In stilte. Een filosofie van de afzondering – Jan-Hendrik Bakker

In de reeks non-fictieboeken die zich de voorbije maanden in mijn blikveld werkten, hoort dit boek tot degene die ik aanvankelijk terzijde legde want over ‘stilte’ bleek het niet echt te gaan. Het gaat  over wat ‘afzonderlingen’, heremieten ons kunnen leren over ons bestaan. En in die reeks zonderlingen bleken er wel een aantal te zitten waarover of waarvan ik al meer gelezen had maar die me toch niet op de wijze waarop Bakker ze voorstelt, bekend waren. Zijn filosofische benadering van de individuen die de gemeenschap verlaten, zich terugtrekken in wildernis, woestijn, zolderkamertje of boshut en daarmee zich als individu tegenover de maatschappij of de tijdsgeest afzetten is bijzonder. Hij noemt ze ‘gouddelvers’ van het ‘volle leven’.

Uitgangspunt van zijn essay is het hedendaagse individualisme.

Het hedendaagse individualisme heeft weinig meer te maken met de persoonlijke ervaring waar het existentialisme over sprak, het stelt vooral het individu centraal als consument. p.38 –

Hij stelt dat de grenzen van het liberale individualisme zijn bereikt omdat ‘mijn vrijheid niet langer de vrijheid van de ander tot grens heeft’ ecologisch zowel als economisch. Al is niet alleen het individu voor die overschrijdingen verantwoordelijk. In de acht hoofdstukken die op dit eerste volgen komen overwegingen over ascese, alleen in de natuur zijn, de autarkie volgens Henry Thoreau, de schoonheid van de esthetische rebel ( het dandyisme), de authenticiteit van Søren Kierkegaard, de creativiteit van Friedrich Nietzsche, de verbondenheid van Thomas Merton en de techniek van Ted Kaczynski voorbij.

In een laatste hoofdstuk krijgt de lezer dan de auteurs filosofische visie over het nut van de afzondering die paradoxaal genoeg de inspiratie- en krachtbron is van ‘worden die je bent’ en daarbij zeer zelden los staat van de verbondenheid met de maatschappij, de context, de gemeenschap waaruit de zonderling zich terugtrekt. En al worden de geschriften (de schriftjes, de dagboeken) van deze zonderlingen in dialoog met zichzelf vaak pas na hun dood openbaar, het zijn kleine goudklompjes voor een aan zichzelf voorbij levende en zelden ‘op zichzelf zijnde’ hedendaagse mens. Vandaar de twee motto’s die hij zijn werk meegeeft:

I want to live, I want to give
I've been a miner for a heart of gold.
Neil Young

Slechts een klein deel van ons leven leven we.
En de rest? Dat is slechts tijd.
Seneca

 

 

Advertenties