Mazzel tov – Margot Vanderstraeten

Mijn leven als werkstudente bij een orthodox-joodse familie

In gesprekken over de Palestijnse kwestie en het zionisme werd me een tijd geleden het boek Mazzel Tov, 2017 van Margot Vanderstraeten aangeraden. Het vond uiteindelijk de voorbije week zijn weg naar de huisbibliotheek. Een boek dat daar al eerder een plek had moeten vinden want het geeft een integere kijk in het leven en de cultuur van een orthodox-joods gezin uit Antwerpen.

In de jaren negentig geeft de auteur als werkstudente studiebegeleiding aan de kinderen van een orthodox­-joods gezin in de Antwerpse wijk waar de mensen pijpenkrullen, keppeltjes, zwarte pruiken en kousen dragen. Na een stroeve kennismaking met de ouders weet ze zich toch een plek te verwerven in het gezin, in weerwil van de verschillen met háár wereld qua leefregels, omgangsvormen en ideeën. Als haar taak erop zit, blijft het contact. Jaren later bezoekt ze de kinderen in Israël en de Verenigde Staten. Bij het optekenen van haar ervaringen gaat de schrijfster dieper in op het jodendom, de orthodoxie, maar ook haar gevoelens van afkeer en afweer soms. Tegenover begrip vanwege de Holocaust voelt zij onbehaaglijk onbegrip vanwege de Palestijnse kwestie. Tegelijk is ze eerlijk over de jaloezie die ze ervaart omdat joden een kosmopolitische gemeenschap vormen waar zij nooit bij kan horen. In feite draait alles om de vraag hoe wij in al onze diversiteit toch kunnen samenleven. Een goed te volgen boek over hedendaagse vraagstukken rond integratie en segregatie. Persoonlijk en interessant, zeker voor wie zich in het jodendom wil verdiepen. – NBD Biblion, Mirjam Scholten

In 2017 sleept het boek de E. du Perronprijs en de prijs voor het beste religieuze boek in de wacht. De recensies in de pers zijn stuk voor stuk lovend:

Vanderstraeten presteert met dit boek wat elke schrijver groot maakt: tonen hoe mooi en moeilijk het is om mens te zijn onder de mensen. Mazzel tov is een heel straf boek. – Filip Rogiers in De Standaard 21 april 2017

Het is de verdienste van de auteur dat ze binnen deze zo complexe materie van identiteit en traditie nooit de focus op de menselijke aspecten van ons samenleven in een multiculturele, diverse maatschappij uit het oog verliest. Mazzel tov (gefeliciteerd!) is niet alleen de titel van het boek, maar ook de correcte reactie op dit levensavontuur en het verhaal erover – De Reactor

Juist in Vanderstraetens eerlijkheid, in haar bereidheid om ook haar eigen vooringenomenheid onder de loep te nemen, schuilt de kracht van dit boek. – Atheneum

Meer weten over de auteur en haar werk : Margot Vanderstraeten

Een film met Sofia – Herman Koch

Lolita light

Vakkundig, maar vlak. Herman Kochs nieuwe roman is even vlug gelezen als vergeten.

Nadat Herman Koch vorig jaar (2020, BK) met Finse dagen zowat zijn persoonlijkste (en misschien wel beste) roman ooit afleverde, had de Nederlandse successchrijver van Zomerhuis met zwembad (2011) en Geachte heer M. (2014) overduidelijk zin in iets anders. Iets brutaler. In zijn nieuwe roman rekent de deeltijds in Barcelona verblijvende auteur genadeloos grappend af met de voltallige Nederlandse filmwereld, het massatoerisme en oude mannen die graag jonge meisjes bevaderen.

De bestverkopende auteur van Nederland zit met zijn voortjakkerende zinnen wel vaker de actualiteit op de hielen. Getuige daarvan het in meer dan dertig talen vertaalde Het diner (2009), over een zinloze geweldsuitbarsting van enkele jongeren met gegoede ouders. Toch wilde Koch met zijn nieuwe verhaal over een bejaarde regisseur die in de ban raakt van een tienermeisje naar eigen zeggen geen clichéverhaal uit het MeToo-tijdperk schrijven. Gelukkig, want uit Een film met Sophia blijkt vooral dat de 67-jarige schrijver aan die maatschappelijke discussie niet zo heel veel heeft toe te voegen. Ook over massatoerisme heeft Koch weinig te melden dat Ilja Leonard Pfeijffer niet eerder, uitvoeriger en breedsprakiger in Grand Hotel Europa behandelde.

Rest nog de Nederlandse filmwereld, waar cinefiel Koch (die nooit onder stoelen of banken heeft gestoken dat hij de adaptatie van Het diner niet bepaald tot een hoogtepunt van de zevende kunst rekent) nog een eitje mee te pellen had. De schrijver hakt er lustig op los. Het acteursgilde noemt hij ‘het meest verwende, zelfingenomen deel van de Nederlandse samenleving’ en leden van filmcommissies verdienen stuk voor stuk een kogel door het hoofd. ‘De kans dat die kogels ergens in die hoofden op één originele, eigen gedachte zouden stuiten, is te verwaarlozen.’ De verteller van Een film met Sophia is dan ook een losjes naar Paul Verhoeven gemodelleerde regisseur op leeftijd die geen blad voor de mond neemt. Al valt te vermoeden dat de zelf ook niet bepaald in schroomvalligheid uitblinkende Verhoeven doorgaans net iets minder wild gal spuwt.

Het is meteen het grootste bezwaar bij Kochs nieuwe roman. De auteur sluit zijn lezers op in het hoofd van een onsympathiek personage dat fantaseert over hoe hij een vaderfiguur voor de tienerdochter van een vriend kan worden terwijl hij voortdurend zit te jammeren over de subsidies voor zijn minder getalenteerde vakbroeders. Bij momenten krijg je het gevoel een eindeloos interview met Jan Verheyen te lezen. Nu hoeven romanpersonages uiteraard geen vrolijk fluitend door het leven huppelende goedzakken te zijn, maar bij andere schrijvers krijgt de lezer voor zijn verplaatsing in de geest van een politiek incorrecte zuurpruim met gevoelens voor minderjarigen doorgaans iets in de plaats.

RazeNde monoloog

Net wanneer je Kochs lightversie van Lolita, zo rond pagina 100, wilt wegleggen omdat de auteur jouw verplichte aanwezigheid in het hoofd van een fulminerende filmmaker weigert te belonen met een dieper maatschappelijk inzicht of enige talige uitbundigheid laat Koch de, toch al weinigzeggende, plot even voor wat hij is en verliest hij zich pagina’s lang op heerlijk komische wijze in een razende monoloog waarin alles van de Radetzkymars tot schansspringen en het operagebouw van Sydney een veeg uit de pan krijgt. In zulke passages komen de vaart en vaardigheid waarmee Koch zijn lezers door zijn ongekunstelde zinnen jaagt pas echt tot hun recht.

Herman Koch blijft een vakman die met voelbaar genoegen, zelfvertrouwen en een lekker vilein gevoel voor humor achter zijn schrijftafel kruipt. De manier waarop hij met zijn toegankelijke stijl tegen actuele thema’s aanschuurt, maken van hem de ideale schrijver voor lezers die zich graag wereldwijs tonen zonder teveel moeite te moeten doen op het blad. Dat je zinnen van Koch nooit tweemaal na elkaar hoeft te lezen, komt omdat ze met precisie zijn neergepend, maar ook omdat ze zelden ideeën bevatten waar je iets langer bij stil wilt staan.

Een clichéverhaal over MeToo is Een film met Sophia zeker niet geworden, maar echt beklijvende literatuur is het nu ook weer niet.

Bron: Sam De Wilde in De Standaard – 04 september 2021

Hoewel ik Finse dagen nog niet las, maar dat in de komende tijd wil gaan doen, kan ik wel stellen dat Sam De Wildes beoordeling van Een film met Sofia, 2021 mijn leeservaring volkomen bevestigt. Hopelijk stelt Finse dagen, 2020 minder teleur. – BK

The Divine Dance – Richard Rohr

The Trinity and your transformation.

Humanity, says Richard Rohr, is a perfect rhyme for what Christianity, trying to express the inexpressible, calls the holy trinity. This human dance we’re all in reflects a mysterious divine dance, one that we notice on our best days. Finding the sweet spot where contemporary science meets ancient mysticism, and theology meets poetry, The Divine Dance sketches a beautiful choreography for a life well-lived. In our joy or our pain, true life is always relational, a flow, a dance. (And was always meant to be.) —Praise by Bono, U21

“GINGER ROGERS did everything that Fred Astaire did. She just did it backwards and in high heels.” Ann Richards’s comment pertly reminds us that, though for some dance is a technically demanding occupation, for most of us dance is something we watch, a Strictly spectacle that we either enviously admire or watch at a wedding maybe, embarrassed, with clenched anatomy.

When it comes to imagining God, many envision a being “out there” somewhere, a similarly critical spec­ta­tor of the world with a par­ticular interest in morality. This being can quickly get sabotaged by unowned prejudices and then presented as our personal agenda’s convenient ambassador. Or some, giving up on the lack of traces to be found of such an objective and loving reality, conclude that God is nothing but a word used to externalise and ritual­ise the better parts of the human heart.

In this new book by the interna­tionally acclaimed writer Richard Rohr, with Mike Morrell, we are invited to stop thinking about God as a distant and slightly shifty human-spotter, or as an enchanted but untrue tale told by the weak or uncritical. God, for Rohr and Morrell, is not a panel judge of reality’s dance, nor some airy sprite in the universal arena of what is. God is the very dance itself: Trinity.

The authors begin by asking whether the idea of God as Trinity has been missing in action for about 17 centuries: “If Trinity is supposed to describe the very heart of the nature of God, and yet it has almost no practical or pastoral implications in most of our lives . . . if it’s even possible that we could drop it to­­­mor­­row and it would be a forget­table, throwaway doctrine . . . then either it can’t be true or we don’t understand it.”

They continue on the premise of the latter. Thankfully, they don’t set out to put us all in the right once and for all, but, approaching mys­tery not as something you cannot understand but rather as something you can endlessly understand, they seek to make a faithful contem­porary contribution to our feeble comprehension.

It is said that the political climate at the moment is such that if you’re not at the table you’re probably on the menu. The famous Rublev icon of the Trinity has three figures circ­ling a table, and, some say, there is a place at the front of the table where there used to be a mirror, so that you had a place at the table as well. The authors here argue, however, that history has focused on the sub­stance of things, including God, and we have failed to see that creation, including us, does not exist in isolated substances but only in relationship.

In a divinely created order, there is no such thing as a detached ob­­server. The energy in the universe is not in protons or neutrons, but in the relationship between them, and this is because “God is relationship itself.” All authentic knowledge of God is therefore participatory knowledge.

The image used constantly in these pages is that of God’s “flow”. Trying to make God love you is as pointless as trying to make a water­­fall wet. What St Bonaventure called God’s “fountain fullness” is unstop­pable, relentless, and free in its endless outpouring, and all as part of God’s search for “the deepest possible communion and friendship with every last creature on earth”.

The doctrine of the Trinity should never be dry. It should be drenched with the ocean of love in which we find ourselves. Like a net in the sea, we are ourselves con­­tained in God, even if we are not able to contain God’s full mystery in our limited minds and fractured hearts.

Language, too, is like water. If it isn’t moving, it becomes stagnant. For some, Rohr’s and Morrell’s writing will be suspiciously relevant to some modern thinking. Others will be grateful for fresh and reson­ant talk of an ancient beauty. Either way, here is an imaginative, pro­vocat­ive, and energised invita­­tion to be renewed in the Trinitarian faith of the God who is forever beyond, beside, and within.

Review by The Revd Mark Oakley, Canon Chan­­cellor of St Paul’s Cathedral. His The Splash of Words: Believing in poetry is published by Canterbury Press.

Source: Churchtimes.co.uk- June 9th 2017

  1. Rohr, Richard. The Divine Dance (p. 1). SPCK. Kindle Edition.

Eurotrash – Christian Kracht

auteur: Christian Kracht – vertaler: Peter Claessens

Recensies

‘Er was geen muziek en er waren geen films en geen literatuur, er was helemaal niets in Zwitserland, alleen maar de hunkering van de Zwitsers naar meer luxe, het verlangen naar sushi, kleurige sneakers en Porsche Cayennes en de aanleg van nog meer gigantische bouwmarkten in de woekerende agglomeraties.’

Het mag duidelijk zijn: de verteller, genaamd Christian Kracht, kijkt niet uit naar zijn tripje richting Zwitserland, die neutrale enclave die enkel op postkaarten bestaat. Maar zijn bejaarde moeder wil nog één reis met haar zoon maken, liefst naar Afrika om zebra’s te zien, maar een dagenlange taxirit is ook goed. Eerst liquideert ze haar aandelen in wapens – altijd een goeie belegging – en daarna wil ze haar fortuin uitdelen aan wie het maar hebben wil. Terwijl ze op de achterbank flessen wodka soldaat maakt en barbituraten snoept, vertellen moeder en zoon elkaar verhalen. Over haar vader die IJslandse au pairs tot sm dwong, over de kunstneus van Roald Dahl, over die keer dat Kracht minister Joschka Fischer tegen de grond gooide. Elke lach telt om de droefenis op afstand te houden. Liefhebbers van Bret Easton Ellis en en Michel Houellebecq zullen zich thuisvoelen in de zwarte wereld van Kracht, die met dit grimmige antireisverhaal een bestseller scoorde in Duitsland. Elegant geschreven, duister, en soms ontroerend goed, dit literair staaltje Vantablack. – Roderik Six in Knack, 1 december 2021, ****

Kracht wil afrekenen met de upper class waar hij zelf uit voortspruit en doet dat door alle ranzigheid uit te vergroten, tot en met het volle stomazakje van zijn moeder dat te pas en te onpas vervangen moet worden. Het snobisme van de culturele elite wordt te kijk gezet. Kracht strooit met begrippen als de spektakelmaatschappij van de Franse situationist Guy Debord, om later te bekennen dat hij er niks vanaf weet en alleen maar wilde op­scheppen. Ook met zijn rol als verteller veegt hij de vloer aan: honend vraagt zijn moeder of hij met hun uitstapje een of andere catharsis wil ­bewerkstelligen.

Eurotrash werd bewierookt in de Duitse pers en voor tal van prijzen genomineerd. Het boek sluit aan bij een traditie die ook terug te vinden is in het werk van een theatermaker als René Pollesch: heilige huisjes op een ­groteske manier omver schoppen en zo de ­hypocrisie blootleggen. – Karen Billiet in De Standaard, 31 december 2021,***

Kracht — weleens de Duitse Houellebecq genoemd — is fenomenaal in het puntig neerzetten van tragikomische scènes met spijkerhard cynisme, waar vreemd genoeg finaal een onvatbaar soort tederheid uit opwelt. Als lezer heb je net als verteller ‘Christian’ in eerste instantie een afkeer van die betweterige moeder, om haar dan toch in de armen te sluiten als een onvergetelijk personage. De wederzijdse versmading slaat bij flitsen om in weemoedige liefde. Prachtig is dat nietszeggende, grappige gekissebis, dat elkaar om de oren slaan met citaten van Flaubert, Talleyrand of Camus, net als die anekdotes over de wassen neus van Roald Dahl of de scheve tanden van David Bowie.

Kracht zet het genre van de autofictie uiterst slim naar zijn hand, knipogend naar literaire voorgangers of naar zichzelf als ‘verwend kreng’. Hij laat ons verdwalen in het niemandsland tussen waarheid en fictie. De drek druipt meermaals van de pagina’s: het is de trash én huichelachtigheid van de vorige generaties. Geen wonder dat de zoon onderweg regelmatig eigenhandig de volle stoma van zijn moeder moet vervangen. – Dirk Leyman in De Morgen, 8 januari 2022, ****

Het geknetter in de sterren – Jón Kalman Stefánsson

Het geknetter in de sterren is een roman die Ijslands bekendste auteur Jón Kalman Stefánsson reeds in 2003 schreef maar die pas in de lente van 2021 door uitgeverij Ambo|Anthos in het Nederlands werd uitgegeven in een vertaling van Marcel Otten.

Wanneer een zevenjarige jongen zijn moeder verliest, is het verdriet groot. Op een dag stapt er een vrouw uit de slaapkamer van zijn vader en maakt ontbijt voor hem. De vrouw gaat niet meer weg en wordt zijn stiefmoeder. De band tussen de twee verloopt stroef. De stiefmoeder is een autoritaire vrouw van weinig woorden. De jongen is vaak eenzaam, maar vindt troost bij zijn tinnen soldaatjes. Een bont gezelschap aan vrienden en bekenden rondom de flat waarin hij woont zorgen voor de nodige spanning in zijn leven. In deze roman wordt de lezer meegenomen in het leven van vier generaties van een IJslandse familie. De jeugd van de jongen, de markante overgrootvader die door zijn overmatige alcoholgebruik zijn gezin regelmatig naar de rand van de afgrond loodst en een bijzonder liefdesverhaal voeren de boventoon.1

Het is een roman die om slow reading vraagt omwille van de poëtische, fantasierijke taal en die hoofdzakelijk vanuit het vertelperspectief van een zevenjarige jongen wordt verteld. Over vier verhaaldelen lopen achttien hoofdstukken die elk uit korte subhoofdstukken zijn samengesteld met titels die de lezers aandacht en nieuwsgierigheid op scherp stellen (De schaar, Overgrootvader, Alsof iemand haar vergeten heeft, De macht van het zwijgen, …). Door de verschillende Ijslandse plaats- en persoonsnamen wordt het soms wel moeilijk om zowel plaatsen als personen – slechts buitenstaanders dragen namen, familieleden steevast ‘de moeder’,’de stiefmoeder’, ‘de overgrootmoeder’, ‘de opa’, ‘de oud-tante’ … – uit elkaar te houden. Dat de roman autobiografische trekken heeft, wordt ook duidelijk als Stefánsson op zijn persoonlijke familie-en voornaam toespelingen maakt in het verhaal (hij heet natuurlijk Jón, een onbeduidender naam kun je nauwelijks hebben). Hij kruipt helemaal in de gevoels- en gedachtenwereld van de jongen en weet op treffende wijze de emotie door het verlies op jonge leeftijd van ‘de moeder’ weer te geven. De tinnen soldaatjes, de Britse en de Duitse, worden regelmatig in stelling gebracht, zijn helpers bij huiswerk, troosters wanneer die emoties zich aandienen vb. bij het verschijnen van ‘de stiefmoeder’ op een ochtend uit vaders slaapkamer. Van deze noordelijke Ijslandse weet de auteur heel nauwkeurig de zwijgzame ingekeerdheid en stugheid via de gedachten van de jongen ‘in de taal te trekken’.

Rode draad is de verhaallijn van de overgrootouders, en van de overgrootmoeder die een verhouding begint met een kapitein waar grootvader, -oom en -tantes pas ten volle weet van krijgen op het ogenblik dat overgrootmoeder overlijdt.

In het twaalfde hoofdstuk, wanneer de verteller in 2002 inbreekt in de flat waar hij opgroeiede, vindt hij alles veranderd. De vader en de stiefmoeder zijn afwezig. Op een blaadje schrijft hij hen over zijn bezoek en dat hij op zoek was naar zijn thuis maar ‘ik vond alleen maar een appel, whisky en een cd.‘ En hij geeft zijn interpretatie van het woord thuis en vraagt of die klopt. ‘Ik weet het niet maar naar alle waarschijnlijkheid is thuis het meest duistere maar tevens het meest heldere woord van onze taal. We zouden het woord voorzichtig moeten gebruiken.

Het sterrenmotief doorspekt het hele verhaal. Ze verschijnen en verdwijnen aan de hemel. Zo worden ‘de vader’ en ‘de zevenjarige’ ‘twee sterren en ertussen een oceaan van duisternis’ zittend op de ‘knorrige’ rode sofa destijds door ‘de moeder’ aangeschaft.

Zes levens, hondervijftig jaar en een roodharige zeeman. Ik heb natuurlijk de hele taal uit de kast moeten halen om zo goed als het ging over hen te vertellen‘ zegt de verteller op het einde. En dat heeft Jón Kalman Stefánsson op poëtisch gevoelige, soms geestige maar vaak melancholische ondertoon (Het voelt als een vage maar diepliggende pijn) virtuoos gedaan.

  1. NBD Biblion L. Kester

Saša Stanišić onderzoekt zijn wortels in ‘Herkomst’- Saša Stanišić over ‘Herkunft’

Saša Stanišić (1978) vluchtte op zijn veertiende met zijn ouders naar Duitsland. Hij debuteerde in 2006 en schrijft verhalen, essays en romans. Met zijn vierde roman, ‘Herkunft’, won hij in 2019 de Deutsche Buchpreis. Afgelopen najaar bracht uitgeverij Ambo|Anthos ‘Herkomst’ uit, de Nederlandse vertaling van die roman, door Annemarie Vlaming. Karolien Berkvens – zelf ook auteur – stelde Stanišić per mail enkele vragen.

© Luchterhand/Ambo|Anthos
De Duitse cover van Herkunft en de Nederlandse cover van Herkomst.

Het is maart 2008. De schrijver Saša Stanišić moet voor de aanvraag van het Duitse staatsburgerschap zijn levensloop beschrijven. Riesenstress! Hij neemt pen en papier en noteert eerst maar eens zijn geboortedatum: 7 maart 1978. Het regende die dag in zijn geboorteplaats Višegrad. En verder? Hij maakt een tabel, dat kunnen ze bij de vreemdelingendienst vast waarderen, en vult gegevens in over zijn schooltijd in Joegoslavië en zijn studie Slavistiek in Heidelberg. Maar nee, een leven als een geordend lijstje, dat komt hem onbetrouwbaar voor. Telkens begint de schrijver opnieuw, maar met ieder antwoord ontstaan nieuwe vragen.
 
Het is oktober 2019. Bij de opening van de Frankfurter Buchmesse ontvangt Saša Stanišić de prestigieuze Deutscher Buchpreis voor zijn roman ‘Herkunft’. De jury looft de grote fantasie en onconventionele aanpak van de schrijver. Met ‘Herkunft’ geeft Stanišić op geheel eigen wijze een antwoord op de vraag, die hem sinds zijn vlucht naar Duitsland (1992) zo vaak is gesteld: waar kom je vandaan?
 
Herkomst, schrijft Stanišić in dit boek, is vaak slechts een constructie, een soort kostuum dat je voor eeuwig moet dragen. Daarom leiden beschrijvingen regelmatig tot gemeenplaatsen, tot Zugehörigkeitskitsch. En dat past noch bij zijn levensverhaal noch bij zijn schrijverschap.
‘Literatuur is voor mij alles, behalve eenduidigheid. Ook het onbegrijpelijke, begrijp ik beter, of laat ik eerder toe, wanneer ik het uit verschillende perspectieven kan bekijken of het verschillende stemmen verleen.’
 
In Herkunft verzamelt Stanišić niet alleen zijn eigen herinneringen aan zijn jeugd in Joegoslavië en zijn puberteit in een Duitse nieuwbouwwijk, maar ook die van zijn ouders – zijn moeder komt uit een familie van seculiere moslims, zijn vader is een Bosnische Serviër – en grootouders.

Sinds de Joegoslavische oorlogen leven de leden van zijn familie verspreid over de wereld, op grootmoeder Kristina na. Zij is altijd in Višegrad (Bosnië en Herzegovina) gebleven. Toen bij haar dementie vastgesteld werd, begreep Stanišić dat de tijd begon te dringen. ‘Terwijl zij meer en meer vergat, probeerde ik zoveel mogelijk over haar leven te weten te komen. Niet alles is voor mij begrijpelijk geworden, maar dat is niet erg. Het was ook een manier om dicht bij haar te zijn in haar laatste jaren.’

‘Herkomst is vaak slechts een constructie, een soort kostuum dat je voor eeuwig moet dragen.’

Zoals er in Kristina’s geheugen gaten ontstaan, zo laat ook Stanišić een zekere speelruimte in zijn boek toe. ‘De onbetrouwbaarheid van onze herinneringen en het verstrijken van de tijd zijn belangrijke thema’s in mijn teksten. Het verleden grijpt in het heden, dat op zichzelf bestaat uit een mozaïek aan verschillende gebeurtenissen die tegelijkertijd plaatsvinden. Zoiets laat zich niet in een lineaire vertelling vatten en daarom dwaal ik bewust af, speel ik met verschillende tijden, onderbreek en weerspreek ik mezelf. Literatuur is voor mij steeds een spel met verschillende variabelen, die ik, door middel van een hopelijk goed verhaal, met elkaar probeer te verbinden’, aldus Stanišić.

Het boek is niet alleen meermaals bekroond, het heeft ook ontzettend veel reacties losgemaakt. ‘Ik vind het heel mooi wanneer mensen die niets met Joegoslavië te maken hebben of die zelf geen oorlogs- of vluchtervaringen hebben, me vertellen dat ze die dingen door mijn boek beter begrijpen.’
 
Want voor Stanišić gaat dit verhaal niet alleen over het verleden. Het restrictieve Europese vluchtelingenbeleid vormde een belangrijke drijfveer tijdens het schrijven. ‘Ik schrijf over identiteit, grenzen en uitsluiting, onderwerpen waar vluchtelingen vandaag de dag ook mee te maken hebben en die een grote rol spelen in het huidige debat. Delen van deze roman zijn mijn persoonlijke, verhalende bijdragen daaraan.’
 
Uit eigen ervaring weet hij dat een behulpzame docent of een toeschietelijke beambte een wereld van verschil kan maken. Maar levensbepalende besluiten zouden niet van toevallige welwillendheid af mogen hangen, vindt Stanišić. ‘Mensenrechten moeten serieus genomen worden en zo snel mogelijk worden omgezet. Alles om dat te doen, is voorhanden.’
 
Zelf kreeg Saša Stanišić overigens in 2013 het Duitse staatsburgerschap.  1

1 . Duitslandinstituut.nl

___________________________________________

Een paar lovende recensies:

Praten over het conflict in ex-Joegoslavië is nog altijd aartsmoeilijk. Stanišić vertaalt dit heikele onderwerp in een persoonlijk verhaal dat tegelijk ontroert en aan het lachen brengt, en daarbovenop veel inzichten biedt. – Karen Billiet in De Standaard 21/11/2020

De blik van Stanišić is poëtisch, met gevoel voor het mythische en het melancholische. Zijn werk doet denken aan dat van andere Slavische rasvertellers van nu, zoals de Poolse Olga Tokarczuk en de Tsjech Jáchym Topol. ‘Een poëet en revolutionair’, noemde het maandblad Rolling Stone hem. Ook in Herkomst, het semi-autobiografische relaas van een ontheemde jongen, is Stanišić lekker op dreef. Dit ‘semi’ vanwege de fantasierijke herinneringen die hij laat doorsijpelen, maar tegelijk confronteert met de werkelijkheid die hij soms liever niet wilde zien. – Annemieke Hendriks in Trouw 31/10/2020

Een ontwikkelingsroman die laat voelen en doet inzien wat het betekent om je land te moeten ontvluchten wegens niets ontziende oorlogsterreur. Dat Stanišić dit moeilijke thema en deze moeilijke herinneringen tegelijk met zoveel lichtheid heeft weten te beschrijven is werkelijk buitengewoon. Dit boek is een absolute ‘must read’ in tijden waarin het oorlogsgeweld en de vluchtelingenproblematiek in Europa en bij uitbreiding op veel andere plekken in deze wereld nog steeds ‘hot issues’ zijn.- BK 16/7/2022

Antoine de Saint-Exupéry. De Kleine Prins tussen de mensen – Heizel – Brussel

On ne voit bien qu’avec le coeur. L’essentiel est invisible pour les yeux. – Le Petit Prince

Vergezel de Kleine Prins in Brussel en ontdek het spannende leven van zijn bedenker! Zo vangt de brochure aan die de bezoeker van deze tentoonstelling warm wil maken voor een biografische wandeling door het leven van Antoine de Saint-Exupéry, de auteur van dit alom bekende en vertaalde werk.

Het moet 1969 geweest zijn toen voor schrijster dezes dit werkje als verplichte lectuur voor het vak Frans gelezen diende te worden. Het feit dat we met een groepje oud-collega’s een bezoek hadden gepland aan de tentoonstelling, zette me ertoe aan het werk te gaan herlezen. De cover van het 96 pagina’s tellende boekje met originele tekeningen van de auteur was ondertussen al wat vergeeld, de sprookjesachtige spirituele inhoud echter verrassend actueel. Wat in die zestiger jaren vooral op het eerste niveau werd begrepen, kwam in de context van de huidige actualiteit, tot zijn volle filosofische betekenis.

De avontuurlijke heldhaftigheid van de auteur in WO II, die erg zakelijk en documentair (en met typisch Frans pattriotisme) uit de doeken wordt gedaan in de tentoonstelling, haalt ook de minder bekende visionaire humanist St. Exupéry naar voren die in zijn leven en werk spirituele waarden als liefde, trouw, vriendschap, solidariteit, verbondenheid, verantwoordelijkheid, schoonheid als bakens van hoop laat stralen. Het zijn waarden die met het huidige conflict tussen Rusland en Oekraïne weer brandend actueel zijn.

Scholieren uit de basisschool zullen het eerder zakelijke -documentaire gedeelte wellicht minder kunnen smaken maar voor 12-jarigen en ouder die De Kleine Prins gelezen hebben, is dit een boeiende wandeling door het leven van de auteur met in de eerste ruimte een introductie tot de inhoud van het verhaal en in de laatste een samenvattende audiovisuele immersieve beleving van De Kleine Prins.

Meer info: De Kleine Prins tussen de mensen

%d bloggers liken dit: