten we de kruisbestuiving tussen ons onderwijs en het bedrijfsleven dan ook blijven aanmoedigen. Het zorgt voor meer dynamisme in de arbeidsmarkt. En we bevorderen er de gelijkheid van kansen mee.”

“Ik heb veel geleerd”

Zelf leert en deelt onze vorst ook. Bij de Marathonradio van onze jongerenzender MNM bijvoorbeeld was hij tegen de blokkende studenten heel open over zijn eigen studentenperiode, toen hij zei dat het voor hem niet gemakkelijk was, en dat hij hard heeft moeten studeren.

En met een Belgisch moslimgezin brak hij mee de vastenperiode tijdens de ramadan. “Ik was onder de indruk van de manier waarop alle leden van het gezin zich inzetten voor de gemeenschap”, zegt hij in zijn speech. En de avond wordt nog beter.

“Toen ik ’s avonds laat het huis verliet, stonden hun buren me op te wachten. Zij boden me een fles wijn aan. En ze vertelden me hoe blij ze waren in die buurt te wonen. Het maakte me trots, dat twee zo verschillende, eenvoudige en oprechte uitingen van gastvrijheid, bij ons zij aan zij kunnen bestaan.”

“Praat met wie je niet kent”

Koning Filip beseft dat het er niet in alle straten zo aan toe gaat. Maar meer dan we denken, zegt hij, “bestaat er een gemeenschap aan waarden, over de verschillen heen.” En dus roept hij op, en geeft hij raad, en zegt hij zelfs ronduit wat we moeten doen.

“Praat eens met iemand in uw omgeving die u niet kent. U zal ontdekken dat u met uw buren dezelfde vragen deelt, dezelfde twijfels, dezelfde hoop, dezelfde dromen. Welzijn en geluk hebben pas waarde als ze echt worden gedeeld.”

Onze koning zet zijn besluit kracht bij met zijn arm. En hij belooft dat we de positieve dynamiek gaan kunnen verzilveren. “Op voorwaarde dat we willen leren van wie ons voorafgaat, van wie ons volgt, van onze buren, en van wie we soms denken dat ze zo verschillend zijn. Over de verschillen heen kijken, meer is daar niet voor nodig.”

En na deze opdracht rondt de koning zijn 21 juli-speech af, met een wens van hemzelf en koningin Mathilde: “Een gezellige nationale feestdag.”

Bron: deredactie.be

OER. De wortels van Vlaanderen – Caermersklooster – Gent *****

Het Patershol, kruispunt Vrouwebroersstraat – Plotersgracht

Het Caermersklooster ligt in het Gentse Patershol. Die wijk is vandaag de dag bekend voor de vele restaurants die achter de historische gevels schuilen. Dat stadsbeeld dateert maar van het einde van de 20ste eeuw. In de 12de eeuw bevolkten vooral ambachtslieden zoals schoenmakers (‘corduwaniers’) deze wijk. Later bouwden advocaten en magistraten hier hun mooie burgerhuizen.Voor hun werk moesten zij immers vaak in het Gravensteen zijn: dat was tot de 18de eeuw de zetel van verschillende bestuursorganen. Tijdens de industriële revolutie verarmde de wijk tot een arbeidersbuurt in de schaduw van detextielfabrieken. Daarna kwam de opwaardering van de wijk.

Restaurant Roots in de Vrouwebroersstraat

De naam Patershol zou teruggaan op een donkere gang die onder de infirmerie van een klooster naar de Plotersgracht liep.Het was het ‘klooster van de geschoeide karmelieten’. De karmelieten waren oorspronkelijk kluizenaars in het Nabije Oosten.De heilige Maagd Maria zou hen op de berg Karmel in Palestina bevolen hebben om een kloosterorde te stichten: vandaar de naam karmelieten of de volksnaam vrouwebroers.

Caermersklooster – Lange Steenstraat

OER is een weerspiegeling van een belangrijk kantelmoment in de Vlaamse kunstgeschiedenis, van ca. 1881 tot 1930. De tentoonstelling brengt een uitzonderlijke selectie van topstukken van de meest invloedrijke schilders uit die periode; de stukken bevinden zich grotendeel in privébezit en worden voor de eerste keer getoond aan het publiek.

Vanaf de 19de eeuw wordt België een van de belangrijkste industriële naties van de wereld. Boeren worden arbeiders. Ze verlaten het platteland voor de stad, en hokken daar dicht op elkaar gepakt in stinkende beluiken. Fabrieksschoorstenen walmen dag en nacht. Geen wonder dat het heimwee naar het verloren boerenverleden steekt.

Kunstenaars als Emile Claus, Gustave Van de Woestyne, George Minne en Valerius De Saedeleer verlaten het vuile Gent. In de Leiestreek kunnen ze vrij ademen, en vinden ze echo’s van de verloren idylle. Elk op hun manier zoeken ze – bewust of onbewust – hun ‘roots’. De een vindt die in rijpe korenvelden, de ander in de bruegeliaanse poëzie van een winterlandschap of in het getaande gezicht van een boer. In hun schilderijen, beelden en tekeningen zweemt een soort collectieve essentie van wat Vlaanderen is. Een monumentale, complexloze en vaak bijna spirituele ode aan de streek en haar bewoners.

DSC03490
Licht en leven, Emile Claus (1849-1924) en het luminisme.

Maar ook buiten Latem wordt geschilderd. In Oostende schippert James Ensor tussen reële vissers en burleske fantasieën – want ook absurde humor blijkt typisch Vlaams.

En bij het begin van de 20ste eeuw voelt Léon Spilliaert zich verloren in een steeds sneller veranderende wereld. En dan moet de oorlog nog beginnen.

Léon Spilliaert (1881-1946) – Solitude

De Eerste Wereldoorlog blijkt een breuklijn. Buitenlandse ballingschappen maken dat kunstenaars als Gust. De Smet, Frits Van den Berghe, Constant Permeke en Edgard Tytgat voeling krijgen met wat internationaal beweegt op de artistieke scène.

Rik Wouters (1882-1916) en zijn geliefde Nel
Constant Permeke (1886 -1952) – Het zwarte brood

Ook zij halen inspiratie uit het volkse leven en vullen deze aan met caféinterieurs, kermissen, circussen en variété. In de kunstwerken verweven zij hun eigen emoties en creëren een hoogst persoonlijke blik op de toenmalige wereld.

Edgard Tytgat 1879-1957

Nog tot 6 augustus 2017 – meer info: www.caermersklooster.be
Tekstbron: brochures van de tentoonstelling en het Caermersklooster

Artistiek, authentiek, charmant WATOU, STAY! ♥

Het bijna wanhopige vooruitzicht als zou het Kunstenfestival van Watou ter ziele gaan, werd niet bewaarheid. De hoop van vele trouwe Watou-fans bleek niet op een fantasietje gebaseerd, was geen valse hoop. De noodkreet van 2016 kreeg weerklank: er werden sponsors gevonden en de festivalzomer trok niet minder dan 24.000 bezoekers. Een record.

Dinsdag, 11 juli – Vlaamse feestdag

Met de trein uit Leuven over Mechelen, Gent en Kortrijk naar Poperinge en vandaar met de belbus naar Watou neemt drie uur in beslag. Maar de trein is altijd een beetje reizen en bovendien Dit wordt ons niet ontnomen: lezen / en ademloos het blad omslaan, / ver van de dagelijksheid vandaan. / Die lezen mogen eenzaam wezen. / Zij waren het van kind af aan. / Hen wenkt een wereld waar de groten, / de tijdelozen, voortbestaan. / Tot wie wij kleinen mogen gaan. / de enigen die ons nooit verstoten. (Ida Gerhardt). Het Watouplein staat bij aankomst om 11 uur al vol geparkeerde wagens.

Eerst naar het Festivalhuis (1) een toegangsticket halen en een catalogus want die bevat alle gedichten en de commentaren bij de kunstwerken. Een echte must have. De locatieaanwijzers van de kunstroute – in the pink (vert. uitstekend, in goede doen) dit jaar- kan je in geen geval mislopen. Van 1 tot en met 11 een ware verrassingswandeling langs even zovele en nog veel meer kunstwerken die op één of andere manier verwijzen naar of verband houden met het festivalthema ALEENIGHEID EN ONDRAAGLIJKE EENZAAMHEID.

Slapen

- Als ik te veel
bij mensen
ben

dan gaan mijn armen slapen
dan moet ik ze tot leven wekken

alleen

al doet het pijn 
als de beknelling
lost

Violante Juarez Oliveira
(pseudoniem voor Johanna Pas)
uit: De rug van een hand, 2016

In de Rode Hoed (2)

Javier Pérez, Spanje – El Espacio que nos separa, 2012

en het huis links in de Vijfhoekstraat 13 (3)

Mark Manders, Nederland – Ornament met brandpunten, 2000

de Kasteeltuin (4)

Edith Ronse, België – Bandage

en de Douviehoeve (5),

Krištof Kintera, Tsjechië – My Light is your Life, 2016
The Age of Aquarius

Elektriciteit geweest vannacht in beweging
en blauw en overal en snelheid geweest razend
door synapsen en zenuwbanen bliksem
in het stopcontact in hoogspanningsdraad brand
en lading en hitte geweest en hoogte en techno
een bloedsomloop teruggespoeld geslachtloos geweest
en rijkwijdte pupil aan scherven geknetterd
bezeten en climax en hoger nog de plek
waar de stem in boventonen breekt een sterrenstand
geweest bewogen en zomaar zonder bestemming verder
dan de kilometerteller verder dan een verte het mateloze in
van bovenaf gezien hoe in overgave auto's op de rug draaien
gezien hoe snelwegen uit de kaart sleten wie kon
reed nog naar een zomerhuis de rest verdween
eerst in de slikbeweging van sirenen later in de mond
van demagogen - hun tong spleet in voor en tegen
de literatuur heeft het ons zo geleerd:
er zijn mensen die [...] en er zijn mensen die [...]

Ik ben een mens die

Charlotte Van den Broeck
uit: Nachtroer, 2017
Chad Wright, VS – Master Plan. Phase One, 2011

de Graanschuur (6),

Katrin Dekoninck, België – Zonder titel, 2017

het Parochiehuisje (7),

Henk Visch, Nederland – Inside Story, 2015

het Brennepark*,

Woorden oogsten  …

de Brouwerij (8),

Daan den Houter, Nederland – Money Floor, 2017

het Klooster (9),

Braco Dimitrijevic, Sarajevo – This could be a place of historical importance, 1972
Zaventem

Afgerukt been bot bloed
laaiend vuur in de vlieghal
zij zit met het hoofd van haar kind in handen
schedel beroofd van dromen
hij merkt in een tel van eeuwigheid
dat zijn benen ontbreken
en sterft

bommengordels aangegord
bliezen de baarden zich rechtvaardig op
puur en genadeloos in hun jacht op maagden

zullen wij ook zo paradijsgericht zijn?
god ontferm u
en schaf religie af

Remco Campert
uit: Zaventem, 2016

en tenslotte de Kerk (10)

Javier Pérez, Spanje – Rosario / Memento Mori, 2008 -2009

Sergent-major Marsjèn? Non, mon commandant. Je m’appelle Martien, pas Marsjèn, à vos ordres.

Over Stefan Hertmans’ roman Oorlog en terpentijn.

Dat een mens dagelijks voorbij de plekken fietst of wandelt waar voor ons land de Groote Oorlog begon,  brengt hem nog nauwelijks in de sfeer van het gruwelijke armageddon dat zich daar een eeuw geleden afspeelde. De onverschillige natuur ging er sindsdien ongestoord zijn gang en zeer weinig, behalve de graven op de kerkhoven, herinnert aan de slachting van soldaten en burgers in de strijd tegen de Duitse bezetting van die dagen.  In 2014 zette Toerisme Vlaams Brabant echter fiets-, wandel- en autoroutes uit die de gebeurtenissen met betrekking tot deze oorlog weer onder de aandacht brengen. In datzelfde jaar kwam bij De Bezige Bij ook de meermaals gelauwerde roman Oorlog en terpentijn van Stefan Hertmans uit, onlangs ook genomineerd voor de Man Bookerprijs 2017.

Het boek lag al lang op lezing te wachten maar iets hield me tegen. Uit filmfragmenten in het Flanders Fieldsmuseum, foto’s en ook verhalen van een grootouder, jongste telg van 13 kinderen en in 1915 twaalf geworden, wist ik van de verschrikking van die oorlog voor hem en zijn ouders, broers en zussen. Dochters krijgen was voor hem het geluk hebben om geen kinderen als ‘kanonnenvoer’ te moeten afstaan. Bovendien wist ik uit een vorige roman van Hertmans met welke esthetische zwier hij de wreedheid van afgrijselijk geweld kan vatten. Ik aarzelde dus, maar dit monument niet lezen, was geen optie.

De lezers ontvankelijkheid voor gruwel en ontmenselijking is echter niet eindeloos. De volop in de verteltijd uitgesmeerde oorlogsmassacre die grootvader, Urbain Martien, ziet en doormaakt, beklijft maar wordt naar het einde door hem ook ervaren als ‘Mijn verhaal wordt eentonig zoals de oorlog eentonig werd, zoals het leven zelf eentonig werd en ons uiteindelijk ging tegenstaan’ (blz. 252). Zijn cahiers en het schilderen op het opkamertje maken voor Urbain de verwerking van het oorlogstrauma mogelijk. Hertmans weet gelukkig het evenwicht te vinden tussen het uit de verf laten komen van de manmoedige soldaat en de romantisch-gevoelige kunstenaar. Zijn verteltechniek is daarbij te vergelijken met de schilderstechniek van Rembrandt in het schilderij De Os. Het afzichtelijke wordt verheven kunst. Zo roepen de beschrijvingen van de arbeid in de ijzergieterij en de gelatinefabriek reminiscenties aan het naturalisme van Streuvels’ De Oogst en Het leven en de dood in de Ast op. Een postmoderne knipoog.

Doordat de militaire oorlogsterminologie van howitsers, granaten, obussen, mitraillettes, mitrailleurs, bajonetten, brandbommen, artillerie, genietroepen, garnizoenen, regimenten, brisantbommen, shrapnels, mortiervuur, mosterdgas, vuurkruisers niet van de lucht is, en de ontbering, de fysieke uitputting en ‘het godsgericht zonder God’ dat zich voltrekt, zo levensecht wordt beschreven, beland je als lezer met je emotie midden in deze afzichtelijke loopgravenoorlog die door duizenden Waalse en Vlaamse jongens maar vooral door de Vlaamse, met onverzettelijk patriottisme wordt gestreden, ondanks de gebrekkige uitrusting en ravitaillering. Dan begrijpt de lezer ook waarom juist daar door de discriminerende, vernederende houding van de Franstalige legerleiding tegenover de Vlaamse soldaten het latere flamingantisme kiemde.

Zijn militair pensioen bleef zo minimaal omdat hij voor zijn oorlogsverdiensten nooit een hogere graad dan sergeant-majoor had gekregen. Dat heeft hem met bitterheid vervuld; alle Waalse sergeanten, zo beweerde hij, waren bevorderd tot luitenant vanwege hun verdiensten, zelfs zijn eigen Vlaamse schoonbroer die in Wallonië woonde, een man die volgens hem zelfs niet werd gewond; hij echter, ondanks zijn eretekenen zijn kwetsuren (hij sprak soms een van een vierde en zelfs vijfde verwonding, waarover hij niets vermeldt in zijn memoires), bleef sergeant, ‘zoals zovele Vlaamse jongens’. (blz. 281)

Het andere aspect van de roman nl. terpentijn of het schilderstalent van Urbain Martien die als jonge tiener opkijkt naar zijn vader Franciscus, de frescoschilder, die relatief jong aan tering sterft, voert de lezer binnen in de niet van crisismomenten gespeende relatie tussen grootvader en kleinzoon-verteller.

“Dit is de tijd waarin het hopeloos te laat is voor de spijt waarin ik daar hopeloos verdronken sta.” (blz. 69-70)

Het horloge van zijn betovergrootvader dat zijn grootvader hem bij zijn communie overhandigt, valt uit de ik-vertellers handen.

“ … het heeft zijn roemloze dood gevonden in mijn stompzinnige jongenshanden, op mijn twaalfde verjaardag, de dag die, nu ik zijn memoires heb gelezen, voor altijd in mijn geheugen gegrift staat als een dag waarin ik een onuitwisbare schuld tegenover hem heb opgelopen.”( blz. 70)

Een paar maanden later begint de grootvader aan de memoires die de auteur Hertmans worden overhandigd in 1981, enkele maanden voor de dood van de grootvader. Pas dertig jaar later vormen ze de aanzet van een indringende familiegeschiedenis en een teder portret van de man.

Bij het einde komt de auteur-verteller, na fijzinnige analyse van diverse schilderijen – voortreffelijke kopieën van bekende meesters als Velázquez en Van Dijck – en na vergelijking van een paar zelfportretten van zijn grootvader met de kopie van de pseudo-Rembrandt of de man met de gouden helm, tot de volgende vaststelling:

“De waarheid van het leven verbergt zich vaak op plekken die men niet met authenticiteit verbindt. Het leven is subtieler in die dingen dan de moraal van mensen en hun rechtlijnigheden. Het leven werkt als deze kopiërende schilder, met schijn die waarheid zal verbeelden. Zo was deze paradox de constante van zijn leven: de militair die hij noodgedwongen was geweest en de kunstenaar die hij had willen zijn. Oorlog en terpentijn ” (blz. 332).

Dit boek is inderdaad een meesterwerk door de subtiele, emotioneel intelligente analyse van een familiegeschiedenis die naadloos aansluit bij een nationaal en internationaal verleden en daardoor voor menig lezer van Hertmans’ generatie herkenbaar is, zoals de passage waarin Urbain Martien een obushuls mee naar huis zeult. Onze grootmoeders hadden ze in huis:

Op onze definitieve terugtocht enkele weken later vind ik tussen alle denkbare puin, rommel en achtergelaten geschut, een ongeschonden obushuls in een sloot in de buurt van Merelbeke, het is een zwaar kaliber, 215 mm. Mijn kameraden lachen me uit omdat ik het zware ding naar huis wil zeulen. Zwetend bereik ik die middag mijn thuis en geef de koperen huls aan mijn moeder, die zegt dat ze er bloemen in zal planten. Dat heeft ze nooit gedaan; ik heb de huls later op de trapstijl van ons nieuwe huis gezet, en Gabrielle, die niet van poetsen hield, zei: Ge kunt zien dat ge dat koper zelf proper houdt, Urbain.

En waar het gaat om de Slag van Schiplaken (blz. 184) en de schrijvende schilder of schilderende schrijver zich in mijn onmiddellijke omgeving begeeft:

We liepen dieper het bos in (Schiplaken- en Steentjesbos?, BK). De avond viel, de schemer maakte het ons moeilijker om vooruit te komen. Kampenhout zouden we niet bereiken. Overal lagen een soort loden knikkers op de grond, sporen van kartetsen en brisantgranaten die erop wezen dat er in dit bos strijd geleverd was. Hier en daar viel een obus op minder dan honderd meter van ons. […] Ik zag hoe de gezichten van bij het zachte licht slapende soldaten koperkleurig leken, met een warme tint zoals je die op de schilderijen van Goya kunt zien; de beschaduwde kant van hun slapende gezichten leek zo donker als van negers. Ik pakte stil mijn tekenblok uit mijn rugtas en ik maakte enkele vluchtige schetsen, het kalmeerde mij een beetje. (blz. 181)

Maar ook de pijnlijke vaststelling van ‘No poppies at all in Flanders Fields’ of ‘No poppies anymore’ door de moderne landbouwmethodes. Klaprozen bloeiden weelderig op de door oorlog omgewoelde grond.

Met “Het is allemaal zo lang geleden, het is een eeuw geleden, ik loop hier met zijn genen in mijn lijf, eenzamer dan alleen en voor alles te laat.” (blz. 323) knoopt deze roman ook aan bij het thema van het KUNSTENFESTIVAL WATOU van dit jaar Over alleenigheid en ondraaglijke eenzaamheid.  Bovendien brengt geen ander boek in de Nederlandse literatuur je bij mijn weten dichter bij de naweeën van die oorlog en de betekenis van 11 juli voor Vlaanderen en België.

%d bloggers liken dit: