Theatermaker Milo Rau: ‘We moeten de mensen geven wat ze niet willen zien’

Wat gebeurt er met ontwikkelingssamenwerkers die hun geloof verliezen in het werk dat ze doen? Het is een vraag die Milo Rau in Compassie door Els Dottermans laat beantwoorden. De nieuwe artistiek directeur van NTGent begint het seizoen met een hoogst oncomfortabele voorstelling. ‘Na zes maanden zijn medewerkers van ngo’s vaak al cynisch, of zitten ze aan de drank.’

Nieuws is het al even niet meer: NTGent heeft vanaf september met de Zwitser Milo Rau officieel een nieuwe artistiek directeur. Na het debacle dat de kortstondige terugkeer van Johan Simons was, zit er daarmee weer iemand aan het Sint-Baafsplein die de ambitie heeft om het NTG de internationale uitstraling te geven waar elk theaterhuis van droomt. Zijn reputatie in Vlaanderen heeft hij gelukkig niet alleen te danken aan zijn idee om via een oproep in de krant een Syriëstrijder te scouten voor een rol. Dit voorjaar gooide hij ook al hoge ogen met La Reprise, een voorstelling over de moord op de homoseksuele moslim Ihsane Jarfi in Luik, die op luid applaus en lovende kritieken werd ontvangen.

In Nederland gaat in augustus tijdens het Theater Festival Boulevard Compassie in première, een voorstelling met als ondertitel De geschiedenis van het machinegeweer. Het stuk is minstens even politiek als het andere werk van Rau. Els Dottermans speelt hier een vrouw die in de jaren negentig voor een ngo werkte in Congo, en nu eerder gevoelloos lijkt als ze vluchtelingenkampen bezoekt aan de grenzen van Europa. Ook op de scène staat Olga Mouak, een Congolese actrice die ondertussen in Frankrijk woont, nadat ze in diezelfde jaren negentig was moeten vluchten. Compassie is een Nederlandse versie van een voorstelling die al veel opzien baarde in Duitsland, toen ze daar net na het begin van de vluchtelingencrisis in première ging.

Milo Rau: ‘In Duitsland was men heel enthousiast over het esthetische gedeelte van de voorstelling, niet in de laatste plaats over de geweldige actrice die de hoofdrol speelde, Ursina Lardi. Over de politieke boodschap van de voorstelling was dan weer veel meer beroering. De reacties veranderden ook naarmate de vluchtelingencrisis aanhield. Het stuk was oorspronkelijk bedoeld als een kritiek op de al bij al welwillende ontvangst die asielzoekers in Duitsland te beurt viel, terwijl niemand aandacht had en heeft voor wat wij in andere delen van de wereld zoals Centraal-Afrika uitrichten.’

U vindt dat hypocriet?

Milo Rau: Het is een vorm van limited humanism, dat zich beperkt tot wat er zich binnen de grenzen van Europa afspeelt. In de Duitse versie had de zwarte actrice op scène ook nog minder tekst dan ze nu heeft, en doet ze eigenlijk niet veel meer dan de techniek regelen. Door de machtsverhouding tussen haar en de blanke actrice op scène te brengen, wilden we die net bekritiseren – theater maken is iets anders dan een manifest schrijven. Maar nu hebben we haar meer tekst gegeven, zodat we een deel van de boze opmerkingen die we daar ook over kregen konden meenemen.

Is het een cynische voorstelling geworden over medewerkers van ngo’s en de ‘gutmenschen’ die dat meestal zijn? Het hoofdpersonage raakt nogal snel van haar idealen af.

Rau: Ik begrijp wat u bedoelt. Het heeft ook voor mij een hele tijd geduurd voor ik het personage begon te mogen. Maar uiteindelijk zegt ze veel dingen die ik zelf ook al heb gedacht. Het is niet zo dat ik de meest cynische opmerkingen die ik maar kon bedenken in haar mond heb gelegd.

U bent niet de eerste die kritiek geeft op ngo’s. Is dat eigenlijk nog wel nodig?

Rau: Er zit ook kritiek op de Verenigde Naties in, en het is in de eerste plaats gewoon allemaal waar. Voor The Congo Tribunal, een film over de grondstoffenoorlog die ik ter plekke heb gemaakt, was ik de afgelopen jaren zeer regelmatig in Congo. De soldaten die daar voor de VN zitten, zijn amper geïnteresseerd in de regio waar ze zijn gestationeerd. Ze spreken zelfs geen Frans. Over het Swahili hoeven we het niet eens te hebben. Ik hoorde verhalen over mensen die met die soldaten belden om hen te waarschuwen voor een aanval of een slachting door rebellen waarvan iedereen wist dat ze eraan zat te komen, maar de soldaten begrepen niet eens waarover het ging. In de tijd dat ik er kwam, waren er Pakistaanse soldaten. Die kwamen alleen naar Oost-Congo om vakantie te nemen. Thuis vochten ze al tegen de taliban, dus ze waren in Afrika echt niet van plan om risico’s te nemen waardoor ze misschien konden sterven.

‘Er is eigenlijk maar één mogelijkheid om werkelijk zinvol bezig te zijn. Dat is: je hele leven iets doen. Ik bedoel: hetzelfde doen. Je aan één zaak geven een leven lang’, laat u Els Dottermans in de voorstelling zeggen.

Rau: Dat is zo. Ook de medewerkers van ngo’s zitten meestal maar voor enkele maanden op dezelfde plaats. Het gaat ook even over jezuïeten in Compassie. Zij wonen en werken vaak voor dertig, veertig, soms wel vijftig jaar op dezelfde plaats. Dat is een veel betere manier om echt iets te veranderen.

Doen ngo’s en de VN in zulke gebieden meer kwaad dan goed?

Rau: Dat denk ik niet, maar met hetzelfde geld zouden ze veel meer kunnen doen. Ngo’s en grote instellingen als de VN zijn in de eerste plaats bezig met zichzelf in stand te houden. Ze lijden onder dezelfde bureaucratie. Alles wat ze doen, is erop gericht om zelf te overleven. Kunnen we hen dat kwalijk nemen? Bij NTGent is het niet anders, en u schrijft allicht ook reportages en interviews om ervoor te zorgen dat Knack blijft bestaan. Daarmee heb ik dus niet gezegd dat het slechte mensen zijn. Het zijn vaak jongeren die echt als idealisten voor een ngo beginnen te werken. Helaas zijn ze na zes maanden vaak al erg cynisch, of aan de drank.

In Compassie komt de suggestie voorbij om de ouders van Aylan, het jongetje dat verdronk op zijn vlucht naar Europa en op een Turks strand aanspoelde, tijdens de voorstelling op te bellen. Was dat een ernstig idee?

Rau: Ja, natuurlijk. We hebben uiteindelijk gekozen om het niet te doen, ook al omdat we die mensen moeilijk elke avond konden bellen en er al voldoende sterke, expliciete momenten zitten in Compassie.

Zou het opvoeren van die ouders geen vorm van exploitatie zijn van wat zij hebben meegemaakt?

Rau: Het zou net een kritiek zijn op de manier waarop wij zo veel mensen elke dag in ons leven exploiteren. Waarom kreeg Olga Mouak een rol? Els zegt het tijdens de voorstelling: in het begin van de jaren 2000 wilden we allemaal werklozen op het podium, daarna kwamen de gehandicapten en nu is het aan de vluchtelingen.

Trailer Compassie. De geschiedenis van het machinegeweer.

Els Dottermans speelt een versie van zichzelf. Het publiek kan makkelijk denken dat alles wat ze vertelt ook echt is gebeurd. Waarom maakt u gebruik van zo’n trucje?

Rau: Soms werk dat, hoewel ik even graag met fictieve personages werk. Lenin is zo’n stuk dat ik zelf heb geschreven, en dat ik met een klassiek ensemble van acteurs in kostuums heb opgevoerd. Nu hebben we de tekst inderdaad herschreven naar het leven van Els. Ze is echt verliefd geweest op Luc Perceval, zoals ze ook vertelt. Het is interessant om haar status als grote, bekende actrice in Vlaanderen te gebruiken in een verhaal als dat van Compassie.

Het zijn vaak jongeren die echt als idealisten voor een ngo beginnen te werken. Helaas zijn ze na zes maanden vaak al erg cynisch, of aan de drank

Als we uw tienpuntenmanifest voor het NTGent lezen, krijgen we de indruk dat u het liefst zonder acteurs zou werken. U ging op zoek naar IS-strijders om op de scène te brengen, terwijl die rollen ook evengoed kunnen worden gespeeld door acteurs.

Rau: Dat klopt niet. In Duitsland is er een discussie bezig tussen stadstheater met klassieke ensembles die vaak repertoirestukken spelen, en onafhankelijke groepen die vooral performances opvoeren waarbij alles echt moet zijn. Ik probeer die discussie net te ontstijgen, en met beide te werken. Dat is ook de reden waarom ik naar Gent ben gekomen: hier kan dat lukken, in Duitsland bestaat er nog een ijzeren, haast niet te breken traditie. En ik hou ook van de uitwisselingen tussen professionele acteurs en andere mensen waar ik nu mee samen zit. Dat is veel uitdagender dan jezelf in een van die twee formats vast te zetten. La Reprise (Raus meest recente productie, nvdr) gaat over acteren, dus daar had ik sowieso acteurs als Johan Leysen voor nodig. Maar ook zij krijgen van mij veel meer ruimte, acteurs kunnen ook schrijvers of regisseurs zijn. La Reprise heeft, bijvoorbeeld, verschillende eindes gekregen. Als zij daarmee op tour zijn, kiezen de acteurs zelf welk einde ze spelen. Staan ze voor een zaal vol conservatieve bourgeois, kiezen ze meestal voor het pedagogische, socialistische einde. En andersom. We moeten de mensen net geven wat ze niet willen zien. (lacht)

Zou een actrice als Els Dottermans de rol van verkrachte Congolese vrouw kunnen spelen, of ligt die rol te ver van wie ze is?

Rau: In principe zou dat perfect kunnen. In Lenin liet ik de rol van Lenin spelen door Ursina Lardi, een blonde vrouw. Als het goed is, ben je na vijf minuten totaal vergeten dat zij niet Lenin is.

Waarom nodigde u dan teruggekeerde IS-strijders uit voor de castings van Lam Gods? Daarmee suggereert u op z’n minst dat een volbloed acteur als Frank Focketyn die rol niet kan spelen.

Rau: Hij zou die rol kunnen spelen, maar dan zou ik wel iets essentieels van die voorstelling moeten laten vallen. Voor mijn Lam Gods-bewerking wil ik de werkwijze van de gebroeders Van Eyck volgen. Ze namen hun buren als model voor hun portretten van Jezus, Adam en Eva of de kruisvaarders. In deze voorstelling wil ik hetzelfde doen. Ik wil de samenleving portretteren door onze buren op het podium uit te nodigen. Daarbij horen de kruisvaarders van vandaag: jonge Belgen die echt je buren kunnen zijn, en naar het Midden-Oosten trokken voor hun geloof. (denkt na) Het zijn dit soort confrontaties tussen het alledaagse en het metafysische die mij interesseren. Daarom ben ik ook zo aangetrokken door het werk van Alain Platel of Michael Haneke, kunstenaars die telkens weer het dagelijkse en het sublieme naast elkaar plaatsen.

Uit Compassie spreekt opnieuw uw fascinatie voor Congo, een land dat ook centraal zal staan in toekomstige projecten. Hoe kijkt u naar de manier waarop ons land met zijn koloniale verleden omgaat?

Rau: Dat iemand als Leopold II hier nog een standbeeld heeft, is – hoe zal ik het zeggen – bijzonder. Hij was misschien wel de grootste crimineel uit de menselijke geschiedenis. In vergelijking met hem was Adolf Hitler een amateur. Ik bedoel: Leopold was wel zo professioneel om de genocide buiten Europa te laten plaatsvinden, en dus ver buiten ons blikveld. Tegelijk is het natuurlijk veel te makkelijk om die hele schuldvraag te reduceren tot het monster Leopold II. Hij maakte deel uit van een systeem van uitbuiting dat in wezen nog altijd bestaat. Ook al slagen we er goed in om onze medeverantwoordelijkheid hier weg te denken.

Wat bedoelt u daarmee?

Rau: Er zijn twee manieren om je eenvoudigweg af te wenden van Afrika. Een eerste manier is de ruimte: zolang de Afrikanen op hun continent blijven en niet naar Europa komen, hoeven we ons niets van hen aan te trekken. Een andere manier is de tijd. Je kunt inderdaad zeggen dat het niet jouw schuld is dat je voorouders Afrika hebben leeggeroofd en zo de basis gelegd hebben voor onze rijkdom. Dat klopt. Dat is niet onze schuld. Maar we zijn wel verantwoordelijk omdat onze rijkdom, ons hele samenlevingsmodel, gebouwd is op deze misdaad. Dat geldt ook voor het vluchtelingenvraagstuk. Wij kunnen niet zeggen: ‘Excuseer, maar u bent in Afrika geboren, u krijgt dus geen papieren en bent een illegaal.’ Dat is cynisch. We moeten hier rationeler naar kijken.

Hoezo ‘rationeler’?

Rau: Wij denken deze vragen niet tot het einde door. Ik heb onlangs een lang gesprek gehad met staatssecretaris voor Asiel en Migratie Theo Francken. Ik heb hem erop gewezen dat hij als het over Vlaanderen gaat soms argumenten aanhaalt die teruggaan op eeuwenoude geschiedenis, en dat hij bij andere thema’s zelfs de recente geschiedenis niet laat meetellen. Dat is niet rationeel. Francken is een verstandig man. Ik denk dat hij zelf wel weet dat hij, als hij over Afrika praat, niet het volledige verhaal in beeld brengt. Hij heeft me tijdens ons gesprek verteld dat het slachtofferverhaal voor hem niet klopt. Het probleem van Afrika is voor hem een probleem van overbevolking en corrupte elites. Dat klopt, natuurlijk, maar het is slechts een deel van het verhaal. Over factoren als klimaatverandering, economische uitbuiting en de uitwassen van het kapitalistische systeem heeft hij het niet, en het idee van universele mensenrechten is voor een politicus als Francken een links-liberaal idee dat hij niet deelt. Ik vind dat een irrationele, niet houdbare opstelling. In onze geglobaliseerde wereld zijn er nauwelijks grenzen voor handel, en zijn we dankzij het internet met alles en iedereen verbonden. Alleen voor mensen uit Afrika geldt een beperking. Ze mogen Europa niet in. Het is blijkbaar de enige oplossing die we hebben kunnen verzinnen. ( denkt na) Het interessante is dat iemand als Francken dat ook wel beseft. ‘Iemand moet het vuile werk doen’, vertelde hij mij. Dat verbindt hem met het personage dat Els Dottermans speelt in Compassie: ze schromen niet om hun cynisme onder woorden te brengen.

U bent een Zwitser. Hoe komt het dat u zo gefascineerd bent door ‘onze’ ex-kolonies?

Rau: ( lacht) Economisch is Zwitserland vandaag bijzonder nauw betrokken bij Centraal-Afrika. De mijnen van Katanga zijn bijvoorbeeld volledig in handen van een Zwitsers bedrijf (Glencore, nvdr). Het zijn de Zwitsers die de prijzen voor coltan, de grondstof die gebruikt wordt voor onder meer smartphones, hebben opgedreven. Daarnaast zal het ook wel te maken hebben met mijn algemene fascinatie voor geweld. In Centraal-Afrika is bepaald geen gebrek aan geweld. Trouwens, misschien was de vraag waarom ik zo gefascineerd ben door België wel een betere.

Dat was onze slotvraag. Waarom wil een internationaal gevierd kunstenaar in België komen werken? In de provinciestad Gent, nog wel?

Rau: Wat mij zo aantrekt aan België is toch in de eerste plaats het disfunctionele en artificiële van dit land. Het is een piepklein land, en toch zijn alle prangende kwesties van de wereld hier vertegenwoordigd: van nationalisme over migratie tot terreur. En dan is er nog het geweld. Ik heb de indruk dat je hier in elke achterkamer geconfronteerd kunt worden met de meest bizarre vormen van geweld die je je kunt voorstellen. Dat fascineert mij. Ik hou daar eigenlijk wel van. (lacht)

Milo Rau1977: geboren in Bern, Zwitsersland

- 2000: na studies sociologie en taal- en letterkunde wordt hij journalist voor de Neue Zürcher Zeitung2007: richt het theater- en filmproductiehuis International Institute of Political Murder op

- 2013: regisseert Breivik's statement, een voorstelling die het pleidooi van de Noorse, rechtsextremistische massamoordenaar Anders Breivik ensceneert

- 2015: zijn voorstelling Five Easy Pieces, gebaseerd op de affaire-Dutroux, wordt bekroond met een handvol internationale theaterprijzen

- 2017: wordt aangesteld als artistiek leider van het NTGent.

Met dank aan Peter Casteels en Jeroen de Preter
Uit Knack van 28/07/18

XY – Sandro Veronesi

In de roman XY, Prometheus, 2011 van Sandro Veronesi, vertaald door Rob Gerritsen worden op een wintermorgen drie inwoners van San Giuda, een fictief afgelegen bergdorp in Noord-Italië, geconfronteerd met elf zwaar verminkte lichamen, alle door verschillende oorzaken omgekomen, en alle op hetzelfde tijdstip. Niemand begrijpt wat er is gebeurd. De 42 inwoners van het dorp vallen ten prooi aan de toesnellende media. Van eenvoudige getuigen van een onbegrijpelijk kwaad worden zij de onvermoede hoofdfiguren van deze roman. En allen verliezen langzaam de greep op de werkelijkheid. Don Ermete, de plaatselijke pastoor, kan zijn parochianen niet in de steek laten maar kan de algehele ontreddering ook niet meer alleen de baas. Daarom roept hij de hulp in van de jonge psychiater Giovanna Gassion, die op de vlucht is voor een stukgelopen relatie, om deze verloren mensen te redden. Pastoor en psychoanalytica moeten zich schrap zetten om toegang te krijgen tot de woningen en de psyche van de eenvoudige bergbewoners, waar de waanzin ontkiemt.

Alles is fictie in XY : er vindt een ramp plaats die niet plaatsgevonden kán hebben in een dorpje dat niet bestaat, zelfs binnen de romanwereld niet. Veronesi speelt een kunstig spel met Wahrheit en Dichtung. – 8weekly.nl

 

Ondanks de onverklaarbare doden en de onderhuids aanwezige dreiging is XY geen thriller. Het zijn niet de gruwelijke gebeurtenissen die tellen, maar wel wat ze aanrichten bij de personages in de roman. En om daarachter te komen, graaft Veronesi diep in hun psyche. Nooit zwaarwichtig, nooit belerend, maar altijd met die frivole toets.

Tezelfdertijd houdt Veronesi zijn lezers een spiegel voor van wat de dagelijkse gruwel die uit hun televisieschermen stroomt met hen aanricht.

Achter X en Y, de twee basiselementen van XY, schuilt het hele leven: man en vrouw, dood en leven, ratio en geloof. Sandro Veronesi schudde ze tot een onvergetelijke cocktail. – Knack.be

 

Uitgeverij Prometheus heeft XY voorzien van een van de meest lelijke en absurde covers van de laatste jaren […].Op de voorflap prijkt nu een blonde jongedame met rode lippen, wier ogen door een haarlok aan het zicht worden onttrokken. Het is het soort cover waarmee vanuit een simplistische marketinglogica om het even welke roman op het grote publiek afgevuurd kan worden. Bovenaan staat: ‘Dé sensatie uit Italië’, en boven de titel en de auteursnaam prijkt een ovaal etiket met de aanprijzing ‘Van de auteur van Kalme chaos’. Dit merkwaardige en frustrerende, maar lezenswaardige boek had een betere behandeling verdiend, al was het maar om niet uit het oog te verliezen hoe vreemd en onbegrijpelijk de dingen zijn die erin verteld worden – voor de personages, voor de auteur, en dus ook voor de lezer. – de Reactor.org

 

 

Een Reynaertbewerking voor de 21ste eeuw – Jan Uyttendaele

In het kader van de ‘Vossenexpeditie in het land van Reynaert’, die tijdens deze vakantiemaanden in het Waasland wordt georganiseerd, publiceerde The Phoebus Foundation een nieuwe hertaling van Van den Vos Reynaerde in wat in de inleiding van het boek ‘het eenentwintigste-eeuws’ wordt genoemd (p. 17).

Deze hertaling richt zich duidelijk tot een breed publiek. In deze bespreking gaan we na of deze nieuwe bewerking geslaagd is in de opzet om het verhaal te actualiseren en het aantrekkelijk te maken voor het 21ste-eeuwse lezerspubliek en of daarbij de oorspronkelijke boodschap en de bedoeling van Willem voldoende worden gerespecteerd.

Vintage galg

De bewerkers hebben de inhoud van het originele verhaal in grote lijnen gevolgd. De popularisering en de actualisering van het verhaal blijken vooral uit een aantal toegevoegde details en uit de gehanteerde taal en stijl. De variëteit van het Nederlands die de bewerkers hanteren, is duidelijk de Vlaamse tussentaal, die hier met een ouderwetse benaming ‘schoon Vlaams’ wordt genoemd (p. 17, 50). Het gebruikte taalregister zou ik willen karakteriseren als informeel, striptekstachtig en ‘stand-upcomedians’.

Ik geef om te beginnen een aantal voorbeelden van de actualisering en laat de beoordeling daarvan aan de lezer over: de advocaat Grimbeert wordt ‘een volleerde Jef Vermassen’ genoemd (p. 23), Nobel bespreekt met zijn raadsheren ‘het stappenplan dat dient te worden geïmplementeerd’ (p. 31), Grimbeert vraagt Reynaert ‘er een sappige onelinertegenaan te gooien’ (p. 51), die daarop reageert met: ‘Zeg, dat is hier Temptation Islandniet, hé.’ (p. 51) Verder is er sprake van ‘een mals Deliveroo-pakket’ (p. 38), een ‘tweet van 140 tekens’, ‘CROOKED HILLARY’ (p. 54), een ‘vintage galg’ (p. 55) en ‘fake news’ (p.62). Op de vraag wie er achter de plannen voor een moordaanslag op de koning zit, antwoordt de koningin: ‘Wie zit daarachter!? Het zullen toch weer de Russen niet zijn!?’ (p. 58). Nobel zegt dat hij de schat niet zal kunnen vinden, want ‘de GPS is nog niet uitgevonden’ (p. 68). Verder blijkt dat ook ‘#metoo nog niet is uitgevonden’ (p. 82), waardoor het gedrag van de vrouwen in het verhaal verklaard moet worden. Dat zijn toch allemaal leuke zinspelingen, zult u misschien zeggen, maar ik vraag me wel af wie ze ze over enkele jaren nog zal begrijpen.

Tot zover de poging tot actualisering. Zoals gezegd: de lezer moet zelf oordelen of die geslaagd is of niet. Ik heb daar in ieder geval veel twijfels bij. Maar er zitten ook een aantal leuke woordspelingen in deze bewerking en die kan ik zelf wél appreciëren, omdat Willem in de oorspronkelijke tekst ook niet vies is van dubbele bodems. Er is bijvoorbeeld sprake van een ‘honinkrijk’ (sic) voor de beer (p.31). In de conversatie tussen de kater en de vos wordt er fijnzinnig gespeeld met uitdrukkingen als ‘de kat uit de boom kijken’ en ‘het is niet van de poes’ (p. 42). Reynaert heeft met Haersinde ‘gecaliforniceerd’ (p. 50) en hij heeft zijn neef ‘de das omgedaan’ (p. 65). Enz.

Stand-up comedy

Minder geslaagd in deze bewerking vind ik vooral de keuze voor de Vlaamse tussentaal. De aanspreekvormen zijn een ratjetoe van u, ge, gij en jullie door mekaar, zonder enige systematiek. (Terwijl Willem in zijn tekst zo’n subtiel spel speelt met die aanspreekvormen, zie daarover het artikel van Lulofs). De worst wordt eerst een ‘saucissette’ (p. 21) genoemd en daarna een ‘sossiske’ (p. 24). De gebiedende wijs krijgt geregeld de uitgang -t erbij. De gebruikte woordkeuze is soms onmiskenbaar Vlaams: de ‘boekskes’ (p. 50), ‘een kieken’ (p. 51), Pinksteren blijft ‘Sinksen’, met een verwijzing naar ‘de Sinksenfoor in Antwerpen’ en de vos heeft met de vrouw van Isengrin liggen ‘vossen’ (p. 21). Dit is duidelijk een Reynaertbewerking voor Vlaamse lezers, die soms ook doet denken aan een Vlaams stripverhaal à la Suske & Wiske, een indruk die nog wordt versterkt door de stripachtige tekeningen. Die tekeningen zorgen er ook voor dat deze uitgave er als een kinderboek uitziet, terwijl de hertalers er blijkens de inleiding alles aan gedaan hebben om het niet op een kinderverhaal te doen lijken.

Het wordt tijd om te besluiten. Deze grappige Reynaertbewerking houdt volgens mij ergens het midden tussen een Vlaams stripverhaal, een Vlaamse soapserie en een hedendaagse Vlaamse stand-up comedytekst met een korte houdbaarheidsdatum. Of hij voldoende recht doet aan de diepgang en de boodschap van de oorspronkelijke tekst is zeer de vraag. Maar dat zal u hopelijk niet beletten om deze bewerking te lezen en er veel plezier aan te beleven.

Katharina van Cauteren, Rik van Daele en Patrick Bernauw, Reynaert de Vos door Willem die Madocke maeckte. Met illustraties van Joris Snaet. Kanselarij Phoebus Foundation vzw, Antwerpen, 2018. Bestelinformatie.

Bron: Een Reynaertbewerking voor de 21ste eeuw | Neerlandistiek

 

Koning Filip 5 jaar op de troon

Nationale feestdag 2018

Toespraak van Z.M.Koning Filip

Dames en heren,

Met hun geweldige prestatie tijdens de Wereldbeker Voetbal hebben de Rode Duivels het hele land begeesterd. Met hen, en allemaal samen, hebben wij onvergetelijke ogenblikken beleefd. Dit is één van die momenten in het leven van een land, waarbij het onderliggende gevoel van trots en het gevoel erbij te horen naar boven komen. Maar ook: ons nationale elftal heeft prachtig gestalte gegeven aan onze wapenspreuk: Eendracht maakt macht. Samen staan we sterk, in onze verscheidenheid, wanneer we onze talenten bundelen en een gemeenschappelijk ideaal nastreven.

Natuurlijk is er het resultaat op zich. Maar wat het uitzonderlijke parcours van ons elftal ook zo mooi maakt, is de manier waarop. Met hun faire spel, met respect voor de tegenstander – en de wijze waarop iedere speler zijn talent ten dienste heeft gesteld van eenzelfde doel: de eer van ons land.

Ook in ons persoonlijke en in het maatschappelijke leven beoordelen we onze sterkte aan de hand van resultaten, maar evenzeer de manier waarop we die resultaten bereiken, gedreven door eenzelfde streven. Omdat we er samen voor gaan en daarbij onze individuele talenten en tekortkomingen met elkaar verzoenen. Om sterk te zijn, om te slagen – en uiteindelijk: om mezelf te kunnen zijn, moet ik kunnen rekenen op de sterkten van de anderen. En daardoor word ik me ook beter bewust van de mijne. Doordat ik mij met en voor mijn medemensen inzet.

In het zoeken naar wat ons verenigt putten we rijkdom uit onze verschillen. Onze zwakten kunnen we dan omzetten in kracht. Het streven naar eenheid ontkent de verschillen niet – maar integendeel, omarmt ze. Zó resultaat boeken, maakt het alleen nog mooier.

Dames en heren,

Wat we vandaag meemaken, is een fundamentele kentering in onze manier van denken. De 21ste eeuw wordt de eeuw van de burger. De eeuw van alle burgers die willen bijdragen tot het gemeenschappelijk goed, door zich in te zetten voor zingevende projecten. Door het zoeken naar zingeving krijgt het algemene belang werkelijk een menselijke dimensie. België is een diverse en levendige gemeenschap. Van ontelbare initiatieven in ons land is het doel niet alleen efficiëntie of het maken van winst, maar ook het scheppen van menselijke toegevoegde waarde. Het sociale ondernemerschap is daar een mooi voorbeeld van. De openbare en privésector, de profit en non profit, groeien steeds sterker naar elkaar toe.

Dit elan is een verrijking voor onze democratie. Het voedt ons engagement op alle niveaus, in onze onmiddellijke omgeving, maar ook bij ons optreden in de wereld. Wij zetten ons in voor betekenisvolle projecten in onze gemeenten, waar in oktober opnieuw verkiezingen plaatsvinden. En ons land draagt met een constructieve kracht bij tot de internationale orde, zoals in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties waar we vanaf januari volgend jaar zullen zetelen. Daar kunnen we de idealen die ons na aan het hart liggen – ontwikkeling en vrede – volop uitdragen.

Laten we die kracht, die ons zo eigen is, zoveel mogelijk zijn werk doen, waar en wanneer het maar kan. Dat is ook de weg die Koning Boudewijn, die 25 jaar geleden is overleden, ons heeft gewezen. Koning Boudewijn was een man van hoop. Hij haalde zijn kracht uit een diep geloof in de mens. Altijd bereid om te luisteren, altijd klaar om ieders sterke kanten tot hun recht te laten komen. Dat is voor ons een krachtige bron van inspiratie.

De Koningin en ik wensen u een mooie nationale feestdag toe. Leve België.

foto: Beau Monde

Koningin Mathilde droeg Natan ‘En rouge’ en een hoed van Fabienne Delvigne, kroonprinses Elisabeth een jurk van Maje.

Er werden ook ter gelegenheid van dit 5-jarig koningschap nieuwe officiële foto’s vrijgegeven:

Congrats, Red Devils! – Russia WK 2018

 

Troostemberghbos – Ina Stabergh

We maakten de voorbije week een groepswandeling van 3.7 km in ons mooie, glooiende Hageland en wel in het gehucht Gempe. Een plek met geschiedenis waar verleden en heden weer tot leven werden gebracht. We vertrokken aan de vijver en de bijbehorende watermolen en stapten dwars door het Troostembergbos met zijn prachtige oude beukendreven. Nadien was het aangenaam verpozen op het terras van de brasserie Gempemolen. Gedurende de wandeling ontdekten we, verscholen tussen het groene gebladerte, een gedicht van de eerste vrouwelijke stadsdichter van Vlaanderen namelijk Ina Stabergh. Zij was stadsdichter van Diest van 2006 tot 2008.

Troostemberghbos – Ina Stabergh

Wie deze plek, haar verleden en de wandeling virtueel wil verkennen, kan de volgende link aanklikken Gempemolenwandeling.

Taoïsme – De weg om niet te volgen – Patricia De Martelaere

Aansluitend bij de lectuur van de roman Het onverwachte antwoord herlas ik Patricia De Martelaeres Taoïsme. De weg om niet te volgen, Ambo, 2006 dat een introductie tot deze oosterse filosofie of waarnemingstechniek is. In deze inleiding tracht De Martelaere – aan de hand van fragmenten uit de belangrijkste teksten – de centrale vragen van Lao Zi en Zuang Zi filosofisch te doorgronden.

Wat moet een mens doen om echt ‘groot’ te zijn? Wat kenmerkt de echte leider? Hoe bereiken we onsterfelijkheid? Geluk? Hoe verhouden geest en lichaam zich? Welke weg (tao) leidt naar deugd en menslievendheid? Welke weg moeten wij volgen?  Of bestaan wij juist te meer wanneer wij de weg niet doelbewust volgen, maar ‘meegaan met de stroom’?

Patricia de Martelaere raakte geïnteresseerd in het taoïsme door Taijiquan te beoefenen – ‘de innerlijke gevechtskunst’. ‘In laatste instantie komt het erop neer, dat men niet langer iets doet,’ schrijft ze in haar boek, ‘Taoïsme’. Laat dat nu net een centrale gedachte zijn in de weg van tao.

Het mag vreemd lijken dat de taoïst, die immers zelf-loos of zonder ik heet te zijn, nog enig belang zou hechten aan de uitermate aardse categorie van ,,menselijk geluk”. Streven alle mensen immers niet hun persoonlijk geluk na, en is geluk niet onlosmakelijk verbonden met de gehechtheid aan het eigen ik? Het valt te verwachten dat de Wijze zo zijn eigen visie op ,,geluk” zal hebben, die wezenlijk verschilt – en toch ook weer niet – van die van gewone mensen. Wat de mensheid nastreeft als begerenswaardig blijkt, ondanks kleine individuele verschillen, zeer gelijklopend te zijn: iedereen wil rijkdom, roem, een lang leven en veel genietingen.

De ellende is echter dat deze dingen doorgaans krampachtig worden achternagezeten door wie ze niet bezit, en al even krampachtig worden bewaakt door wie ze wel bezit – zodat het lichaam in beide gevallen meer schade moet lijden dan het kan genieten. De Wijze behoudt zich dan ook het recht voor te betwijfelen of het geluk dat stervelingen op die manier najagen of bereikt hebben wel echt geluk is.

In ieder geval stelt hij er zijn eigen geluk tegenover, dat de dualiteit tussen geluk en ongeluk overstijgt (,,Zij zeggen dat ze gelukkig zijn, maar ik ben niet gelukkig en ook niet ongelukkig.”) […] Volmaakt geluk blijkt dus samen te vallen met de wortel van het leven zelf, en niet met een specifieke toestand die in het leven zou moeten worden bereikt.

Volmaakt geluk is, met andere woorden, geen geluk. Het zou dan ook verkeerd zijn om te veronderstellen – al is de neiging daartoe groot – dat de taoïst de toestanden die door de gewone mens als ,,geluk” worden bestempeld per definitie zou moeten afwijzen. Verwerpen is immers, in extremis, niet verschillend van nastreven – zoals blijkt uit de anekdotische ontmoeting tussen een wijze en een stadswacht.

De wachter, die eerbied wil tonen voor de wijze, wenst hem achtereenvolgens een lang leven, grote rijkdom en veel zonen toe, waarop de wijze telkens verontwaardigd uitroept: ,,Nooit!” De wachter vraagt hem waarom hij uitgerekend de dingen die iedereen nastreeft afwijst. De wijze antwoordt: ,,Veel zonen brengen veel zorgen, rijkdom werkt bezwarend, een lang leven leidt tot veel problemen. Geen van de drie brengt een grotere Te teweeg, daarom verwerp ik ze.” Maar kennelijk is de wachter hier zelf wijzer dan de wijze,want hij concludeert: ,,Ik dacht dat je een wijze was, maar nu zie ik dat je niet meer dan een edelman bent.”

Het bewust nastreven van Te [ ‘supreme kracht’ – red. ] is immers een teken dat de Tao werd verlaten, en de ware Wijze kan zich natuurlijk net zo goed gerust en tevreden voelen mét veel zonen en rijkdommen als zonder. Mocht zijn geluk afhankelijk zijn van het niet-hebben van bepaalde dingen, dan zou het uiteindelijk even voorwaardelijk en onvolmaakt zijn als het geluk van het bezitten ervan. ,,Als het verlies van wat je gelukkig maakt de oorzaak wordt van ongeluk, dan is het duidelijk dat dergelijk geluk waardeloos is.”

Wanneer elders in de Zhuangzi desalniettemin vaak sprake is van wijzen die alle aardse goederen afzweren, dan lijkt mij dat andermaal te moeten worden begrepen als een reactie op de vanzelfsprekendheid van wereldse waarden. De taoïst wil duidelijk maken dat het voor hem op de eerste plaats gaat om een innerlijke houding, al beseft hij maar al te goed dat innerlijk en uiterlijk, net zoals dit en dat, of groot en klein, omwisselbare begrippen zijn in een universum waarin alles één is, zoals hij ook beseft dat ware wijsheid net zo goed op het ,,uiterlijke” als op het ,,innerlijke” moet steunen. Zo lezen we bijvoorbeeld: ,,Wie zijn lichaam wil voeden, moet zich eerst en vooral tot de dingen wenden. En toch is het mogelijk dat men meer dan genoeg dingen heeft en het lichaam nog steeds niet is gevoed.” Een paar bladzijden verder krijgen we het verhaal te horen van de ascetische kluizenaar die zich al zeventig jaar op voortreffelijke wijze met zijn innerlijke groei bezighield en toen domweg door een tijger werd opgegeten.

De moraal van het verhaal luidt dat de ,,bewaker van het leven” er als een goede herder op let dat zijn kudde bijeen blijft, en dat de schapen noch naar buiten toe noch naar binnen toe te ver afdwalen. Nog verderop in hetzelfde hoofdstuk wordt deze toestand in verband gebracht met een diepe ,,tevredenheid” en onverstoorbaarheid van het hart-bewustzijn: ,,Niets verandert binnenin, niets wordt van buitenaf teweeggebracht voor wie alles wat gebeurt op tevredenheid onthaalt.” Ook hier weer moet ,,tevredenheid” – net zoals ,,geluk” – niet worden begrepen als een psychisch-emotionele respons (een ,,gevoel”), maar als een energetische toestand die men als het ware ,,installeert” en dan vergeet. ,,Door te beginnen met tevreden te zijn, en niets verstorends meer te ondergaan, wordt het mogelijk de tevredenheid te leren kennen van het vergeten wat tevredenheid is.”

Zowel geluk als tevredenheid – en ook, zoals we zullen zien, ,,harmonie” – blijkt dus te maken te hebben met iets wat niet verandert en daardoor van geen enkele externe of interne conditie meer afhankelijk is. Maar wat is het dan dat niet verandert? In de buitenwereld volgen de seizoenen elkaar op, in de ,,binnenwereld” zijn het de gevoelens en gedachten die elkaar opvolgen. Niets van wat bestaat is blijvend. Alles is veranderlijk en vergankelijk. Tenzij dan: de as zelf van deze veranderingen, de Hemelse Tao van een absolute oorsprong, die tegelijk samenvalt met alles wat bestaat en toch nergens lokaliseerbaar is. Wie erin slaagt dit tot zijn ,,centrum” te maken – of liever: als zijn onvervreemdbaar centrum te herkennen -, wordt niet alleen ,,gelukkig” op de eerder beschreven onconditionele manier, maar krijgt kennelijk ook een haast bovennatuurlijke vaardigheid in het uitvoeren van dagelijkse menselijke activiteiten.

Opvallend hierbij is niet alleen de moeiteloosheid en de vanzelfsprekendheid waarmee deze virtuoze ambachtslui te werk gaan, maar ook het feit dat hun voorafgaande oefening niet bepaald de vorm aannam van wat men een doelmatige vakopleiding zou kunnen noemen. Dat blijkt het duidelijkst uit de repliek van houtsnijder Qing, wiens klokkenstandaards worden bewonderd ,,omdat ze wel door een geest vervaardigd lijken te zijn”, en wie gevraagd wordt wat het geheim is van zijn kunst. De brave man antwoordt dat hier geen sprake is van ,,kunst” en dat hij maar een gewone houtsnijder is.

Maar met zijn verdere uitleg verraadt hij dat hij in feite niets minder is dan een volgeling van de Tao: ,,Ik sta niet toe dat mijn oorspronkelijke adem ( qi ) uitgeput raakt en zorg dat mijn hart tot bedaren komt. Na drie dagen vasten denk ik niet meer aan roem, beloning, titels of inkomsten. Na vijf dagen vasten denk ik niet meer aan eer of oneer, aan kunde of onkunde. Na zeven dagen vasten ben ik zo stil dat ik vergeet dat ik ledematen en een lichaam heb. Al mijn energie is gebundeld en iedere externe bekommernis is verdwenen. Daarna trek ik het bos in en onderzoek de Hemelse aangeboren natuur van bomen; als ik er een vind met een volmaakte vorm, zie ik met zekerheid de mogelijkheid van een klokkenstandaard en zet ik mijn hand aan het werk; als ik de mogelijkheid niet zie, laat ik het zo. Op die manier harmoniseer ik het Hemelse met de Hemel, en dat is misschien de reden waarom men denkt dat mijn houtsnijwerk verricht werd door geesten.”

Deze beschrijving doet ons uiteraard denken aan de getuigenissen van beeldhouwers als – onder vele anderen – Michelangelo en Branscusi, die te kennen gaven dat hun kunstwerk in zekere zin al aanwezig was in het marmerblok dat ze uitkozen, en dat ze het er ,,alleen maar” uit moesten bevrijden. En inderdaad, of houtsnijder Qing zich nu als een kunstenaar beschouwt of niet, het blijft een feit dat het principe van de ,,Tao” onlosmakelijk verbonden is met kunst, kunde en creativiteit in ruime zin. Onder kunst wordt hier evenwel geen elitaire, op zich staande culturele prestatie verstaan, zoals veelal in het hedendaagse Westen het geval is, maar iedere willekeurige activiteit zodra die op een bepaald niveau en vanuit een bepaalde houding wordt uitgeoefend. Zo is er bijvoorbeeld ook de kunst van het boogschieten, het zwemmen, het krekelvangen of zelfs het stelen. Niet iedere voortreffelijke beoefening van deze activiteiten situeert zich echter op het niveau van ,,kunst”; soms beperkt ze zich tot louter technisch meesterschap, zonder het mysterieuze ,,extra” dat kennelijk met de Tao te maken heeft.

Dit louter technische meesterschap kan overigens op zich behoorlijk indrukwekkend zijn, zoals moge blijken uit het voorbeeld van boogschutter Lie Yu Kou, die pijl na pijl afschiet met een glas water op zijn elleboog, en daarbij onbeweeglijk blijft als een standbeeld. Een wijze die hem klaarblijkelijk doorziet daagt hem uit om hetzelfde kunstje op te voeren hoog in de bergen, aan de rand van een ravijn, met zijn hielen over de afgrond – waarop Lie Yu Kou onmachtig wordt van angst. Commentaar van de wijze: ,,Je beheerst het boogschieten van een boogschutter, maar niet het niet-boogschieten van een boogschutter.”

Toch kan bezwaarlijk worden ontkend dat Lie Yu Kou een indrukwekkend niveau van boogschieten heeft bereikt, zelfs al kan hij dat niet handhaven in alle omstandigheden – heeft hij dan helemaal geen tao verworven?

Een mogelijk antwoord kan wellicht gevonden worden in het onderscheid, dat in de gehele Zhuangzi wordt aangehouden, tussen de Hemelse Tao en de Tao van de mensen. Tao’s op menselijk niveau zijn er vele – een ,,tao” was en is in het Chinese denken immers niet meteen een ondoorgrondelijk filosofisch principe, maar op de eerste plaats een doodgewone ,,weg”, een concrete manier om een specifieke praktijk aan te vatten en te leren beheersen. De tao van het boogschieten is, in die zin, een geheel andere tao dan die van het zwemmen: het gaat in beide gevallen om totaal verschillende principes, verschillende lichaamshoudingen en verschillende doelstellingen. Iemand kan álles weten over de tao van het boogschieten en terstond verdrinken wanneer hij in het water terechtkomt. De Tao van de Hemel daarentegen is één en onverdeeld, staat geheel los van alle doelstellingen en bestaat in het beoefenen van het niet-doen.

Als zodanig zou hij het tegendeel kunnen lijken van menselijke tao’s, maar dat is hij in feite niet – integendeel: hij is er de kern van. Iemand die zijn handelen vanuit deze ,,kern” zou kunnen laten vertrekken, bereikt hierdoor niet alleen in zijn eigen discipline met gemak een veel hoger niveau dan vanuit de menselijke periferie, hij leert tegelijk ook het principe kennen van iedere activiteit – hij leert als het ware een ,,meta”-tao, de Tao van het aanleren van tao’s, het geheim om snel en moeiteloos succesvol te worden in alles.

Dit geheim zouden we natuurlijk allemaal heel graag willen kennen, maar helaas, er staat een grote prijs op: niets minder dan de dood van ons eigen ik. Maar dit is anderzijds tegelijk ook volmaakt ,,geluk”: het niet-boogschieten van de boogschutter, het niet-zwemmen van de zwemmer, waardoor weerstand en bewuste planning plaats maken voor het ,,vanzelf op hun plaats vallen” van de dingen.

,,Volmaakt geluk is het op de juiste tijd komen van drijfveren” – en de juiste tijd (bijvoorbeeld waarop een pijl wordt losgelaten uit de boog) wordt niet bepaald door denken, voelen of willen (de drie grote ego-instanties), maar door het natuurlijk verloop van de qi. Geluk is niet verschillend van kunst of vaardigheid – het is de meest fundamentele van alle vaardigheden: de kunst om in leven te blijven, die echter onlosmakelijk verbonden is met de kunst om ,,dood” te zijn.

Met dank aan De Standaard voor deze recensie.

 

%d bloggers liken dit: