Servaaslegende – Hendrik van Veldeke 1170-1180

In ons gehucht bevindt zich een oude kapel gewijd aan de Heilige Servatius, volgens de overlevering de laatste bisschop van Tongeren en de eerste van Maastricht of ook de eerste historisch verifieerbare bisschop in de Nederlanden uit de 4de eeuw. Hij is de patroonheilige van Berg (deelgemeente van Kampenhout). Naamfeest 13 mei. Zijn attributen zijn de bisschopsstaf en de sleutel.

Onze Middelnederlandse literatuurgeschiedenis bevat een werk uit de 12de eeuw gewijd is aan deze heilige. Het is van de hand van Hendrik van Veldeke. Veldeke is afkomstig uit het Maasland, uit de omgeving van Hasselt in Belgisch Limburg. In die streek treffen de Nederlandse en Duitse taal en cultuur elkaar en in Veldekes tijd bloeiden hier de kunst en de economie. Veldeke was een ontwikkeld man en hij kende goed Latijn en Frans. Hij schreef een heiligenleven over Sint-Servaas (de Servaaslegende ) in zijn moedertaal, het Limburgs. Hij is de oudste bij naam bekende Nederlandse schrijver. Zijn werk is onderdeel van een internationaal literair netwerk en o.a. zijn hoofse minnepoëzie was zeer geliefd aan de adellijke hoven.

De Servaaslegende van Hendrik van Veldeke is een opeenstapeling van wonderbaarlijke zaken. Althans zo kijken wij, nuchtere een-en-twintigste-eeuwers, tegen de verhaalde gebeurtenissen aan. Wij nemen die beschrijvingen met een korrel zout, maar in de Middeleeuwen werden heiligenlevens onvoorwaardelijk voor waar gehouden, zeker wanneer deze op een Latijnse voorbeeld waren gebaseerd. Hendrik van Veldeke kon zich beroepen op een Latijnse bron, de Vita Sancti Servatii (Het leven van Sint Servaas), die beschikbaar werd gesteld door ene Hessel, koster-bibliothecaris van de Servaaskerk in Maastricht.

De Servaaslegende is een vertaling-in-verzen van een Latijnse prozatekst. Veldeke maakte deze vertaling op verzoek van Agnes, echtgenote van de graaf van Loon. Zo’n opdracht betekent in feite dat de gravin de auteur in staat stelde zijn werk te doen: ze gaf hem kost en inwoning, zorgde voor schrijfbenodigdheden en gaf hem wellicht ook nog een extra beloning (in geld of in natura: bijvoorbeeld kleren of wijn).

De Servaaslegende bestaat uit twee delen.

In het eerste deel wordt beschreven hoe Servaas, een achterachterneef van Jezus, door God als bisschop naar Tongeren wordt gezonden. Omdat de Hunnen West-Europa onder de voet dreigen te lopen, wordt Servaas naar Rome gezonden in een laatste poging het onheil af te wenden. In een visioen ziet Servaas Petrus verschijnen die hem meedeelt dat Tongeren ten onder zal gaan. Na zijn terugkeer vertrekt Servaas naar Maastricht waar hij zijn laatste adem uitblaast.

In het tweede deel doet Veldeke eerst uit de doeken welke puinhopen de Hunnen aanrichtten. Vervolgens beschrijft hij een groot aantal wonderen die God ter ere van Servaas heeft laten plaatsvinden. Een van die wonderen is het volgende:

Nu kunt u nog een mooi verhaal horen! De keizer (Keizer Hendrik III van het Heilig Roomse Rijk) liet zeer kundige goudsmeden ontbieden. Hij groette hen vriendelijk en nam ze aan zijn hof op; hij vertelde hun dat hij een gouden borstbeeld wilde laten maken. Moge God me dit toestaan, want ik begeer niets anders! De goudsmeden antwoordden dat ze de opdracht met liefde aannamen, mits Gods Zoon en de goede Sint-Servaas hun dit vergunden. Omdat de keizer het graag wilde, kwamen ze aan zijn wensen tegemoet. Het goud werd afgewogen en de mannen togen aan het werk. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat waren ze bezig, waarbij Sint-Servaas hun behulpzaam was. Tenslotte was het borstbeeld af. Het was – zo vertelt ons de vita – prachtig: neus, mond, kin en keel waren perfect; alleen de ogen, die van edelstenen gemaakt waren, stonden scheef. De goudsmeden meenden dat de ene steen kleiner was dan de andere, en daarover waren ze hogelijk verbaasd, want ze waren precies even groot. Met goede moed haalden ze de stenen eruit om ze er beter in te zetten, want ze vreesden de keizer. Maar toen ze dat gedaan hadden, stonden de ogen weer net als daarvoor: het ene keek omlaag, het andere omhoog. De goudsmeden voelden zich ongelukkig en het werd hun zwaar te moede. Ze konden er echter niets aan doen; het was zonneklaar dat Sint-Servaas tijdens zijn aardse leven scheel was geweest; daarom was dit gebeurd Toen wilde de keizer het borstbeeld zien. Zodra hij de ogen zo scheef zag staan, liet hij de goudsmeden in de boeien slaan en dreigde hen met zware straffen. Ten onrechte wierp men hen in een kerker. Terwijl de goudsmeden ’s nachts in de gevangenis zaten, verscheen Sint-Servaas aan de slapende keizer, zodat deze hem goed kon zien. Vriendelijk sprak hij hem toe: “Majesteit, je moet die arme goudsmeden niet langer kwellen. Laat hen met rust! Je moet het hun niet aanrekenen: zij hoeven toch geen boete te doen voor mij? Jij bent zeer verstandig: kijk me aan en zie hoe scheel ik ben. Daarom moet het borstbeeld dat naar mijn gelijkenis is gemaakt scheel zijn. Wees tevreden: de goudsmeden treft geen blaam. Laten ze profijt hebben van mijn scheelheid, en wees er niet bedroefd over.” Toen de koning dit gehoord had, liet hij, nadat hij was opgestaan, de goudsmeden uit de kerker halen. Als vergelding voor het aangedane onrecht stelde hij hen op royale wijze schadeloos en overlaadde hen met prachtige geschenken, zodat ze blij en opgelucht van het hof vertrokken.  

Bron: Hendrik van Veldeke: Servaaslegende. Vertaald door L. Jongen en C. Schotel. Maastricht 1993, p. 112-113.

Glasraam Sint-Servaas rechterzijde – Kerk Sint-Servaas (Berg)

HOE OUD IS SINT-SERVAASKAPEL?

Wie een plattegrond van de gemeente Berg bekijkt, moet tot zijn verwondering vaststellen, dat het dorp haast in tweeën wordt gesneden door de steenweg van Perk op Kampenhout, vermits het grondgebied aldaar slechts 800 m breed is, zodat het geheel eruit ziet als een reusachtig cijfer 8. Achter dit knelpunt liggen de wijken Bulsom en Heide, die zich de eeuwen door altijd een beetje afgezonderd hebben gevoeld en op eigen plantrekkerij waren aangewezen. Als men bedenkt dat de parochiekerk van Berg zich in vogelvlucht op meer dan 3 km afstand bevindt, is het haast vanzelfsprekend te noemen, dat ook op het gebied van godsdienstbeoefening een zekere vorm van zelfstandigheid is gegroeid.

De koorkant van het Sint-Servaaskapelletje is in witte zandsteen opgetrokken en blijkbaar veel ouder dan het bovengedeelte in brikken. Te oordelen naar het houten beeld van de heilige, dat zich eertijds in de kapel bevond en rond 1500 moet gesneden zijn, zou men in die periode de bouw van de eerste kapel mogen situeren.

Ook VERBESSELT was eenzelfde mening toegedaan: “Onze aandacht wordt hier getroffen door de Sint-Servaaskapel, gelegen te midden van de heide, op het kruispunt van de Mechelse banen uit Berg en Kampenhout. Zij is zeer oud, aangezien in de kapel een schoon Sint-Servaasbeeld van rond 1500 werd bewaard. Dat toont aan dat de kapel in die periode voornaam was. Haar ligging vooral doet ons denken aan de Sint-Veronekapel van Leefdaal, de Speltkapel van Merchtem, de Kruisborre van Asse, enz. Zij hoort tot dezelfde reeks. Nu kan men ze wel op rekening van de moederparochie schrijven, die dezelfde patroon heeft, en ze aanzien als een stichting vanuit Berg, om te voorzien in de zielenzorg van de verafgelegen bewoners.

Servaasviering – Kapel Sint-Servaas – Berg-Heide (2018)

Maar feit is dat er, zoals in de vernoemde kapellen, slechts éénmaal in het jaar mis werd gelezen tijdens het octaaf van Sint-Servaas en er nooit een beneficium of kapelanij werd aangehecht. In de bisschoppelijke taxatielijsten komt ze evenmin voor. Voor ons is ze geen stichting vanuit Berg. Zij moet minstens vergeleken worden met deze van Lelle. Zij behoort tot de reeks, die wij missiekapellen noemen en een litteken zijn uit de oudste periode van de christianisatie. Bewijzen hebben wij niet; er zijn evenwel zoveel gelijklopende aanduidingen, de ene ouder dan de andere, zoals hier de ligging aan de samenloop van twee Mechelse banen en de nabijheid van een Frankische hoeve met haar eigen bodemverkaveling, tevens beschikkend over een aantal goede beemden langsheen de Dodebeek”.

Uit het dekanaal verslag van 1735 vernemen we dat het bidoord voltooid werd ‘uit giften en offeranden van de baron en anderen’ (AAM., Vis. 1760). Op 4 mei 1736 werd er door aartsbisschop Thomas Philippus de Alsatia toestemming gegeven om er elk jaar een mis op te dragen, op de feestdag van St.-Servaas of onder het octaaf. Het onderhoud werd verricht uit de opbrengst van de offer, en wat overschoot kwam ten goede aan de parochiekerk (AAM., Vis. 1735-1739).

In 1839 werd de strook grond, gelegen aan het kruispunt van de Sint-Servaasstraat met de Kampenhoutsebaan, waarop zich de kapel bevindt, afgestaan aan de kerk van Berg, onder het herderschap van Petrus Joannes Coppens. De schenkers waren de gebroeders Polycarpus Decoster, koster te Elewijt, en Camille Decoster, notaris aldaar.

Het luiklokje, vroeger boven de ingang, is misschien even oud als de kapel zelf, maar het hoorde er oorspronkelijk niet bij. Het werd in 1570 te Leuven gegoten door Peeter van den Gheyn, ten behoeve van de Sint-Lambertuskapel op Lelle, waar het tot in 1906 ophing. Om de St.-Servaaskapel een sierlijker uitzicht te geven, wilde men er in 1946 een klokkentorentje opzetten, maar dit voorstel werd niet uitgevoerd. In 1953 werd het klokje naar de kapel overgebracht, waar het de mensen van Heide samenriep.

OUDE BEDEVAARTPLAATS

De omgeving van de kapel telt thans nog weinig echte heidegrond. Door de noeste arbeid van vele boerengeslachten, bekwam men er een vruchtbare bovenlaag, in de schaduwrijke stroken van de bossen van Perk, Elewijt en Hever. Vanuit die dorpen kwamen eertijds telkenjare processies op bedetocht naar de kapel van de Heide.

Oudere mensen weten nog te vertellen dat de twee herbergen, die het gehucht indertijd rijk was, dan volgepropt zaten met mensen. De uithangborden ‘In den Posthoorn’ en ‘In ’t Groene Veld’ verdwenen echter rond 1928, toen deze drankgelegenheden hun deuren sloten.

Eeuwenlang hoorde het tot de geplogenheden van de pelgrims, dat zij driemaal rond de kapel moesten wandelen, biddend om de kwade koorts van een zieke te laten wegnemen. Daarenboven bonden zij een lintje van de onderkleding van de patiënt aan de tralies van de kapeldeur. Dat gebruik werd in 1950 voor het laatst opgemerkt.

Uit een oud notitieboek van koster Joannes Quisthoudt, bijgehouden vanaf 1783, vernamen we dat op het feest van de heilige door deze kerkdienaar met een bel buiten de kapel werd rondgegaan, om de omstaanders te melden dat de mis ging beginnen. De man had dan echter al een heel karweitje achter de rug, dat hij in volgend sappig taaltje beschrijft:
” ’s Avonds voor St.-Servatius moet ik sien dat de kerck gewassen is en den troon van S. Serva-tius uijt setten en S. Servaes kleede ende stockken inden troon en de schoetel daerop den autaer, de antepene met die gouden ganoen op, die altijd de beste geweest is en den casuyvel daer ook van. Ts avonds beijaerden, nief keirsen op den autaer en is het saeken alsdat de keirs van S. Servaes niet gemaekt is op den feestdag, dan moet ik twee klijn kandelaers voor op den troon setten met elckeen keirs op en die onder de mis in brant doen”.

“Op St. Servaes dag woord de vroghe mis gedaen in de capel van S Servaes die woord geson-gen, die is gebeurt ten seven uren en dan moet ik ten ses uren den eersten keerluijden en op de half-ier in luijden, gelijk voor een ander mis, niet tincken als met de groote bel, als men gaet bellen dat dient voor het tincken nu, ik moet sorgen van eer men aengaen, van alle ornamenten gereet te hebben, wat den priester noeijdig heeft om mis te doen, want in de capel en is niet als de antepene daer en sijn geen dwelen, geen een spier lijnwaert en is er, soo ik moet sien van alles te hebben, tabellen en alles want daer en is niet”.

In 1953 kreeg de pastoor van Berg de toelating van het bisdom om elke zondag 2 missen te laten opdragen. Sedertdien kwam er veel volk naartoe, ook uit de Tuilstraat (Elewijt) en de Langestraat (Kampenhout).

Wegens het groeiend aantal landbouwbedrijven op deze uithoek van het grondgebied, werd er naderhand naar een nieuwe kapel uitgezien, groot 11 m op 9 m. Ze werd gebouwd aan de overzijde van de Kampenhoutsebaan en bood zitgelegenheid voor 125 kerkgangers. Ze werd op 18 augustus 1963 door Mgr. Schoenmaeckers ingewijd. De nieuwe kapel werd echter begin 2000 gedesaffecteerd, werd verkocht en werd een privaat woonhuis.

Nu de bedevaarten naar de kapel op de Heide definitief tot het verleden behoren, verminderde in dezelfde mate ook de opbrengst van de offerblok. Daarom werd hier van de vroegere ‘kerkmis’ naar een plaatselijke kermis overgeschakeld, die jarenlang rond Half-Oogst plaatsgreep, ten voordele van het onderhoud van de nieuwe kapel.

BRON: Heemkring Campenholt-Religieus erfgoedd-Kapellen in Berg, Buken, Kampenhout en Nederokkerzeel

Auteur: Blauwkruikje

Nature, fiction, theater, poetry, philosophy and art lover. Master of Germanic Philology - KULeuven - Belgium. Photo: Ostend (B) - Japanese Deep Sea Garden

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.

%d bloggers liken dit: