Uit mijn coronabubbel …

Het blijft een uitdaging om de coronamaatregelen, – voorschriften nauwgezet op te volgen. Hoe en wanneer kom ik uit mijn bubbel ? Hoe combineer ik gezond eten, voldoende bewegen, mezelf en anderen beschutten tegen besmetting, geïnformeerd blijven over voortschrijdend inzicht met betrekking tot het virus, … ? Hoe blijf ik in contact met de bubbels van de kinderen en van kennissen, buren en vrienden ? Kortom, hoe vervreemd ik niet van de realiteit dat leren leven in ongewisheid, geduld oefenen en vertrouwen bewaren in elke crisissituatie de beste mentale houding is.

Wandelen brengt mij telkens weer in die mentale staat van rust en eenheid met het leven dat zich voortdurend hernieuwt. Ik ben dan wat ik doe: onderweg zijn met al mijn zinnen: zien, horen, ruiken, voelen, … . De natuur, in deze tijd van het jaar, wordt een krachtige metafoor voor de drijfkracht van het leven en dat in scherp contrast met wat (ogenschijnlijk) verloren gaat, sterft. Weg van mezelf, met mijn aandacht bij wat leeft en leven geeft, helemaal opgenomen in het begenadigde ogenblik en als nieuw nadien.

Bron: Boektwandeling – Zemst (Elewijt) – Wandelroute

Google Doodle viert 50 jaar Earth Day met een interactief spel

Op 22 april 1970 werd een nieuwe traditie gevormd met de eerste viering van de Dag van de Aarde in de Verenigde Staten, een feestdag gewijd aan het behoud van onze planeet en het omkeren van klimaatverandering. In de vijftig jaar die volgden is de Dag van de Aarde een internationale traditie geworden, waardoor de wereld samen komt om haar deel te doen in het behoud van de natuur.

Om de vijftigste verjaardag van Earth Day te vieren, heeft Google samengewerkt met The Honeybee Conservancy  om een spel (Earth Day Google Doodle) over de bescheiden honingbij te ontwikkelen.

Gebruik uw muis of touchscreen om een bij tussen bloemen van verschillende kleuren te bewegen, zodat ze het gepaste stuifmeel daar brengt  waar het moet gaan. Tussen de niveaus door word je getrakteerd op nuttige feiten over het doel van de honingbijen en de ongelooflijke impact die ze hebben op de aarde.

Een leuke en interessante vorm van bewustmaking.

Het coronagedicht ‘Hier’ van Sandro Veronesi – De Tijd

De Italiaanse auteur Sandro Veronesi van o.a.de romans Kalme Chaos,2005 en XY,2010, schreef het gedicht enkele weken geleden om zijn gevoelens te uiten in deze bijzondere coronatijden. Het verscheen eerder in de Italiaanse krant Corriere della Sera, de schrijver bood De Tijd aan het vertaald te publiceren. 
Hier


Er is een plaats op de wereld waar de wereld de wereld niet meer is en die plaats is hier.

In ons huis, voor wie een huis heeft,
is de wereld de wereld niet meer.
In de spartaanse kamertjes waar de ouden sterven
honderd keer per dag,
en dan nog honderd keer,
en dan nog eens honderd keer,
is de wereld de wereld niet meer
- en zijn het onze al dode ouders         
die opnieuw sterven
allemaal samen, alle ogenblikken,
telkens weer en telkens weer,
sterven ze opnieuw,
berustend, in stilte, op hun buik,
omdat we ze niet kunnen beschermen,
ook al konden we dat tot de dag van gisteren,
toen de wereld nog de wereld was,
toen ze voor het eerst stierven,
nog wel, en deden we dat ook,
we schoten er slaap bij in en spaarden het brood uit onze mond,
maar we waren blij dat we hen konden beschermen;
er is die vervloekte plaats in de wereld
waar onze ouden sterven
en wij geen blijf weten met hun lichamen,
niet weten waar ze te stapelen, te verbranden, te begraven,
en die plaats is hier.

In de overvolle ziekenhuizen, in de lege kerken,
op de verlaten pleinen, in de met een ketting afgesloten parken,
in de gesloten winkels, in de bestormde supermarkten,
in de ordelijke rijen en in de wanordelijke rijen
in de overbevolkte gevangenissen
waar niemand nog het pak spaghetti, sigaretten, koffie kan krijgen
om te delen met celgenoten
die zelfs dat niet hebben;
in scholen zonder herrie
op voetbalvelden zonder bal
op autowegen zonder auto’s
in luchthavens zonder reizigers
in biechtstoelen zonder zondaars
en in het blauwige beeld van paus Franciscus
die heel alleen de vespers bidt
onder een maartse regenbui
- op dat Sint-Pietersplein zonder gelovigen
is de wereld de wereld niet meer.

In de kwelling in de stem van Bob Dylan
die na acht jaar weer opduikt
en zeventien minuten lang,
de dood van een vader bezingt die we niet konden beschermen
en allemaal huilen we om die stem
maar die stem is die stem niet meer
en die kwelling is die kwelling niet meer
en die vader is die vader niet meer
omdat de wereld de wereld niet meer is.

In die klotegetallen die op ons worden afgevuurd
om zes uur ’s avonds, elke dag opnieuw,
eerst zij die genezen zijn, om een signaal van hoop te geven,
dan de zieken, en uiteindelijk, jammerlijk, de doden,
de doden zijn met duizend
duizend doden
op een enkele dag
het zijn er duizend;
in de vergelijking met in oorlog zijn,
we zijn in oorlog, het is een oorlog, oorlogsbulletin,
maar we zijn helemaal niet in oorlog,
omdat niemand ons vraagt te vechten
of onze kinderen aan het vaderland te schenken,
maar alleen maar om ons in huis op te sluiten,
om afstand te bewaren, gescheiden te blijven,
anderen te vrezen
anderen te wantrouwen;
in het bevel geen mondmasker te dragen
dan om er wel een te dragen, maar niet dat ene,
dat andere
dat ene moeten we aan dokters en verpleegsters laten,
alsof we het van hun gezicht hadden gerukt,
terwijl we het in de apotheek kochten
toen ze ons nog vertelden dat het nutteloos was,
maar zij die dat zegden, droegen er een;
in de impliciete en soms zelfs expliciete beschuldiging,
dat wij de schuldigen van dit alles zijn
omdat we er niet in slagen doodeenvoudige dingen te doen
geen luchtje scheppen buiten
de mensen die we liefhebben niet aanraken
onze geliefden niet bezoeken
geen zorg voor hen dragen,
niet lopen, niet wandelen, niet zonnen,
en we worden beschuldigd, gehekeld, getraceerd,
met drones, met onze simkaarten,
en te kijk gezet, gestraft
zoals de soldaten bij Caporetto
eerst als beesten opgejaagd,
dan als criminelen neergemaaid,
omdat ze wegvluchtten van de fouten van hun generaals.

Er is een plaats in de wereld waar dit gebeurt
en waar kinderen niet meer fragiel zijn, niet ziek worden,
en asymptomatisch zijn,
en net daarom gevaarlijk,
en op die plaats is de wereld de wereld niet meer,
en die plaats is hier.

Sandro Veronesi

From nowhere to nowhere …

De Ier Michael McGlynn schreef deze muziek voor saxofonist Gerard McChrystal. Ik hoorde het nummer tijdens Katleen Van Bavel’s Klaraprogramma ‘Walden’. Slow radio op de traagste dag van de week, geïnspireerd op het legendarische boek van stiltezoeker Henry Thoreau (1854). Een oase van rust en schoonheid in woord en muziek van de middeleeuwen tot nu, zo stelt het programma zichzelf voor.

Deze Michael McGlynn compositie ontging, om vele redenen, mijn aandacht niet. Ook de vertolking door de saxofonist Gerard McChrystal is bijzonder. Klassieke stemmingsmuziek in onwezenlijke coronatijden.

Ostfriesenwut – Klaus-Peter Wolf****

Als je vrienden bij gelegenheid vertelt dat je een fan dan de Duitse tv-kimi’s bent, nu ja , dan moet je er ook niet versteld van staan dat er bij momenten waarop gezocht wordt naar een geschikt cadeau een Duitse Kriminalroman de weg naar jou vindt. Zo gebeurde mij bij de jaarwisseling. Omdat ik dan ook verklapt had dat ik graag eens naar Ostfriesland met vakantie zou gaan om er bv. van een fietsvakantie te genieten, was dit geschenk, Ostfriesenwut, Fischer Verlag, Frankfurt am Main, 2015 van Hans-Peter Wolf, de perfecte aanloop om met de regio en zijn gebruiken kennis te maken. Nu de conronacrisis dergelijke vakantieplannen voor lange tijd opgeborgen heeft, bracht de bovenvermelde roman me niet alleen urenlang leesplezier, ik waande me helemaal in de betrokken regio en reisde in gedachten door heel Ostfriesland (D).

Sagt keiner, man könne von Pfanzen nichts lernen! Ich finde zum beispiel Gänzeblümchen toll! Sie werden oft achtlos platgetreten, aber danach richten sie sich einfach in voller Schönheit wieder auf … “- Ann Kathrin Klaassen, Hauptkommissarin Kripo Aurich

Het natuurgeweld van OSTFRIESLAND kan ze niet verslaan maar als hoofdcommissaris ANN KATHRIN KLAASEN schuimt van woede, is de grootst mogelijke voorzichtigheid geboden.

“Je denkt dat je me gaat achtervolgen, dacht hij. Maar dat is een vergissing, mijn lief. Ik ben de jager, en jij bent de gejaagde. Je hebt ooit te veel in mijn vak geploegd. Ik ben je nog iets verschuldigd voor de verbrijzelde knieschijf. Deze keer overleef je het niet. Als dit voorbij is, drink ik koele drankjes op het strand in de Caraïben, terwijl jij, lieve Ann Kathrin, allang begraven bent op Oost-Friese bodem. “Grossmann (V-man en moordenaar van Ann Kathrin’s vader )

In Leer wordt een jonge vrouw dood uit het dok gevist. De eerste sporen leiden Ann Kathrin Klaasen naar de vriend van de dode. Maar vreemd genoeg is er geen enkele aanwijzing van de identiteit van de man in diens appartement. Kan het zijn dat iemand hier in het geheim woont en handelt? Wanneer Ann Kathrin haar onderzoek begint, heeft ze geen idee in welk wespennest ze steekt. De oplossing kan haar niet alleen haar bestaan kosten, maar ook haar leven. Ook het lot van een volledige regio hangt aan een zijden draad.


In Ostfriesenwut, de 9de Oost-Friese misdaadroman van Klaus-Peter Wolf, wordt commissaris Ann Kathrin Klaasen de opgejaagde. Met haar onderzoeken brengt ze haar leven in gevaar … De bijzondere gave van commissaris Klaasen is haar vaardigheid om sterk betrokken te raken bij het slachtoffer van een moordzaak om zo het profiel van de dader te achterhalen. Op de plaats delict absorbeert ze altijd de sfeer en de stemming, wat haar helpt om de misdaad op te lossen. Maar deze keer hebben deze speciale vaardigheden van de succesvolle onderzoeker fatale gevolgen: Ann Kathrin Klaasen’s kansen lijken plots allemaal verkeken, omdat de moordenaar die ze op het spoor is een perfide spel met haar speelt.

Zoektocht naar een fantoom

Nadat het lichaam van een jonge vrouw uit het dok in Leer is gehaald en de recherche uitgaat van een daad van geweld, valt commissaris Klaasens eerste verdenking op de vriend van de dode. In het appartement van de man is echter geen enkele aanwijzing voor zijn identiteit. Ann Kathrin Klaasen wil het raadsel oplossen en begint onderzoek te doen. In eerste instantie realiseert ze zich niet dat ze in een uiterst hachelijke situatie verwikkelt is geraakt met haar onderzoek. Pas geleidelijk beseft de commissaris dat haar leven onmiddellijk in gevaar komt. En dat de toekomst van een hele regio op het spel staat …

Goed gedoseerde lokale kleur

In zijn ondertussen negende Ostfriesenkrimi mixt Klaus-Peter-Wolf alle ingrediënten die een spannende en vermakelijke misdaadroman vormen. Natuurlijk leeft Ostfriesenwut in niet weinige mate van de couleur locale, die de bestsellerauteur, die al jaren in het Oost-Friese noorden woont, talentvol rondstrooit. De krimi dankt echter zijn bijzonder moment van spanning aan de idee van de auteur om de commissaris in groot levensgevaar te brengen. Dat de slimme ‘spürnase’ Ann Kathrin Klaasen de pion van de moordenaar wordt, is een zeer geslaagde zet.

Voor fans van Duitse krimi’s is het lezen van Ostfriesenwut een must en een goede gelegenheid om de bijzondere charmes van de Ostfriesenkrimi en de buitengewone onderzoeksmethoden van commissaris Klaasen te leren kennen.

Meer weten over de auteur: www.klauspeterwolf.de


Zalig Pasen!

Licht uit licht

De liefde bidt voor wie
niet weten wat zij doen;
gekruisigd blijft zij stil
voor wie de hamer heft.

En na de sabbat keert
zij tot de treurenden,
verrezen uit het graf
wandelt zij in de hof.

Onherkend zit zij aan,
met hen, met u, met mij
te Emmaüs, tot het brood
door Hem gebroken wordt.

Ida Gerhardt

Verzet en overgave – Dietrich Bonhoeffer

Vandaag 9 april is het vijfenzeventig jaar geleden dat Dietrich Bonhoeffer werd opgehangen. Dat gebeurde op persoonlijk bevel van Hitler, die een aantal gevangenen absoluut wilde liquideren voor hij zelfmoord pleegde. Wat was Bonhoeffer dan wel voor een bijzonder mens, dat hem deze ‘eer’ te beurt viel?

En wilt Gij ons de bitt’re beker geven
met gal gevuld tot aan de hoogste rand,
dan nemen wij hem dankbaar zonder beven
aan uit uw goede, uw geliefde hand.

Maar wilt Gij ons nog eenmaal vreugde schenken
om deze wereld en haar zonneschijn,
Leer ons wat is geleden dan herdenken,
geheel van U zal dan ons leven zijn.

Dietrich Bonhoeffer (1906-1945)

uit: Von Guten Machten, Berlin, 1944

Een zondagskind

Dietrich Bonhoeffer en zijn tweelingzus Sabine kwamen op 4 februari 1906 in Breslau – nu het Poolse Wroclaw – ter wereld als zesde en zevende kind van een hoogleraar in de geneeskunde en Paula, geboren von Hase. In het ruime huis met vijf bedienden herinnerde alles aan het allerbeste en mooiste wat de Duitse protestantse cultuur te bieden had. Overgrootvaders en grootvaders hadden als verdienstelijke burgers de adelstitel verdiend, één grootmoeder was gravin, een andere oma was van huis uit een democratische voorvechtster en trotseerde nog, 91 jaar oud, Hitlers knokploegen tegen joodse winkels. In 1912 was het gezin naar de hoofdstad Berlijn verhuisd, waar vader Karl gevraagd was voor de belangrijkste Duitse leerstoel voor psychiatrie en neurologie. De kinderen Bonhoeffer kregen àlles mee van thuis: het eerste onderricht van hun moeder, zodat ze ras een paar leerjaren oversloegen, muziek, liefde voor de natuur, theater- en operabezoek, warmte met gedroomde vakanties op buitenverblijven, huisfeestjes met eigengemaakte toneelstukken, én godsdienst in de vorm van bijbelverhalen, liederen en avondgebed – géén kerkbezoek. De eigenzinnige keuze van Dietrich, 17 jaar oud, om aan de universiteit geen fysica, geneeskunde of rechten te gaan studeren, zoals vader of broers, was in dat milieu een kleine bom. Maar in de theologie is Dietrich even briljant als aan de vleugelpiano: hij is maar 21 jaar oud, wanneer hij afstudeert als doctor in de theologie. Een universitaire carrière lijkt vanzelfsprekend.

Wars als men in zijn milieu was van grote woorden, weten we niet goed wat Dietrich naar de theologie dreef. Als kind al was hij bezig met God, bidden, de dood. Hij is 12 wanneer een broer sneuvelt nabij Ieper, een heel zware slag voor het gezin. In de humaniora, hij is dan 15, studeert hij Hebreeuws als keuzevak. Zoals zo vaak was ook bij hem ‘roeping’ ­ maar van kerkelijke dienst was nog geen sprake – een intuïtie die gaandeweg bevestiging kreeg. Als student herkent hij met vreugde in de toen als een komeet oprijzende theoloog Karl Barth, een aparte passie van de theologie: God eerst. Neen, theologie is niét geschiedenis, géén tekstkritiek, géén filosofie – hoe goed Dietrich in die dingen ook is. Het tekent zijn openheid en zelfstandigheid dat hij, nog zo jong, op een Romereis afstand weet te nemen van het anti-rooms protestants gevoel en in Rome méér weet te zien dan oude cultuur. Hij voelt hier voor de eerste keer, erkent hij, wat kérk is, gemeenschap, erbij horen. Want de jonge theoloog is nog altijd een individuele universitair met als thuisbasis zijn eigen familie- en relatiekring. Hij besluit voorlopig de academische carrière te laten staan, te gaan aankloppen bij het district van zijn lutheraanse regionale kerk en voor één jaar als stagiaire-pastor te vertrekken naar de Duitse ‘kolonie’ in Barcelona.

Terug in Duitsland is het weer de universiteit die het haalt: assistent, professoraatsthesis, toch ook de kerkelijke dominee-examens, waarna hij voor een schooljaar vertrekt naar het fameuze Union Theological Seminary in New York. Daar ontluikt zijn oecumenische roeping. Maar vrienden merken op dat hij niet eens trouw naar gebedsdiensten gaat. In augustus ’31 wordt hij docent in Berlijn. Studenten komen graag les volgen bij hem, niet alleen om het fenomeen van een 25-jarige docent mee te maken.

De theoloog wordt christen

Bonhoeffer leeft snel en intensief, op vele fronten tegelijk, maar doorheen alles wordt een diepe ernst voelbaar: hij heeft een nieuwe thuis gevonden, de zaak van God die zijn Woord heeft gesproken in Jezus. Hij gaat ook tijd maken voor confirmatie- of vormselonderricht in een sociale wijk in Berlijn. Hij heeft het in de vingers om jongeren te boeien en te doen open bloeien. Hij huurt op het platteland een barak voor hen. De internationale oecumenische beweging verkiest hem tot één van haar secretarissen. Thema’s zijn daar werkloosheid, vrede, het Duitse vraagstuk. En Bonhoeffer bevreemdt zijn angelsaksische vrienden omdat hij ook in dié kwesties theologisch blijft doorvragen. Al is theologie voor hem nooit een doel op zichzelf: het gaat om God, het gaat om de wereld.

Wanneer heel Duitsland – ook de meeste kerkleiders – in 1933 juicht om het aantreden van Hitler, reageert Dietrich, vanuit zijn uitstekend geïnformeerde kring van familie en vrienden, doodnuchter: dat wordt oorlog. Eerst kerk-oorlog. Met de regionale lutheraanse kerken doet het nazisme als met de deelstaten, politieke partijen, sociale bewegingen en organisaties: ‘gelijkschakelen’. (Voor de katholieke kerk gebeurt dat in de vorm van een concordaat.) ‘Duitse christenen’ noemen zich de protestanten die Hitler begroeten als een heiland. Zij identificeren naïef kerk en nationalisme. Dietrich en gelijkgezinden reageren trefzeker. De meeste gevechten in synoden en kerkvergaderingen verliezen ze, zodat ze uitwijken in een half ondergrondse Bekennende Kirche, de ‘belijdende kerk’. Opvallend is dat Dietrich, als één van de weinigen, reeds in dat heel vroege stadium de joden­kwestie als een breekpunt ziet. Twee jaar pastoraat in Londen, van 1933 tot 1935, geeft hem de kans om de buitenwereld goed te informeren en voor later nuttige contacten te leggen, zijn oecumenisch werk voort te zetten en de groeiende stroom van Duitse politieke vluchtelingen te helpen. Van dan af leidt Dietrich een zwerversbestaan, met talloze reizen terug naar Berlijn – omwille van de kerkstrijd ­ maar ook naar Genève, Scandinavië, enz. De kerkstrijd wordt ook internationaal: wie vertegenwoordigt op internationale bijeenkomsten voortaan de Duitse kerken, de collaborateurs of de belijdende kerk? Het antwoord op die vraag is vaak ontgoochelend.

Dietrich, die zelf alles had gedaan om het saaie kerkelijk seminarie te ontlopen, wordt in 1935 ver weg in Pommeren, nu Polen, directeur van een alternatief seminarie, waar kandidaat-pastores na hun universitaire theologie een jaar praktische opleiding krijgen. Hier gaat hij voor een protestant nieuwe wegen: bijbelmeditatie die niet wakker ligt van wetenschappelijke exegese, persoonlijk stil gebed, gemeenschapsleven. Die ‘monnikenaanpak’ krijgt kritiek, maar van vrome wereldvlucht is hier geen sprake. Zijn critici zijn het die compromissen sluiten met het regime. Hijzelf en zijn ‘seminaristen’ vormen de harde kern van de belijdende kerk. Hier ook valt dat bekende woord van hem: ‘Alleen wie voor de joden opkomt, mag ook gregoriaans zingen’. Van dan af is Bonhoeffers naam in kerkelijke kringen alom bekend. Hij is nog geen dertig wanneer hij een programma en een symbool is geworden.

Het regime en zijn kerkelijke knechten weten in 1935 de clandestiene vormingscentra van de belijdende kerk te doen verbieden. Toch gaan de vormingscyclussen een tijdlang verder, door stagiaire-pastores bijeen te brengen in een grote pastorie. Een keur van jonge afgestudeerde theologen blijven zich melden voor dit risicovol bestaan, zonder uitzicht op een aanstelling, omdat zij intuïtief aanvoelen dat de hakenkruisvlag naast het altaar niet kàn. En Dietrich zelf blijft, temidden van dit onmogelijk druk en spannend bestaan, theologisch actief. Een vrij uurtje tussendoor is voor hem de gelegenheid om verder te schrijven aan boeken zoals Navolging en Theologische ethiek, wat hem niet weerhoudt van grote wandelingen en gezelschapsspelen met zijn studenten.

Lotgenoot

Zoals hij in 1933 naar Londen ging, vertrekt hij in ’39 naar New York. Maar na een zware gewetensstrijd meent hij te moeten terugkeren naar zijn land, uit solidariteit, om ten einde toe de weg te gaan van zijn volk. Bij hem groeit de overtuiging dat hij desnoods ook het regime zelf moet bestrijden. Die strijd heeft hij als ingewijde – wat op zichzelf al een groot gevaar was – sinds ’38 kunnen volgen. Over de opeenvolgende samenzweringen van de legerleiding om Hitler aan de dijk te zetten, samenzweringen die telkens mislukken door de onverwachte militaire en politieke successen van de dictator, weet hij alles van zijn broer Klaus en vooral zijn schoonbroer Hans von Dohnanyi, die als hoge regeringsambtenaren mee in het complot zitten. Dietrich is ook de gewetenstoevlucht voor deze hoogstaande mensen, die in de knoei zitten met hun eed van trouw aan het staatshoofd. Een kern van het verzet is de top van de militaire geheime dienst, één van de zeer weinige machtscentra die tot in ’44 niet in handen waren van de nazi’s. Officieel gaat Bonhoeffer nu werken als koerier met ‘nuttige internationale contacten’, nl. zijn oecumenische relaties. Daaronder is de invloedrijke anglicaanse bisschop Bell, die toegang heeft tot de Britse regering. In feite stelt hij deze contacten ten dienste van de samenzwering tegen Hitler, niet van de militaire spionage. Dat werk behoedt Bonhoeffer tevens voor mobilisatie.

Zijn taak is veelvoudig: de buitenwereld – de oorlogsvijand! – laten weten dat in Duitsland plannen bestaan om Hitler omver te werpen, aan het buitenland vragen welke z’n houding in dat geval zou zijn tegenover de Duitse staat en het Duitse volk, onder welke voorwaarden over vrede zou kunnen gesproken worden, aan het buitenland telkens weer uitleggen waarom de opeenvolgende pogingen tot staatsgreep niet doorgaan of mislukken, en ten laatste: het Duitse thuisfront van samenzweerders, vooral enkele twijfelende generaals, door betrouwbare boodschappen uit het vijandelijk kamp, overhalen tot actie. Bonhoeffer leidt nu een dubbel, zoniet driedubbel bestaan. Hij werkt nog halftijds voor de belijdende kerk en preekt waar hij kan en mag, want hij is al enkele keren in aanvaring gekomen met de Gestapo. Hij woont overal uitgenomen op zijn officieel adres. Zo verblijft hij o.m. regelmatig in de benedictijnenabdij van Ettal, waar later pater Mayer een verplichte verblijfplaats toegewezen krijgt (zie Het Teken van april ’94) en waar hij het katholiek verzet tegen Hitler leert kennen. En hij blijft nadenken en schrijven over wat hij doet, want het gaat tenslotte om landverraad.

In 1942 wordt Dietrich verliefd op de 18-jarige Maria von Wedemeyer, een voor beide zijden delicaat gebeuren wegens het leeftijdsverschil. Er zijn aanwijzingen dat hij rond ’35, omwille van het werk, zo’n relatie in zijn leven niet toegelaten had. Begin ’43 verloven ze zich, met het voornemen om elkaar wederzijds veel tijd te gunnen. Maria’s vader is net gesneuveld aan het oostfront. Hun verloofdentijd zal uiteindelijk niet meer zijn dan een dikke brievenbundel – ‘innig, smartelijk, haast niet te lezen, nu nog, een halve eeuw later’, schrijft een recensent over het in ’94 verschenen boek – want op 5 april 1943 wordt Dietrich gearresteerd. De aanleiding is een relatief kleine fout in het raderwerk van de militaire geheime dienst. Meer dan een jaar lang slaagt men er niet in Dietrich en diens schoonbroer op een echte overtreding te betrappen en te doen veroordelen voor landverraad. Van dat bijna anderhalf jaar denken en bidden binnen een min of meer normaal gevangenisregime, biedt de overbekende bundel Verzet en Overgave een neerslag. ‘Ik heb hier vaak zitten nadenken over waar de grens ligt tussen het noodzakelijk verzet tegen het ‘noodlot’ en de even zo noodzakelijke overgave’, schrijft hij. En zijn bedenkingen over ‘de niet-religieuze’ interpretatie van bijbelse begrippen in een mondig geworden wereld’ zullen in de jaren ’60 door menig theoloog op veel verschillende manieren verder doordacht en uitgewerkt worden. Maar nooit zullen die latere studies, gissingen soms, over deze korte, aangrijpende teksten de dramatische echtheid van Bonhoeffers leven bereiken.

Met God over de muur

Want de mislukte aanslag op Hitler, op 20 juli’ 44, leidt niet alleen tot de ontmanteling van de militaire geheime dienst – die mee achter de aanslag zat – maar ook naar de ontdekking van de wàre rol die Bonhoeffer sinds oktober’ 40 speelde. Hij wordt overgeplaatst naar een cel in de Gestapo-kelder, later naar Buchenwald getransporteerd, nog later naar Flossenburg waar hij op persoonlijk bevel van Hitler wordt opgehangen, samen met topfiguren als admiraal Canaris. Al de gevangenismaanden door is Dietrich voor zijn medegevangenen én zijn cipiers een toevlucht, een voorbeeld, een morele en religieuze kracht. Net voor hij de galg opstapte knielde hij nog neer en zijn stil bidden was zo aangrijpend, dat allen die het meemaakten, ook zijn beulen, er onder de indruk van waren. Hij zei: ‘Dat is het einde – voor mij het begin van het leven’. Al in ’43 had hij in zijn cel geschreven: ‘In geloof kan ik alles verdragen, ook een veroordeling, ook de andere gevreesde gevolgen’ – versta: de dood. Dat was toen zijn commentaar bij psalm 18,30: ‘Ja, met u bestorm ik een bolwerk, met mijn God spring ik over een wal’.

In enkele dagen tijd verliezen vader en moeder Bonhoeffer in april’ 45 door executie twee zoons, Klaus en Dietrich, en twee schoonzoons. Vader Bonhoeffer schreef na de oorlog naar een naar Amerika gevluchte collega: ‘U weet intussen dat wij veel erge dingen hebben meegemaakt en twee zoons en twee schoonzoons door de Gestapo hebben verloren. (…) Maar omdat wij het allen eens waren over de noodzaak om te handelen en zij wisten wat hen te wachten stond als het complot mislukte, zijn wij bedroefd maar ook fier op hun rechtlijnige houding. Wij hebben van beide zonen mooie gevangenisherinneringen… ‘De Bonhoeffers hebben mee de eer van Duitsland en van de lutheraanse kerk gered. En dank zij Dietrich, dank zij zijn weg van theoloog naar christen, en van christen naar lot- en tijdgenoot, is christen zijn en het denken daarover definitief anders geworden. Hij is één van de hele groten van onze eeuw. Laten we daar op 9 april om danken.

Geert DELBEKE

bron: Het Teken, 67e jaargang, nr. 9, April 1995

%d bloggers liken dit: