Dorheid

Foto door icon0.com op Pexels.com

De voorbije dagen hoorden we dat de dorheid in de natuur weer zijn intrede doet, het grondwaterpeil is sterk gedaald, niet essentieel waterverbruik moeten we dus vermijden. Ook in de tuin verschijnen tekenen van drorre droogheid, sommige planten en heesters sterven af. Hoe een en ander ook samenhangt met onze leefstijl en hoe we daar met z’n allen iets aan kunnen doen door ons bewust te worden van de kostbaarheid van water en onze leef- en verbruiksgewoonten aan te passen, zou ondertussen duidelijk moeten zijn. Als de mens zich terugtrekt, herstelt de natuur zich snel, constateerden we de voorbije weken gedurende de lockdown.

Na drie maanden bevinden we ons nauwelijks in rustiger water wat de coronacrisis betreft, al zijn de desastreuze sociale en economische gevolgen ervan nog niet helemaal te overzien, of daar dienen zich de nefaste gevolgen van de klimaatverandering eveneens in volle extreemheid aan: stormen, tyfoons, overstromingen,  droogte, voedseltekort, migratie … Het verband tussen de ene en de andere crisis is ondertussen ook niet meer te ontkennen.

En toch blijven sommigen naïef optimistisch; ze ontkennen de feiten of redeneren ‘het zal onze tijd wel duren’, ‘zo’n vaart loopt het niet meteen’, ‘onheilsprofeten zijn er altijd geweest’…

Onlangs las ik ‘dorheid kan een gave zijn’. Is een gave dan niet altijd iets positiefs? En is die dorheid dan niet veeleer een dode leegte en niet meteen een geschenk?

Misschien is ze juist dit: een stille schreeuw naar verlossing, naar doortocht uit onmenselijke fysieke en mentale extremen, naar dieper, eenvoudiger, bewuster en zorgzamer leven. Maar de ‘de vette vleespotten van Egypte’ ondanks de eraan verbonden ‘slavernij’ blijven verlokkelijk, het business as usual, dat willen de machtigsten zo snel mogelijk terug, alle machteloosheid van het geleden leed ten spijt.

Ontzetting en angst zijn in alle tijden de begeleiders van verandering en vernieuwing geweest, de waarschuwingen van profetische mensen werden niet in dank afgenomen. Zwartkijkers, angstaanjagers werden ze genoemd en ze werden vaak ten dode toe gebagatelliseerd.

Toch hoorden we deze dagen ook het adagio ‘do not waste a good crisis,’ ga niet bij de pakken zitten maar herbron, onthaast, hoop, pak aan, vertrouw op de Geest van de Waarheid en laat je inspireren tot een andere en nieuwe levensstijl met blik op de toekomst van onze kinderen en kleinkinderen.

Ik wens het ons allen in deze zonnige dagen voor Pinksteren !

5 jaar Laudato Si’ – Franciscus

Gele lis

Anders en beter na corona, nu of nooit ~ 7 punten

#1 We moeten ook de wortels bestrijden

Alles is met elkaar verbonden. Dat is niet enkel het thema van de Laudato Si’-week, het is vandaag ook onze feitelijke ervaring. We zijn deel van het ecosysteem, niet de meesters ervan. Neem nu bijvoorbeeld de manier waarop we dieren behandelen.

Wetenschappers wijzen erop dat de uitbraak van Covid 19 en het verlies aan biodiversiteit met elkaar te maken hebben.

We kunnen ons niet beperken tot het bestrijden van het virus. We moeten ook de wortels van het probleem bestrijden en de manier veranderen waarop we de natuur behandelen.

#2 Corona als generale repetitie

Er zijn veel gelijkenissen tussen de coronacrisis en de klimaatcrisis, ook al is het ene acuut en gaat het andere trager.  We zien het massale leed dat de pandemie veroorzaakt. Maar wat op ons afkomt, is vele malen erger. In die zin is deze crisis een leerzame ervaring en een voorbode.

Corona toont de schaal van de vernietiging die we kunnen verwachten als we niets ondernemen.

#3 Radicale verandering van levensstijl is mogelijk

De gezondheidsmaatregelen hebben op korte tijd een radicale verandering van onze levensstijl gevraagd om de besmettingscurve af te vlakken. En dat is gelukt. Gezamenlijke individuele verandering is mogelijk en werkt! Nu was het met het oog op de gezondheid van iedereen. Dan kan het ook voor de gezondheid van de aarde waarop we leven.

#4 Naar een persoonlijke keuze van het hart

We kunnen niet zeggen dat we een passie hebben voor sociale rechtvaardigheid als we niet dicht bij de slachtoffers staan. Dat vraagt een persoonlijke keuze, en tegelijk moeten we alles en iedereen meenemen in een gezamenlijke verandering om een gemeenschappelijk probleem aan te pakken.

Het is ook wat Laudato Si’ zegt: we moeten het samen doen, maar we hebben ieder individu nodig, en daar komt een verandering van het hart bij te pas, een bekering. En die bekering is radicaal. Het is niet zomaar een deeltje van mezelf dat bijgestuurd wordt. Neen, het is stoppen, omdraaien en helemaal een andere richting uitgaan.

#5 Maak de juiste politieke keuzes

Maar tegelijk moeten we dat ook verwachten van de verkozen politici. We moeten onszelf ook zien als actieve deelnemers in een democratisch proces, en onze ervaringen in lijn brengen met politieke keuzes die over de toekomst van de mensheid gaan. Zoveel mensen leven onder waardigheidsgrens, we spreken dan zelfs nog niet over de armoedegrens.

Hoe is het mogelijk dat er de voorbije decennia op gezondheidszorg is bespaard? Geld dient toch om maatschappelijke doelen te bereiken? Miljoenen mensen verliezen nu hun job. Wat moet er voor hen gebeuren? Dat zijn de vragen die belang hebben.

#6 Geen bedrijven redden die aarde vernietigen

Rationele dwazen, zo noemt men de verdedigers van een economie die geen rekening houdt met de natuur of de draagkracht van de aarde. Europa denkt volop na over herstel na de crisis. We gaan toch niet opnieuw investeren in een economisch groeimodel dat de aarde vernietigt?

Neem nu bijvoorbeeld de bedrijven die olie winnen uit fracking. Het zijn toch deze bedrijven niet die met steunmaatregelen moeten gered worden van een faillissement?

#7 Resetknop voor een betere wereld

Nooit eerder in de geschiedenis werd zo’n massa geld vrijgemaakt als nu. De wereld heeft daarmee een soort resetknop, een kans en een verantwoordelijkheid om dit enorme kapitaal te investeren in een betere wereld op alle vlakken: sociaal, ecologisch, energie, industrie, economie…

De beslissende keuzes worden nu gemaakt.

Tegen eind 2021 zullen we het model van de toekomst hebben vormgegeven: hoe we zullen samenleven, hoe onze economie en ons klimaatbeleid er zal uitzien, enzovoort. We kunnen maar hopen dat dit zal gebeuren vanuit een grondige reflectie over wie we zijn als mens, als gemeenschap.

Als coördinator van Ecokerk volgt Karel Malfliet de Laudato Si’ Week op de voet. Wordt dus vervolgd.  – bron: Netwerk rechtvaardigheid en vrede (NRV)

Meertaligheid en onderwijs: 7 boekentips — Steven Delarue

Als je aan leerkrachten vraagt hoe ze de afgelopen coronaweken hebben beleefd, dan krijg je – toch naar mijn ervaring – meestal een gelaagd antwoord. Aan de ene kant was het keihard werken, omdat alles opeens anders en digitaal moest, en alle plannen bruusk moesten worden omgegooid. Maar samen met die koerswijziging (of misschien net ten gevolge ervan) was er ook opeens wat meer ruimte voor experiment en voor reflectie: wat willen we nu precies bereiken met onze leerlingen, en waarom? Wat is prioritair en wat niet? 

Daar ligt mogelijk (en hopelijk) een stevige win voor alles wat het onderwijs in deze coronatijd moet doorstaan: kritisch stilstaan bij hoe ons onderwijs eruitziet en hoe het er zou moeten of kunnen uitzien, en hoe we van startpunt A naar ideaalbeeld B zouden kunnen gaan. Ik zie op Facebook, op Twitter en op blogs allerhande steeds meer reflecties verschijnen over het belang van toetsing en evaluatie, over de vraag of we al dan niet examens moeten organiseren, over hoe je omgaat met angst en stress bij de heropstart van de scholen eind deze week, over hoe zomerscholen er zouden kunnen uitzien,… 

Dat kritische reflectievermogen is er bij leerkrachten uiteraard altijd al geweest, maar in de dagelijkse mallemolen raakte het al eens verdrukt tussen alle paperassen, lesvoorbereidingen en SmartSchool-berichten – die zijn er nu allemaal nog steeds, maar toch: er lijkt soms een beetje meer zuurstof te zijn. Ruimte om na te denken, om heel even te onthaasten of om de horizonten te verruimen. Voor sommigen is het misschien een kans om eens in de boekenkast te duiken, en wat nieuwe ideeën op te doen. 

Alleen: er zijn de laatste jaren bibliotheken volgeschreven met boeken over onderwijs en didactiek, en vind daar maar eens de échte pareltjes in terug. Voor wie zich graag wil verdiepen in het thema taal en meertaligheid, selecteerde ik zeven boeiende titels die je meer inzicht en praktische handvatten bieden in de wondere wereld van meertaligheid en onderwijs. Boeiende literatuur die inspireert én aan het denken zet. 

Bron: Meertaligheid en onderwijs: 7 boekentips — Steven Delarue

Servaaslegende – Hendrik van Veldeke 1170-1180

In ons gehucht bevindt zich een oude kapel gewijd aan de Heilige Servatius, volgens de overlevering de laatste bisschop van Tongeren en de eerste van Maastricht of ook de eerste historisch verifieerbare bisschop in de Nederlanden uit de 4de eeuw. Hij is de patroonheilige van Berg (deelgemeente van Kampenhout). Naamfeest 13 mei. Zijn attributen zijn de bisschopsstaf en de sleutel.

Onze Middelnederlandse literatuurgeschiedenis bevat een werk uit de 12de eeuw gewijd is aan deze heilige. Het is van de hand van Hendrik van Veldeke. Veldeke is afkomstig uit het Maasland, uit de omgeving van Hasselt in Belgisch Limburg. In die streek treffen de Nederlandse en Duitse taal en cultuur elkaar en in Veldekes tijd bloeiden hier de kunst en de economie. Veldeke was een ontwikkeld man en hij kende goed Latijn en Frans. Hij schreef een heiligenleven over Sint-Servaas (de Servaaslegende ) in zijn moedertaal, het Limburgs. Hij is de oudste bij naam bekende Nederlandse schrijver. Zijn werk is onderdeel van een internationaal literair netwerk en o.a. zijn hoofse minnepoëzie was zeer geliefd aan de adellijke hoven.

De Servaaslegende van Hendrik van Veldeke is een opeenstapeling van wonderbaarlijke zaken. Althans zo kijken wij, nuchtere een-en-twintigste-eeuwers, tegen de verhaalde gebeurtenissen aan. Wij nemen die beschrijvingen met een korrel zout, maar in de Middeleeuwen werden heiligenlevens onvoorwaardelijk voor waar gehouden, zeker wanneer deze op een Latijnse voorbeeld waren gebaseerd. Hendrik van Veldeke kon zich beroepen op een Latijnse bron, de Vita Sancti Servatii (Het leven van Sint Servaas), die beschikbaar werd gesteld door ene Hessel, koster-bibliothecaris van de Servaaskerk in Maastricht.

De Servaaslegende is een vertaling-in-verzen van een Latijnse prozatekst. Veldeke maakte deze vertaling op verzoek van Agnes, echtgenote van de graaf van Loon. Zo’n opdracht betekent in feite dat de gravin de auteur in staat stelde zijn werk te doen: ze gaf hem kost en inwoning, zorgde voor schrijfbenodigdheden en gaf hem wellicht ook nog een extra beloning (in geld of in natura: bijvoorbeeld kleren of wijn).

De Servaaslegende bestaat uit twee delen.

In het eerste deel wordt beschreven hoe Servaas, een achterachterneef van Jezus, door God als bisschop naar Tongeren wordt gezonden. Omdat de Hunnen West-Europa onder de voet dreigen te lopen, wordt Servaas naar Rome gezonden in een laatste poging het onheil af te wenden. In een visioen ziet Servaas Petrus verschijnen die hem meedeelt dat Tongeren ten onder zal gaan. Na zijn terugkeer vertrekt Servaas naar Maastricht waar hij zijn laatste adem uitblaast.

In het tweede deel doet Veldeke eerst uit de doeken welke puinhopen de Hunnen aanrichtten. Vervolgens beschrijft hij een groot aantal wonderen die God ter ere van Servaas heeft laten plaatsvinden. Een van die wonderen is het volgende:

Nu kunt u nog een mooi verhaal horen! De keizer (Keizer Hendrik III van het Heilig Roomse Rijk) liet zeer kundige goudsmeden ontbieden. Hij groette hen vriendelijk en nam ze aan zijn hof op; hij vertelde hun dat hij een gouden borstbeeld wilde laten maken. Moge God me dit toestaan, want ik begeer niets anders! De goudsmeden antwoordden dat ze de opdracht met liefde aannamen, mits Gods Zoon en de goede Sint-Servaas hun dit vergunden. Omdat de keizer het graag wilde, kwamen ze aan zijn wensen tegemoet. Het goud werd afgewogen en de mannen togen aan het werk. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat waren ze bezig, waarbij Sint-Servaas hun behulpzaam was. Tenslotte was het borstbeeld af. Het was – zo vertelt ons de vita – prachtig: neus, mond, kin en keel waren perfect; alleen de ogen, die van edelstenen gemaakt waren, stonden scheef. De goudsmeden meenden dat de ene steen kleiner was dan de andere, en daarover waren ze hogelijk verbaasd, want ze waren precies even groot. Met goede moed haalden ze de stenen eruit om ze er beter in te zetten, want ze vreesden de keizer. Maar toen ze dat gedaan hadden, stonden de ogen weer net als daarvoor: het ene keek omlaag, het andere omhoog. De goudsmeden voelden zich ongelukkig en het werd hun zwaar te moede. Ze konden er echter niets aan doen; het was zonneklaar dat Sint-Servaas tijdens zijn aardse leven scheel was geweest; daarom was dit gebeurd Toen wilde de keizer het borstbeeld zien. Zodra hij de ogen zo scheef zag staan, liet hij de goudsmeden in de boeien slaan en dreigde hen met zware straffen. Ten onrechte wierp men hen in een kerker. Terwijl de goudsmeden ’s nachts in de gevangenis zaten, verscheen Sint-Servaas aan de slapende keizer, zodat deze hem goed kon zien. Vriendelijk sprak hij hem toe: “Majesteit, je moet die arme goudsmeden niet langer kwellen. Laat hen met rust! Je moet het hun niet aanrekenen: zij hoeven toch geen boete te doen voor mij? Jij bent zeer verstandig: kijk me aan en zie hoe scheel ik ben. Daarom moet het borstbeeld dat naar mijn gelijkenis is gemaakt scheel zijn. Wees tevreden: de goudsmeden treft geen blaam. Laten ze profijt hebben van mijn scheelheid, en wees er niet bedroefd over.” Toen de koning dit gehoord had, liet hij, nadat hij was opgestaan, de goudsmeden uit de kerker halen. Als vergelding voor het aangedane onrecht stelde hij hen op royale wijze schadeloos en overlaadde hen met prachtige geschenken, zodat ze blij en opgelucht van het hof vertrokken.  

Bron: Hendrik van Veldeke: Servaaslegende. Vertaald door L. Jongen en C. Schotel. Maastricht 1993, p. 112-113.

Glasraam Sint-Servaas rechterzijde – Kerk Sint-Servaas (Berg)

HOE OUD IS SINT-SERVAASKAPEL?

Wie een plattegrond van de gemeente Berg bekijkt, moet tot zijn verwondering vaststellen, dat het dorp haast in tweeën wordt gesneden door de steenweg van Perk op Kampenhout, vermits het grondgebied aldaar slechts 800 m breed is, zodat het geheel eruit ziet als een reusachtig cijfer 8. Achter dit knelpunt liggen de wijken Bulsom en Heide, die zich de eeuwen door altijd een beetje afgezonderd hebben gevoeld en op eigen plantrekkerij waren aangewezen. Als men bedenkt dat de parochiekerk van Berg zich in vogelvlucht op meer dan 3 km afstand bevindt, is het haast vanzelfsprekend te noemen, dat ook op het gebied van godsdienstbeoefening een zekere vorm van zelfstandigheid is gegroeid.

De koorkant van het Sint-Servaaskapelletje is in witte zandsteen opgetrokken en blijkbaar veel ouder dan het bovengedeelte in brikken. Te oordelen naar het houten beeld van de heilige, dat zich eertijds in de kapel bevond en rond 1500 moet gesneden zijn, zou men in die periode de bouw van de eerste kapel mogen situeren.

Ook VERBESSELT was eenzelfde mening toegedaan: “Onze aandacht wordt hier getroffen door de Sint-Servaaskapel, gelegen te midden van de heide, op het kruispunt van de Mechelse banen uit Berg en Kampenhout. Zij is zeer oud, aangezien in de kapel een schoon Sint-Servaasbeeld van rond 1500 werd bewaard. Dat toont aan dat de kapel in die periode voornaam was. Haar ligging vooral doet ons denken aan de Sint-Veronekapel van Leefdaal, de Speltkapel van Merchtem, de Kruisborre van Asse, enz. Zij hoort tot dezelfde reeks. Nu kan men ze wel op rekening van de moederparochie schrijven, die dezelfde patroon heeft, en ze aanzien als een stichting vanuit Berg, om te voorzien in de zielenzorg van de verafgelegen bewoners.

Servaasviering – Kapel Sint-Servaas – Berg-Heide (2018)

Maar feit is dat er, zoals in de vernoemde kapellen, slechts éénmaal in het jaar mis werd gelezen tijdens het octaaf van Sint-Servaas en er nooit een beneficium of kapelanij werd aangehecht. In de bisschoppelijke taxatielijsten komt ze evenmin voor. Voor ons is ze geen stichting vanuit Berg. Zij moet minstens vergeleken worden met deze van Lelle. Zij behoort tot de reeks, die wij missiekapellen noemen en een litteken zijn uit de oudste periode van de christianisatie. Bewijzen hebben wij niet; er zijn evenwel zoveel gelijklopende aanduidingen, de ene ouder dan de andere, zoals hier de ligging aan de samenloop van twee Mechelse banen en de nabijheid van een Frankische hoeve met haar eigen bodemverkaveling, tevens beschikkend over een aantal goede beemden langsheen de Dodebeek”.

Uit het dekanaal verslag van 1735 vernemen we dat het bidoord voltooid werd ‘uit giften en offeranden van de baron en anderen’ (AAM., Vis. 1760). Op 4 mei 1736 werd er door aartsbisschop Thomas Philippus de Alsatia toestemming gegeven om er elk jaar een mis op te dragen, op de feestdag van St.-Servaas of onder het octaaf. Het onderhoud werd verricht uit de opbrengst van de offer, en wat overschoot kwam ten goede aan de parochiekerk (AAM., Vis. 1735-1739).

In 1839 werd de strook grond, gelegen aan het kruispunt van de Sint-Servaasstraat met de Kampenhoutsebaan, waarop zich de kapel bevindt, afgestaan aan de kerk van Berg, onder het herderschap van Petrus Joannes Coppens. De schenkers waren de gebroeders Polycarpus Decoster, koster te Elewijt, en Camille Decoster, notaris aldaar.

Het luiklokje, vroeger boven de ingang, is misschien even oud als de kapel zelf, maar het hoorde er oorspronkelijk niet bij. Het werd in 1570 te Leuven gegoten door Peeter van den Gheyn, ten behoeve van de Sint-Lambertuskapel op Lelle, waar het tot in 1906 ophing. Om de St.-Servaaskapel een sierlijker uitzicht te geven, wilde men er in 1946 een klokkentorentje opzetten, maar dit voorstel werd niet uitgevoerd. In 1953 werd het klokje naar de kapel overgebracht, waar het de mensen van Heide samenriep.

OUDE BEDEVAARTPLAATS

De omgeving van de kapel telt thans nog weinig echte heidegrond. Door de noeste arbeid van vele boerengeslachten, bekwam men er een vruchtbare bovenlaag, in de schaduwrijke stroken van de bossen van Perk, Elewijt en Hever. Vanuit die dorpen kwamen eertijds telkenjare processies op bedetocht naar de kapel van de Heide.

Oudere mensen weten nog te vertellen dat de twee herbergen, die het gehucht indertijd rijk was, dan volgepropt zaten met mensen. De uithangborden ‘In den Posthoorn’ en ‘In ’t Groene Veld’ verdwenen echter rond 1928, toen deze drankgelegenheden hun deuren sloten.

Eeuwenlang hoorde het tot de geplogenheden van de pelgrims, dat zij driemaal rond de kapel moesten wandelen, biddend om de kwade koorts van een zieke te laten wegnemen. Daarenboven bonden zij een lintje van de onderkleding van de patiënt aan de tralies van de kapeldeur. Dat gebruik werd in 1950 voor het laatst opgemerkt.

Uit een oud notitieboek van koster Joannes Quisthoudt, bijgehouden vanaf 1783, vernamen we dat op het feest van de heilige door deze kerkdienaar met een bel buiten de kapel werd rondgegaan, om de omstaanders te melden dat de mis ging beginnen. De man had dan echter al een heel karweitje achter de rug, dat hij in volgend sappig taaltje beschrijft:
” ’s Avonds voor St.-Servatius moet ik sien dat de kerck gewassen is en den troon van S. Serva-tius uijt setten en S. Servaes kleede ende stockken inden troon en de schoetel daerop den autaer, de antepene met die gouden ganoen op, die altijd de beste geweest is en den casuyvel daer ook van. Ts avonds beijaerden, nief keirsen op den autaer en is het saeken alsdat de keirs van S. Servaes niet gemaekt is op den feestdag, dan moet ik twee klijn kandelaers voor op den troon setten met elckeen keirs op en die onder de mis in brant doen”.

“Op St. Servaes dag woord de vroghe mis gedaen in de capel van S Servaes die woord geson-gen, die is gebeurt ten seven uren en dan moet ik ten ses uren den eersten keerluijden en op de half-ier in luijden, gelijk voor een ander mis, niet tincken als met de groote bel, als men gaet bellen dat dient voor het tincken nu, ik moet sorgen van eer men aengaen, van alle ornamenten gereet te hebben, wat den priester noeijdig heeft om mis te doen, want in de capel en is niet als de antepene daer en sijn geen dwelen, geen een spier lijnwaert en is er, soo ik moet sien van alles te hebben, tabellen en alles want daer en is niet”.

In 1953 kreeg de pastoor van Berg de toelating van het bisdom om elke zondag 2 missen te laten opdragen. Sedertdien kwam er veel volk naartoe, ook uit de Tuilstraat (Elewijt) en de Langestraat (Kampenhout).

Wegens het groeiend aantal landbouwbedrijven op deze uithoek van het grondgebied, werd er naderhand naar een nieuwe kapel uitgezien, groot 11 m op 9 m. Ze werd gebouwd aan de overzijde van de Kampenhoutsebaan en bood zitgelegenheid voor 125 kerkgangers. Ze werd op 18 augustus 1963 door Mgr. Schoenmaeckers ingewijd. De nieuwe kapel werd echter begin 2000 gedesaffecteerd, werd verkocht en werd een privaat woonhuis.

Nu de bedevaarten naar de kapel op de Heide definitief tot het verleden behoren, verminderde in dezelfde mate ook de opbrengst van de offerblok. Daarom werd hier van de vroegere ‘kerkmis’ naar een plaatselijke kermis overgeschakeld, die jarenlang rond Half-Oogst plaatsgreep, ten voordele van het onderhoud van de nieuwe kapel.

BRON: Heemkring Campenholt-Religieus erfgoedd-Kapellen in Berg, Buken, Kampenhout en Nederokkerzeel

Lege harten – Juli Zeh

Bestaat er nog hoop in Donker Duitsland?

In de thriller Leere Herzen (Lege harten, Ambo/Anthos, A’dam, 2017) tekent Juli Zeh een dystopisch Duitsland dat door Rechts wordt geregeerd. Het leest als een reactie op Houellebecq’s Soumission.

Is er nog hoop in Donker Duitsland?

Neo-links, separatisten, rechts-radicalen. Waarom zijn nationalisme en extremisme in opkomst? De nieuwe roman van Juli Zeh geeft ons duidelijke antwoorden: het zijn niet de kiezers van populistische partijen die verantwoordelijk zijn voor de toenemende radicalisering die binnen de EU-landen te zien is. De Democraten zijn schuldig. De schuld ligt bij degenen die ontsnappen aan hun woede door te ontsnappen in onverschilligheid. Het is de schuld van de onprincipiële burgers die, als ze moesten kiezen tussen hun wasmachine en hun stemrecht, hun wasmachine zouden kiezen.

Mensen als Britta zijn de schuldige. De nihilistische hoofdpersoon uit Leere Herzen heeft ervoor gekozen om mee te bewegen met de tijd in plaats van zich tevergeefs vast te klampen aan traditionele idealen. We schrijven het jaar 2025. Merkel heeft al lang ontslag genomen en de zogenaamde “Bezorgde Burgerbeweging” is nu aan de macht. Ze neemt vrolijk het ene efficiëntiepakket na het andere aan: het Europese federalisme staat op het punt te worden afgeschaft, de Verenigde Naties worden ontbonden en de bevoegdheden van de politie, de inlichtingendienst en de nationale overheid worden voortdurend uitgebreid. Uit de de radio klinkt: “Full Hands Empty Hearts / It’s a Suicide World Baby.” Democratisch Duitsland, zoals wij het kennen, behoort tot het verleden in Zeh’s dystopie.

Het is een Suicide World Baby

Binnen dit gefragmenteerde Europa ziet Britta maar één mogelijkheid: de “collectieve reis naar de ondergang” voortzetten. Samen met haar vriend Babak richtte ze het bedrijf Die Brücke op. Met behulp van een algoritme zijn de twee op zoek naar suïcidale mensen die geschikt zijn voor Britta’s zelfontwikkelde, twaalftraps therapieprogramma. Degenen die nog steeds zelfmoord willen plegen na psycho-testen, ziekenhuisopname en waterboarding worden overgedragen van Die Brücke naar een terroristische organisatie en krijgen zo de kans om de wereld te verlaten als een nuttige zelfmoordterrorist. Het maakt niet uit wat het doel is van de betreffende organisatie waarnaar Britta een kandidaat overbrengt. De Islamitische Staat is evenzeer een klant als Green Power, een milieuorganisatie die stelt dat “zonder menselijkheid, de planeet veel beter af zou zijn”.

Het acuut slechte geweten

Dan vindt een moordpoging plaats op de luchthaven van Leipzig, uitgevoerd op zo’n domme manier als het nooit zou gebeuren met Die Brücke. Geen van Britta’s klanten wil aan de touwtjes trekken. Een man met snor, genaamd Guido Hatz – een griezelige figuur die misschien is voortgekomen uit een verhaal van E.T.A. Hoffmann – komt het leven van de hoofdpersoon binnen. Hatz, een multimiljonair geogenezer, een soort natuurgenezer die hoopt”mens en aarde te verzoenen” met zijn werk, wil investeren in de start-up van Britta’s man. Maar waarom verschijnt Hatz midden in de nacht bij Britta’s huis? Schaduwt hij haar? De onderneemster staat op het punt te geloven dat ze gek wordt, en de mysterieuze amateurdokter brengt een bezoek aan de praktijk: “Geef jezelf een pauze. Alles komt wel goed”, bedreigt hij haar. Waarom hij zo geïnteresseerd is in een time-out van Die Brucke laat hij in het ongewisse.

Is Hatz gewoon een esoterische gek? Of kan het echt zijn dat hij investeert in een concurrennd bedrijf dat Die Brücke uit de markt wil duwen? Heeft Hatz wel iets te maken met de dilettante aanval op de luchthaven van Leipzig? Meer en meer, lijdt Britta “aan het gevoel deel uit te maken van een puzzel die partout niet zinvol wil zijn”. De misselijkheid waar ze al enige tijd last van heeft, wordt Britta’s constante metgezel.   

Regenboogkleurige constructie, onopvallende taal

Opnieuw is Zeh erin geslaagd haar slimme gedachten over de tegenstellingen in onze samenleving op zo’n literaire manier samen te brengen dat er een spannende roman uit ontstaan is. Leere Herzen is het Duitse equivalent van Michel Houellebecq’s dystopische werk Soumission.  In Zeh’s versie, waren het echter niet de islamisten maar de nationalisten die de slag om de macht wonnen. Zo experimenteel als Zeh’s romanconstructie is, zo laf is de taal en het verhaal van het werk. Zeh is in Leere Herzen nog zuiniger met retorische middelen dan in haar gevierde dorpsroman Unterleuten (o.a. bewerkt tot 3-delige tv-reeks voor ZDF, BK). Daarnaast heeft de roman een snel verteltempo en veel dialogen. Soms vraagt men zich af waarom de auteur haar idee niet direct als drama of scenario heeft geïmplementeerd.

Natuurlijk heeft Zeh bewust gekozen voor taalkundige eenvoud en filmische verhalen, omdat ze passen in het genre van de roman. Dit onderscheidt haar: ze is de kameleon van de Hedendaagse Duitse literatuur, omdat ze haar stijl telkens aanpast aan het verhaal en deze daardoor erg varieert. Dat verandert echter niets aan het feit dat Leere Herzen er daardoor stilistisch ongeïnspireerd uit komt.  

Een pamflet vermomd als een conventionele thriller

Juli Zeh heeft deze roman een zeer speciale opdracht meegegeven: “Daar. Dat is hoe je bent,” staat vet en gecentreerd op een van de eerste pagina’s. Leere Herzen is een pamflet gericht tegen ons allemaal, vermomd als een conventionele thriller. Maar er is nog hoop. Tegen het einde van de roman, wanneer alles verloren lijkt, realiseert Britta zich dat ze nooit helemaal haar principes en overtuigingen heeft verloren. “Binnen gaat een luik open, waarachter een grote donkere kamer schuilt, waar ze lange tijd niet in is geweest. Ze stelt zich een bord-je voor naast het luik: ‘Principekamp – toegang alleen voor rechthebbenden!’ Ze heeft zichzelf er altijd van overtuigd dat deze ruimte helemaal leeg was, dus was er geen reden om af en toe eens door de bestanden te bladeren.”

Britta’s misselijkheid blijkt een uiting te zijn van haar onderdrukte slechte geweten. Aan het einde van deze dystopie knippert Juli Zeh voor ons lezers toch nog een schemerlichtje van hoop aan: Onze harten zijn helemaal niet leeg – we zijn alleen gestopt met luisteren naar onszelf. Net als Britta, kunnen we terugkeren naar onze persoonlijke kampen van principes en eindelijk beginnen op te komen voor onze overtuigingen.  Dus wat zal het zijn – stemrecht of wasmachine?

Met dank aan ‘Die Zeit’

Wiskunde en corona: waarom we best een pact sluiten met onze 4 vertrouwelingen – Filip Moons in Knack

Enkele heel eenvoudige voorbeelden tonen al aan dat het snel kan mislopen als we de regels te los interpreteren’, schrijft wiskundige Filip Moons, die de moeilijkheden met de versoepelde coronamaatregelen uitlegt aan de hand van de grafentheorie.

Foto door Miguel Á. Padriñán op Pexels.com

Dit artikel bespreekt een heel eenvoudig voorbeeld van menselijk contactnetwerken. Veel verspreidingsaspecten werden noodgedwongen weggelaten om het artikel toegankelijk te houden (zoals de connecties van mensen die gaan werken, de verschillende kansen van overdracht bij een toevallige ontmoeting in een supermarkt versus structurele vriendschapsafspraken, verschillende intensiteit en frequentie van de afspraken…). Toch tonen deze sterk vereenvoudigde modellen van de werkelijkheid al aan dat het snel kan misgaan als we de langverwachte versoepeling te ruim interpreteren.

Nu we elkaar in bubbels van 4 mensen mogen ontmoeten, houden veel mensen hun hart vast: gaan we zo niet eigenhandig een tweede epidemiegolf organiseren? En welke verantwoordelijkheid dragen de belhamels die zich niet aan de regels houden? Dit soort vragen worden al jarenlang door wiskundigen bestudeerd in de grafentheorie: of het nu over de verspreiding van een vette roddel gaat, het viraal gaan van tweets, het vinden van een ideale organisatie van het openbaar vervoer of het doorgeven van het coronavirus aan vrienden, grafen bieden een intuïtieve manier om al deze situaties te modelleren. Enkele heel eenvoudige voorbeelden tonen al aan dat het snel kan mislopen als we de regels te los interpreteren.

De ideale situatie: iedereen houdt zich aan de regels.

Grafen zijn in essentie eigenlijk een verzameling knopen en bogen die we grafisch makkelijk kunnen voorstellen als een netwerk. In ons geval zijn de knopen mensen en stellen de bogen een frequent contact voor. Zelf een graaf maken van jouw vier vertrouwelingen is dus erg simpel: je schrijft je naam, evenals die van je vier uitverkorenen en vermits jullie nu met elkaar intens gaan afspreken, trek je lijntjes.

Stel, we hebben een bevolking van slechts 15 personen en iedereen interpreteert de regels erg strikt. Iedereen kiest dus 4 personen en elk groepje zweert absolute trouw aan elkaar: er wordt enkel binnen de groep afgesproken.

afbeelding: filip moons

Dat levert een onsamenhangende graaf op: er zitten drie onafhankelijke clusters in. Dat is ideaal om verspreiding tegen te gaan: stel dat Bert besmet raakt met Covid-19, dan zal hij binnen zijn eigen cluster mensen kunnen besmetten, maar het zal hoe dan beperkt blijven tot zijn bubble. Het is echter héél eenvoudig om een volledig samenhangend netwerk te bekomen: als één iemand uit het gele en blauwe groepje begint af te spreken met iemand uit het rode groepje, is het netwerk al volledig geconnecteerd. Stel dat Elio en Zohra beginnen afspreken en Sacha en Saartje doen hetzelfde, dan krijgen we dit:

afbeelding: filip moons

Hoe veilig is dit netwerk in het kader van de verspreiding van virussen? Daar zijn binnen de grafentheorie verschillende maten voor, een heel bekende is de diameter: de langste afstand die bestaat tussen twee personen. Zo is de afstand van Elio tot Zohra 1 (je moet minimaal 1 boog doorlopen om beide knopen met elkaar te verbinden), de afstand van Bert tot Sophie 3 (tussenstop via Elio en Zohra), de afstand van Raf tot Inge ook 3, maar de afstand van Axel tot Inge is 5 (tussenstop via Elio, Zohra, Sacha, Saartje).

De diameter ken je misschien al van de hypothese van de ‘zes graden van verwijdering’: moesten we niet afspraakjes in Covid-tijden aan het modelleren zijn, maar het wereldwijde netwerk waarbij er een boog wordt getrokken van zodra mensen elkaar kennen, dan luidt de hypothese dat elke willekeurige wereldburger verbonden is met elke andere willekeurige wereldburger via hoogstens 5 tussenpersonen (en dus 6 bogen).

Hoewel de diameter een interessante maat is, moeten we er vooral voor zorgen dat onze intense contacten zo geclusterd mogelijk blijven. De clusteringscoëfficiënt van een persoon kan je berekenen door te gaan kijken hoe geconnecteerd hun vertrouwelingen zijn. Bekijken we bijvoorbeeld de clusteringscoëfficiënt van Axel, dan zien we dat die 4 vertrouwelingen heeft: Bert, Elke, Elio & Ellen. Binnen zo’n groepje van 4 vertrouwelingen kan elke vertrouweling potentieel een connectie maken met de 3 andere vertrouwelingen, wat neer komt op 4*3 = 12 connecties.

We hebben echter dubbel geteld: in ons geval spreek je samen af en als Ellen pakweg een connectie maakt met Elke, dan maakt Elke ook een connectie met Ellen. We moeten dus 12 nog door 2 delen: binnen een groepje van 4 vertrouwelingen zijn er dus 6 mogelijke connecties. Als we alle bogen tussen Bert, Elke, Elio en Ellen tellen op bovenstaand schema, zijn dat ook 6 bogen. Dat is dus 6 op 6: alle mogelijke vertrouwsbanden zijn tussen de vertrouwelingen van Axel effectief gesmeed, Axel heeft een clusteringscoëfficiënt van 100%. Willen we nu de clusteringscoëfficient van Elio berekenen, dan moeten we gaan kijken hoe zijn vertouwelingen Ellen, Axel, Bert, Elke & Zohra onderling verbonden zijn.

Binnen zo’n groepje van 5 vertrouwelingen kan elke vertrouweling potentieel een connectie maken met de 4 andere vertrouwelingen. Dan komt neer op 5*4 = 20 connecties. We hebben opnieuw dubbel geteld en moeten dus nog 20 door 2 delen: binnen een groepje van 5 vertrouwelingen zijn er dus 10 mogelijke connecties. De vertrouwelingen Ellen, Axel, Bert en Elke zijn allemaal met elkaar verbonden wat 6 connecties oplevert (tel het aantal bogen in bovenstaand schema), Zohra is met niemand van de andere vertrouwelingen verbonden. In totaal zijn er dus 6 connecties op 10 mogelijke connecties, de clusteringscoëfficient van Elio bedraagt zo slechts 60%. Hij betaalt dus een zware prijs voor zijn extra connectie met Zohra.

Willen we nu naar de clusteringscoëfficiënt van het hele netwerk gaan kijken, dan nemen we gewoon het gemiddelde van alle clusteringscoëfficiënten: 4 personen (Elio, Zohra, Sacha & Saartje) hebben allen een clusteringscoëfficiënt van 60%, 11 personen houden zich prima aan de regels en gaan voor een clusteringscoëfficient van 100%. Gemiddeld hebben we dus 89% clustering. Hoe hoger deze clusteringscoëfficiënt van het hele netwerk, hoe beter: hoe dichter deze bij 100% ligt, hoe meer het netwerk verbrokkeld is in onafhankelijke clusters. Als het virus in één van deze clusters opduikt, is de kans groot dat de besmetting binnen de cluster blijft.

Merk op dat ons verhaal niet volledig is: de clusteringscoëfficiënt kan ook 100% blijven als je met meerdere mensen afspreekt die allemaal onderling verbonden zijn, ook al zijn er dat meer dan 4. Als je echter clusters maakt van 8 mensen, dan verdubbel je wel het aantal mensen dat je kan besmetten binnen een cluster, dus ook de beperking tot 4 personen is niet uit de lucht gegrepen.

Het zorgwekkende is: het is heel gemakkelijk om de clusteringscoëfficiënt van het hele netwerk verder naar omlaag te halen. Stel iedereen houdt zich nog steeds vast aan het getal 4, maar iedereen interpreteert de regel zo dat hij 4 avonden in de week met één iemand afspreekt. In het meest extreme geval houden de 4 vertrouwelingen van een persoon onderling nooit een afspraakje met elkaar en krijg je bv. volgende graaf:

afbeelding: filip moons

Ook deze graaf is samenhangend, de diameter is slechts 3 (de langste afstand tussen twee personen) maar de clusteringscoëfficiënt van iedereen is 0: niemand heeft vertrouwelingen die ook onderling afspreken! Het netwerk is zo helemaal niet meer geclusterd en ook de diameter is danig klein dat je zo virussen wel erg veel plezier doet: het virus zal niet meer binnen een cluster blijven, want er zijn er gewoon geen.

Conclusie: maak een pact met 4 mensen. Zweer trouw aan elkaar en zie elkaar zoveel als jullie willen. Probeer intense afspraakjes met mensen die daarnaast op hun beurt met andere mensen afspreken zoveel mogelijk te mijden want zo haal je zowel je eigen clusteringscoëfficiënt als die van het hele netwerk naar omlaag. De enige die daarbij iets te winnen zou hebben is het virus.

Filip Moons is FWO-aspirant in de wiskundedidactiek en lerarenopleider Universiteit Antwerpen.

Www.info-coronavirus.be: Vragen en antwooorden: Wie mag ik uitnodigen/ bezoeken?

Met warme hoffelijkheid doorgaan met wandelen en fietsen in coronatijden

De weg laat me telkens weer op adem komen, hetzij al fietsend of al wandelend. De zonnige dagen lokken velen naar buiten. Het is dan goed opletten geblazen dat de fysieke afstand bewaard wordt en er geen conflicten ontstaan zoals bijvoorbeeld op het jaagpad langs het kanaal waar fietser en wandelaar mekaar beginnen te schofferen. Sinds dat jaagpad de Fietssnelweg 8 geworden is, zoeven de wielrenners en fietsers op pedelecs de tragere fietsers en argeloze wandelaars voorbij terwijl ze vinden dat die laatsten er niet thuis horen en #inhunkot moeten blijven. De politie patrouilleert er en ook officiële op het pad gekalkte waarschuwingen als ‘Het jaagpad is er voor iedereen!’ manen tot voorzichtigheid en hoffelijkheid.

Om drukte te vermijden koos ik gisteren het andere, nog niet helemaal geasfalteerde jaagpad langs datzelfde kanaal en dook er al fietsend het bos de Spoelbergh in naar het centrum van Wespelaar, deelgemeente van Haacht. Vandaar maakte ik een wandeling door het Haachts Broek. In de wintermaanden is het er vaak te drassig en de vlonderpaadjes zijn, zoals ik constateerde, niet overal in goede staat, ja, zelfs wat gevaarlijk. Gelukkig word je daarvan tijdig verwittigd en kun je er, bij dit droge weer, goed naast wandelen.

Toen ik bij het infobord over het Herdenkingsbos van Wespelaar was aangekomen, bijna het einde van de wandeling, sprak een wandelaar (op meer dan 1.5 m afstand) me aan. Ik kreeg een bijzonder persoonlijk, confronterend en indringend verhaal te horen over ‘oorlog en vrede’ in onze dagen, over hoe oorlog ver weg soms schrikwekkend nabij kan komen in iemands leven.

Het bos bestaat uit achttien soorten bomen en struiken waaronder: de wintereik, de winterlinde, de zwarte els en de schietwilg, de gladde iep, hulst, boskers en de Europese vogelkers.

Eén winterlinde heeft een speciale functie, het is een vredesboom. Linden stonden vroeger symbool voor het vrouwelijke in de natuur. Volgens de Germanen woonde Freya, godin van de vruchtbaarheid, liefde en gerechtigheid, in de linde. Wanneer de Germanen, zo rond het begin van onze jaartelling, een nieuwe nederzetting stichtten, zochten ze eerst een plek voor een linde. Pas daarna bouwden ze hun hutten, liefst rond de boom.

Wespelaar heeft zwaar geleden tijdens de Eerste Wereldoorlog. Niet enkel soldaten, maar ook burgers kwamen om het leven. Ook vandaag is er ergens in de wereld wel een oorlog. Oorlog brengt pijn, verdriet, woede en machteloosheid met zich mee. Met het bos herdenken we de Eerste Wereldoorlog en de slachtoffers. – infobord

Op deze herinneringsplek ging het verhaal mijn hoofd maar vooral mijn hart in en ik vroeg me af hoe de wandelaar het allemaal overleefd had. Zijn verhaal was een levende getuigenis van wat het infobord de voorbijganger te lezen en te overdenken gaf.

Bereikbaar met OV – NMBS-station: Wespelaar-Tildonk

Bron: Haachts Broekwandeling – Haacht (Wespelaar) – Wandelroute

%d bloggers liken dit: