Nu het leven nieuw wordt om ons heen …

Claude Monet – Le jardin japonais à Giverny
Wenn ich ein Kind sehe, das einen Hund mit überwältigtet Freude wahrnimmt, dann befrage ich das Leben nicht mehr. Ich tauche ein ins Staunen. Ich höre das Singen des Kindes, ich sehe am klaren Frühlingshimmel einen Zug Kraniche nach Norden fliegen; all das gehört zur Askese im Sinne des Ich-los-Werdens. Die Dinge selber haben einen Gesang und eine Sprache, sie weisen über sich hinaus und loben Gott in seinen versteckten Namen. Das ichlos gewordene Ich sieht im Staunen, dass im Leben ein Stück Güte liegt. Schönheit heilt und Schönheit macht fromm. Und um sie wahrzunehmen, muss ich das Ego fortschicken, muss ich mit Claude Monets Augen zu sehen lernen.

Als ik een kind zie dat met opperste vreugde naar een hond kijkt, dan stel ik geen vragen meer aan het leven. Ik dompel me onder in het verwonderen. Ik hoor het zingen van het kind, ik zie aan de heldere hemel een vlucht kraanvogels naar het noorden vliegen. De dingen zelf hebben een gezang en een taal, ze wijzen boven zichzelf uit en loven God in zijn verborgen namen. Het ik-loos geworden ik ziet in het verwonderen, dat in het leven veel goedheid besloten ligt. Schoonheid heelt en schoonheid maakt vroom. En om ze te kunnen zien moet ik het ego wegzenden, moet ik met Claude Monets ogen leren kijken.

uit: Dorothee Sölle: Mystik und Widerstand, Kreuz Verlag, 2014

Van alle dingen waarover het geloof of de geloofsbelijdenis spreekt, is voor mij de gemeenschap van de heiligen het belangrijkst. Dat betekent niet dat ik die altijd zie. Dat geldt evenzeer voor andere zaken uit de geloofsbelijdenis. Die zijn niet zomaar aanwezig, ik heb geloof nodig om ze te zien.

Het is een centrale ervaring om met elkaar te leren bidden omdat je ergens voor hebt leren strijden. Ik kan niet beloven dat het gauw beter gaat met de aarde of dat de honger ophoudt. Juist daarom heb ik broeders en zusters nodig, heb ik troost in de nederlagen nodig.

Ik heb ook de traditie nodig omdat die mij verhalen vertelt over bevrijding, omdat het van belang is dat je je kunt beroepen op zoiets als dat al eens een verlamde is gaan dansen, of dat al eens een volk uit de verschrikkelijke consumptie -terreur van Egypte is weggetrokken, dit Egypte achter zich heeft gelaten. Ik herinner mezelf aan dat wat er was voor mijn, voor onze toekomst. Ik heb de hoop (cursief, BK) nodig die groeit uit deze vorm van herinnering. Er is al eens iemand uit de doden opgestaan.

uit: Dorothee Sölle: Wie zich niet weert: gesprekken en toespraken, ten Have/Baarn, 1981

Maria is een sympathisante

Het korte essay in het naar het Nederlands vertaalde werk Sympathie van de luthers-protestantse theologe Dorothee Sölle vangt als volgt aan: Maria – het eerste beeld, dat ik voor me zie is de gipsfiguur, in de grot van Lourdes; neergeslagen ogen, het lichaam omhuld zodat het niet meer herkenbaar is: ontsexualisering plus deemoed, het vrouwelijke ideaal. Een symbool dat geschapen is om de onderdrukten te leren zichzelf te onderdrukken, de onzekeren te leren zelfcensuur toe te passen, de dubbel uitgebuiten te leren zichzelf uit te buiten. blz. 48

Ze vervolgt met een schets van het Mariabeeld waarin ze argumenteert op basis van Bijbelse en andere teksten dat deze alles behalve een ‘gipsfiguur’ was. ‘Was het deze Maria, die aan het boerenmeisje Jeanne d’Arc verscheen en haar het mannelijkste toevertrouwde, dat mannen bezitten, het zwaard? Is onderwerping werkelijk het thema van het lied waarmee Maria in de bijbel haar zwangerschap bezingt? (Magnificat, BK)

Ze herinnert eraan dat de ontmenselijking van het beeld een erfenis is die in de kunstgeschiedenis begint in de renaissance en haar hoogtepunt vindt in de 19de eeuwse burgerlijke maatschappij. De middeleeuwse Maria werd ‘zinnelijker en vrolijker uitgebeeld ‘. Als de Maria uit de legenden en de volksverhalen een neiging tot moraalloze figuren heeft (cfr. Beatrijslegende, een kloosterlinge die ‘valt’ en voor wie Maria plaatsvervangend optreedt, BK) is ze onder klerikale invloed tot in de late Middeleeuwen niet meer geliefd in de liturgie en de literatuur. Sölle stelt dat de Mariafiguur dubbelzinnig is, dat ze ‘fungeert ten dienste van een religieus verheerlijkte onderworpenheid, maar ook ten dienste van troost, bescherming en het redden van slachtoffers. Maria is submissief, onderworpen. Maar ze is ook subversief, in de betekenis waarin de politie in Zuid-Amerika (cfr. de Zuid-Amerikaanse dictaturen van die dagen, BK) dat woord gebruikt. Ze ondergraaft de macht van heersers. […] Maria is een sympathisante. De kleine madonna, die eens het lied van de bevrijding zong, is niet van gips en plastic. Ze is zeer levend. Levend in de geschiedenis van alle onderdrukten, levend in de geschiedenis van de vrouwen.’ En in datzelfde essay lezen we:

‘Daarmee kom ik uit bij een nieuw en veel beter beeld van het meisje Maria: brutaal als Johanna van Orleans, die een aartsbisschop midden in het gezicht durfde te zeggen, dat wat hij zojuist gezegd had ‘zelfs voor hem een ongewoon domme opmerking’ was. In dit licht is Maria niet meer alleen de getemde vrouw, maar ook de rebelse meid. In haar verenigen zich strijdbaarheid en barmhartigheid en worden tot een beeld van hoop voor hen, die men het leven ontstolen heeft. Maar tegelijkertijd was ze ook altijd een repressief voorbeeld, dat bewust ingezet werd om de vrouwen deemoedig en klein te houden. Daarom is men in katholieke kringen snel geneigd een zo dubbelzinnige figuur op te geven en te vergeten. Ik sta echter persoonlijk zeer sceptisch tegen ieder soort wegwerpmaatschappij. Ik vertrouw een zogenaamd bestaan zonder beelden en mythen niet. Het is gebleken, dat waar de oude beelden afgeschaft werden, er nieuwe voor in de plaats komen, die in geen enkel opzicht vrijzinniger zijn: waar vroeger de onbevlekte Madonna in de nis stond, neemt nu mevrouw ‘Schoon en Netjes’ haar plaats in – en deze beide ideologieën dwingen beide vrouwen een rol op, die hen verzwakt en verminkt. Ik ben – evenals veel Christenen in bevrijdingsbewegingen niet bereid Maria aan anderen af te staan. Ik vind de raad, dat we Maria en de religie maar zo snel mogelijk moeten vergeten, te voorbarig en te simpel. Ook de bevrijdingsbewegingen van vandaag hebben beschermelingen en voorbeelden nodig, ook zij hebben wortels in de geschiedenis van node. Als we de Madonna van Lourdes zomaar afschaffen, is daarmee nog niets gebeurd.

Ik vind het moeilijk aan te nemen, dat de miljoenen vrouwen voor mij, die van Maria hebben gehouden, alleen maar blind en bedrogen zouden geweest zijn. Er moet ook verzet geleefd hebben. Verzet, waarvan wij kunnen leren.’

uit: Dorothee Sölle: Sympathie. Theologisch-politische Traktate. Kreuz, Stuttgart 1978 – Dorothee Sölle: Sympathie. Gedachten over geloof en politiek. ten Have/Baarn, 1979

Op 27 april 2003 is Dorothee Sölle overleden in een ziekenhuis in het Zuid-Duitse Göppingen aan de gevolgen van een hartinfarct. Halverwege de jaren negentig was reeds kanker bij haar vastgesteld. Sölle stierf ‘in het harnas’, vlak nadat ze op haar eigen indringende manier nog een volle zaal had toegesproken. Ze werd drieënzeventig jaar.

Dorothee Steffensky-Sölle, geboren Nipperdey (geboren 30 september 1929 in Keulen, † 27 april 2003 in Göppingen) was een Duitse protestantse theologe en dichter. In de academische wereld werd haar erkenning ontzegd. Ze was wereldwijd bekend als theologische schrijver en spreker. Sölle was een van de meest prominente vertegenwoordigers van ‘een ander protestantisme’. Ze bekritiseerde de Almachtsidee over God en probeerde in haar geschriften dagelijkse levenservaringen – vooral lijden, armoede, achterstand en onderdrukking – te koppelen aan theologische inhoud. Ze was politiek betrokken bij de vredes-, vrouwen- en milieubewegingen.

Een Franse Marialegende vertelt over een jongleur die zijn onrustige leven opgeeft en naar het klooster gaat. Maar het leven van de monniken blijft hem vreemd, hij weet noch te bidden, noch te zingen. Hij betreurt zijn lijden bij de Maagd Maria en zij vraagt hem om God te dienen met wat hij kan doen: dansen en springen! Vanaf dat moment miste hij alle koorgebeden om tijdens deze periode te dansen. 
Hij wordt echter bij de abt geroepen en gelooft dat hij zal weggestuurd worden, maar de abt zegt alleen:“In je dans eerde je God met lichaam en ziel. Maar moge hij ons alle goedkope woorden vergeven die over onze lippen komen zonder dat ze door ons hart zijn gegaan'

uit: Mystik und  Widerstand - Mit einer Einleitung von Fulbert Steffensky, Kreuz Verlag, 2014

Kleine biografie van Dorothee Sölle: Een profetische vrouw – Monique Wolf

%d bloggers liken dit: