Antoine de Saint-Exupéry. De Kleine Prins tussen de mensen – Heizel – Brussel

On ne voit bien qu’avec le coeur. L’essentiel est invisible pour les yeux. – Le Petit Prince

Vergezel de Kleine Prins in Brussel en ontdek het spannende leven van zijn bedenker! Zo vangt de brochure aan die de bezoeker van deze tentoonstelling warm wil maken voor een biografische wandeling door het leven van Antoine de Saint-Exupéry, de auteur van dit alom bekende en vertaalde werk.

Het moet 1969 geweest zijn toen voor schrijster dezes dit werkje als verplichte lectuur voor het vak Frans gelezen diende te worden. Het feit dat we met een groepje oud-collega’s een bezoek hadden gepland aan de tentoonstelling, zette me ertoe aan het werk te gaan herlezen. De cover van het 96 pagina’s tellende boekje met originele tekeningen van de auteur was ondertussen al wat vergeeld, de sprookjesachtige spirituele inhoud echter verrassend actueel. Wat in die zestiger jaren vooral op het eerste niveau werd begrepen, kwam in de context van de huidige actualiteit, tot zijn volle filosofische betekenis.

De avontuurlijke heldhaftigheid van de auteur in WO II, die erg zakelijk en documentair (en met typisch Frans pattriotisme) uit de doeken wordt gedaan in de tentoonstelling, haalt ook de minder bekende visionaire humanist St. Exupéry naar voren die in zijn leven en werk spirituele waarden als liefde, trouw, vriendschap, solidariteit, verbondenheid, verantwoordelijkheid, schoonheid als bakens van hoop laat stralen. Het zijn waarden die met het huidige conflict tussen Rusland en Oekraïne weer brandend actueel zijn.

Scholieren uit de basisschool zullen het eerder zakelijke -documentaire gedeelte wellicht minder kunnen smaken maar voor 12-jarigen en ouder die De Kleine Prins gelezen hebben, is dit een boeiende wandeling door het leven van de auteur met in de eerste ruimte een introductie tot de inhoud van het verhaal en in de laatste een samenvattende audiovisuele immersieve beleving van De Kleine Prins.

Meer info: De Kleine Prins tussen de mensen

Mijn lieve gunsteling – Marieke Lucas Rijneveld

De wreedheid van Marieke Lucas Rijneveld is gegroeid, recensie van Marie-José Klaver in Neerlandistiek

Marieke Lucas Rijneveld kan het. Ze kan het echt. Mijn lieve gunsteling is vele malen beter dan haar debuut waarvoor ze de International Booker Prize won. Rijneveld is voor haar tweede roman in de hoofden van een 49-jarige veearts en een 14-jarige boerendochter gekropen die elkaar bij de wekelijkse koeiencontrole op de boerderij van de vader van het meisje hebben leren kennen.

Omslag Mijn lieve gunsteling

Onlangs werden de Grote Drie, zoals criticus Kees Fens Harry Mulisch, Gerard Reve en Willem Frederik Hermans noemde, in de media ten grave gedragen, zonder enige discussie over de kwaliteit van hun werk. Jan Wolkers hoorde eigenlijk ook bij de Grote Drie. Over Wolkers kun je ook moeiteloos beweren dat hij een egocentrische, witte man was die seksistisch schreef. Maar zonder Wolkers zouden we geen Rijneveld hebben. Rijneveld is gaan schrijven toen ze Wolkers ontdekte op de lerarenopleiding Nederlands. Ze werd geraakt door ‘de natuur, het geloof, de seksualiteit, de dieren en vooral zijn prachtige taal’, zei ze in een interview met NRC Handelsblad. De echo van Wolkers klinkt ook in Rijnevelds nieuwe roman door. Dat beperkt zich niet tot de inhoud, het omslag van Mijn lieve gunsteling lijkt veel op dat van De walgvogel (1974) van Wolkers. De onmogelijkheid van de liefdes en de rol van de vaders in Mijn lieve gunsteling en De walgvogel tonen ook overeenkomsten. Mijn lieve gunsteling is met het vele malen voorkomende ‘praaldier’ en de verwijzingen naar ‘lieve jongens’ ook een ode aan Reve, wiens werk de veearts aan zijn ‘lieve gunsteling’ voorleest om haar ervan te overtuigen dat onmogelijke en verboden liefdes de mooiste zijn.

Mijn lieve gunsteling is prachtig geschreven. Rijnevelds stijl en en haar beeldrijke taalgebruik, kenmerkend voor De avond is ongemak (2018) en haar dichtbundels Kalfsvlies (2015) en Fantoommerrie (2019), zijn nog veel beter geworden. De vergelijkingen in Mijn lieve gunsteling zijn subliem. Kwets nooit het leven en snijd nooit in levend vlees, leerde de veearts tijdens zijn opleiding. Toch schendt hij het jonge meisje dat hij vergelijkt met een zweer die hij met een ‘hoefmes uit de klauwlederhuid’ had moeten verwijderen en misschien slechts had moeten ‘reinigen en droogwrijven’. Later omschrijft de veearts het meisje als ‘een kalf in stuitligging in de kraamkamer van mijn verziekte verlangens’. De  manier waarop Rijneveld over koeien schrijft, is ongeëvenaard. De blaarkoppen spelen op vrijwel elke bladzijde een rol, en dat wordt nooit saai.

Rijneveld vertelt een wreed verhaal dat wordt ingeleid door drie regels uit psalm 139, in een vertaling van Anton Korteweg.

Ken me dan maar

weet wie ik ben

en doe maar

-Psalm 139

Psalm 139 staat bekend als een pleidooi van onschuld waarin om vrijspraak wordt gevraagd. Tegelijkertijd kan dit citaat gelezen worden als de wens van de 14-jarige boerendochter om vleselijk gekend te worden door de veearts en zich aan hem over te geven.

Uit de innerlijke monologen van de verliefde pedofiel blijkt dat hij al jaren geobsedeerd is door het meisje. Hij is aan het groomen en rechtvaardigt zijn seksuele obsessie door steeds te wijzen op de door hem waargenomen seksuele behoeftes van het kind, dat nog Roald Dahl en Harry Potter leest en een buitenboordbeugel en een ringetje met een lieveheersbeestje heeft. Hij denkt dat zij voortdurend met seks bezig is. De veearts denkt vaak voor anderen: voor de boerenknechten die het meisje met rust laten en voor de vader.

Waar het allesoverheersende kindperspectief mij in De avond is ongemak soms iets te veel werd, snakte ik in Mijn lieve gunsteling naar de visie van het kind. Wat de veearts wil, is duidelijk, maar wat wil zij? En wie vertelt wat zij wil?

Mijn lieve gunsteling is niet alleen een gruwelijk goed boek, het is ook gedurfd. Bij de introductie werd aangekondigd dat het boek snel in het Engels vertaald wordt. Je vraagt je meteen af hoe dit buitengewoon expliciete boek over pedofilie vol wreedheden jegens mens en dier op de Angelsaksische markt zal worden ontvangen. Het relatief onschuldige De avond is ongemak vormde al een probleem voor de sensitivity readers die Engelse en Amerikaanse uitgevers inhuren om te voorkomen dat lezers overstuur raken door fictie. Hopelijk gaan Rijneveld en haar uitgever pal staan voor een ongecensureerde vertaling van Mijn lieve gunsteling. Iedereen verdient het dit boek in zijn geheel te lezen.

bron: Neerlandistiek – Online tijdschrift voor taal- en letterkunde, 5 november 2020

Zonder meer virtuoos in taal en stijl!

Al het blauw – Peter Terrin****

Enkele maanden geleden werd ik door een artikel in Knack aangezet om deze roman te gaan lezen. De recensie bleef maanden op mijn bureau liggen: een nieuwe van Peter Terrin die een lovende beoordeling kreeg. Ik had hem ook het boek zien voorstellen op De afspraak. Welaan dan, deze week was het eindelijk zover.

Mijn eerste indruk was bevreemding: wie was wie? [Om te weten wat je nog niet weet moet je gaan langs de weg van het niet-weten, BK] In welke romantijd was ik beland? De tachtiger jaren van vorige eeuw bleek even later. De romanruimte: een zwembad, annex café Azzura, een verlaten fabrieksterrein in de buurt en een sociale woonwijk. De personages: Simon, een twintiger en zijn familie en vrienden; Carla, een barmeid en haar John, trucker-eigenaar van Azurra.

Eens doorheen de eerste bevreemdende bladzijden bleek Al het blauw een pageturner die me bleef verrassen, die hoofdstuk na hoofdstuk mijn mening over de personages bijstelde en met name over het hoofdpersonage Simon, de twintiger met een sterke moederbinding die de smaak van de vrijheid proeft en in zijn beslissingen, of het nu om studeren of de liefde gaat, vrij radikaal en onherroepelijk is.

Over het slot van de roman heb ik verbaasd gestaan. Het laat je wat onvoldaan achter en toch … onderschat de auteur niet. Waarom zegt de persoon die op het fabrieksterrein lag/zit wat hij zegt? Waarom zegt/doet Carla wat ze zegt/doet? En Simon?

Geen grootse klassieke tragedie speelt zich hier af, al is de spanning nooit weg en stevent de verhaallijn af op een mogelijke catastrofe voor de hoofdpersoon. Het gaat veeleer om een probleemsituatie in mineur, waarin de hoofdspelers, gedreven door de egocentrische driften van passionele liefde en haat, uiteindelijk elk een uitweg moeten zoeken.

Wat anderen over de roman schreven:

Al het blauw is meer geworteld in een wereld die ook de onze zou kunnen zijn, in tegenstelling tot veel van Terrins andere werk, waarin de wereld opmerkelijk grauw, hard en onverschillig is – tot in de details. De personages ondergaan nu eens niet de extreemste dingen (zoals een brute moord in Blanco, een persoonsverwisseling in Patricia of een dochtertje in coma in Post Mortem), maar hebben alledaagsere zorgen: een slecht huwelijk, een heimelijke verliefdheid, een kinderwens. – de Volkskrant 12/02/2021

Peter Terrin wil naar eigen zeggen zijn verhalen niet laten bezoedelen door zijn ‘schrijvende, formulerende ego’. Hij is de kok die zijn gerechten niet kruidt om zo de pure smaak van de ingrediënten te bewaren. Maar als die niet van topkwaliteit zijn, hou je gewoon zoutloos eten over.

Wat dus, als het verhaal het soapniveau niet overstijgt? Wat als het een simpel affaire-scenario over een zoekende bijna-twintiger, een barvrouw van 41 en haar echtgenoot met losse handjes betreft? Dan volstaat het niet om in de eerste zin een lichaam te droppen op het parkeerterrein van een verlaten fabrieksgebouw en de hele roman te laten drijven op de vraag wie van de drie plat op de rug eindigt. Dan heb je talige bravoure nodig om de lezer bij de liefdesles te houden.

Nu is de westerse literatuur grotendeels gebouwd op het soort amoureuze driehoek die Terrin in Al het blauw beschrijft. Daar mogen we Terrins voorgangers dankbaar voor zijn, maar dat we hun verhalen over onstuimige liefde, gekrenkte eer en andere al te menselijke aangelegenheden vandaag nog lezen, heeft meer te maken met hun stijlgevoel dan met de precieze constellatie van de drie lichamen in hun verhalen.

Helder schrijven is niet hetzelfde als stijlloos schrijven. Af en toe rijgt de man die in 2012 met Post mortem de AKO Literatuurprijs won, zijn bijzinnen aaneen tot een herkenbaar, troostend of onheilspellend beeld. Terrins romans komen tot leven in de sfeer die de schrijver steeds weet te creëren. Ook deze in de jaren 80 gesitueerde vertelling over liefde aan de rand van een zwembad en van het maatschappelijk aanvaarde krijgt kleur wanneer Terrin de omgevingsgeluiden opsomt die zijn hoofdpersonage hoort in de avondzon, of wanneer hij de geur van een zwembadcafé en de witte aanslag op de ramen omschrijft. Op de momenten waarop Terrin zichzelf toestaat om buiten de grenzen van het strikt verhalende te treden, krijgt zijn roman een in de klare lijn opgetekend gezicht.

Terrins uitgepuurde stijl en zijn fotografenblik lenen zich perfect voor het detail van een momentopname, maar de al te zuivere zinnen zorgen ook om de zoveel bladzijden voor een banaal stukje dialoog, een al te letterlijke explicitering van een gevoel of een weinigzeggende karakterbeschrijving. Aan het einde ken je de lievelingskleur van de hoofdpersonages, maar weet je nog steeds niet wat hen nu zo onherroepelijk in elkaars armen dreef.

Peter Terrin schrijft steevast volgens het ‘stille waters hebben diepe gronden’-principe. Hij weet vakkundig de indruk te wekken dat er heel wat sluimert onder het spiegelende blauwe oppervlak van zijn vertelling, maar je kunt sfeer scheppen tot het putje leeg is, af en toe wil een lezer ook simpelweg kopje-onder gaan in een overdonderende zin. – De Standaard 13/02/2021

Dankzij de boeiende personages, de geslaagde perspectiefwissels en Terrins prikkelende stijl staat Al het blauw garant voor een intense leeservaring. Al het blauw is onmiskenbaar Terrin, maar toch ook weer anders. Het is zowel een talige als visuele trip, werelds en onwerelds tegelijkertijd, het vertelt een intiem, melancholisch verhaal op een bijna zuiver, afstandelijk wijze. Al het blauw doet verlangen naar ‘al het blauw’een glimp van het goddelijke gedurende één ogenblik. Achteraf zal het lijken alsof twee levens elkaar kort schampten, zoals de auto’s in de aanrijding uit de epiloog, voor ze de richtingaanwijzer aanzetten en elk een andere richting uit rijden. Maar ook wat kennelijk geen impact heeft gehad, vormt een onmiskenbaar deel van wie of wat we zijn: ‘In haar achterhoofd daagt een verre herinnering, aan liggen op de grond en staren naar het blauw, aan het gevoel op te stijgen in een duizelingwekkende vrijheid.’ – de Reactor 10/05/2021

In Al het blauw legt Peter Terrin de nadruk op wat we zien en voelen, niet op wat we zouden moeten zien en moeten voelen, niet op de expliciete emoties van zijn figuren. – De Groene 24/02/2021

Eternal Echoes – John O’Donohue

Celtic Reflections on Our Yearning to Belong

“Longing is the transfiguration of aloneness,”  schreef David Whyte. De alchemie van die transfiguratie is wat de grote Ierse dichter en filosoof  John O ‘Donohue (1956 -20008) onderzoekt in Eternal Echoes, een immens inzichtelijke blik op de eeuwige turbulenties van het menselijke hart, gevoed door oude wijsheid en gericht op de moderne levenservaring.

O’ Donohue:

We live in a world that responds to our longing; it is a place where the echoes always return, even if sometimes slowly… The hunger to belong is at the heart of our nature. Cut off from others, we atrophy and turn in on ourselves. The sense of belonging is the natural balance of our lives… There is some innocent childlike side to the human heart that is always deeply hurt when we are excluded… When we become isolated, we are prone to being damaged; our minds lose their flexibility and natural kindness; we become vulnerable to fear and negativity.

[…]

The ancient and eternal values of human life — truth, unity, goodness, justice, beauty, and love — are all statements of true belonging; they are the also the secret intention and dream of human longing.

En hoewel we verlangen naar integrate, we zijn toch fundamenteel gefragmenteerd. De dynamische interactie tussen deze beide polen, argumenteert O’Donnohue, is een animerende centrale kracht voor de menselijke ervaring.

No thing is ultimately at one with itself. Everything that is alive holds distance within itself. This is especially true of the human self. It is the deepest intimacy which is nevertheless infused with infinite distance. There is some strange sense in which distance and closeness are sisters, the two sides of the one experience. Distance awakens longing; closeness is belonging. Yet they are always in a dynamic interflow with each other.

[…]

Our hunger to belong is the longing to find a bridge across the distance from isolation to intimacy.

Zoals onze behoefte de kaart van onze onvolkomenheid uittekent, voorziet ze tegelijk de essentiele emotionele intelligentie voor echte menselijke verbondenheid. Ons verlangen om erbij te horen brengt ons dichter bij onszelf en uiteindelijk ook bij elkaar.

O’Donohue schrijft:

There is a huge abyss within every mind. When we belong, we have an outside mooring to prevent us from falling into ourselves.

[…]

There is a lovely balance at the heart of our nature: each of us is utterly unique and yet we live in the most intimate kinship with everyone and everything else… Our hunger to belong is the desire to awaken this hidden affinity.

En toch is erbij horen altijd overanderlijk onvolledig. Het subtiele gevoel van thuisloosheid die deze onvolkomenheid in ons zaait, is het begin van elke creatieve impuls. O’Donohue overweegt hoe we interpoleren tussen ons verlangen naar verbondenheid en de noodzakelijke eenzaamheid die de creatieve impuls doet ontstaan:

There is a divine restlessness in the human heart. Though our bodies maintain an outer stability and consistency, the heart is an eternal nomad. No circle of belonging can ever contain all the longings of the human heart. As Shakespeare said, we have “immortal longings.” All human creativity issues from the urgency of longing.

The restlessness in the human heart will never be finally stilled by any person, project, or place. The longing is eternal. This is what constantly qualifies and enlarges our circles of belonging. There is a constant and vital tension between longing and belonging. Without the shelter of belonging, our longings would lack direction, focus, and context; they would be aimless and haunted, constantly tugging the heart in a myriad of opposing directions. Without belonging, our longing would be demented. As memory gathers and anchors time, so does belonging shelter longing.

Als het verlangen sterft, houdt de creativiteit op. De zware taak van het mens-zijn is om verlangen en verbondenheid in evenwicht te brengen, zodat ze met en tegen elkaar werken om ervoor te zorgen dat alle mogelijkheden en gaven die in de klei van het hart slapen, in dit ene leven kunnen worden gewekt en gerealiseerd.

Hoe dat kan, onderzoekt hij verder in dit zeer inspirerende en mystiek-poëtische boek. Het staat garant voor uren boeiende literatuur die in alle eenvoud naar de diepste verlangens en behoeften peilt van elke mens. Het is een boek dat vanuit de ervaring van moederlijke geborgenheid op fenomenale wijze de link legt naar verbonden- en geborgenheid met en in de Natuur en de hele ons omringende Kosmos.

Meer weten over John O’Donohue ? klik dan hier

Poëzieweek 2022 – bloesemingen en overvloed – Vlaanderen & Nederland

Op donderdag 27 januari 2022 start de tiende editie van de Poëzieweek in Vlaanderen en Nederland. Het thema van deze lustrumeditie is natuur. Niemand minder dan Ramsey Nasr schrijft het Poëziegeschenk met als titel Wij waren onder de betovering. Tot en met woensdag 2 februari kun je zowel in Vlaanderen als in Nederland genieten van extra veel poëzie-activiteiten.

OVER RAMSEY NASR

Ramsey Nasr (Rotterdam, 1974) is dichter, schrijver, acteur en regisseur. In het jaar 2000 debuteerde hij als dichter met de bundel 27 gedichten & Geen lied. Vijf jaar later werd Nasr stadsdichter van Antwerpen. In 2009 werd hij voor een periode van vier jaar benoemd tot Dichter des Vaderlands. Alleen al in 2021 verschenen er twee nieuwe boeken bij De Bezige Bij. In zijn essaybundel De fundamenten roept Ramsey na een coronajaar op tot radicale verandering. Nasr Compacter bundelt dan weer een persoonlijke keuze uit zijn gedichten. In 2022 komt daar ook nog het Poëziegeschenk bij!

Ramsey Nasr is binnenkort te gast in de januariaflevering van de podcast Beeldspraak (Poëziecentrum) en hij vertelt je nog meer geheimen over het dichterschap in het januarinummer van Poëziekrant en Awater. Mis het niet!

OVER HET POËZIEGESCHENK

Voor deze lustrumeditie van de Poëzieweek schreef Nasr tien gedichten die hij bundelde tot Poëziegeschenk met als titel Wij waren onder de betovering. Nasr liet zich daarbij leiden door het verlangen om de natuur in de trekken. Niet voor niets is het motto van deze Poëzieweek ‘bloesemingen en overvloed.’ Het Poëziegeschenk is gebaseerd op de honderden brieven die Vincent van Gogh schreef. Nasr plaatste Van Goghs woorden in een nieuwe context en herschikte deze tot meeslepende poëzie.

Het Poëziegeschenk verschijnt in januari 2022 bij PoëzieCentrum. De cover van het Poëziegeschenk is het resultaat van een intensieve samenwerking tussen Ramsey Nasr en vormgever Jelle Jespers.

Koop je tijdens de Poëzieweek voor 12,50 euro aan poëzie bij je deelnemende boekhandel, dan krijg je er gratis het unieke Poëziegeschenk bij. Haast je met andere woorden naar jouw Vlaamse of Nederlandse boekhandel om de poëziebundels die nog op jouw verlanglijstje staan te kopen.  Luisterpuntbibliotheek en Passend Lezen zorgen voor een Daisy-versie, brailleversie en een luisterversie van het Poëziegeschenk.

Spring – Ali Smith*****

April the anarchic, the final month, of spring the great connective. Pass any flowering bush or tree and you can’t not hear it, the buzz of the engine, the new life already at work in it, time’s factory.

De belangrijkste artistieke geest van Spring, 2019  is Tacita Dean, met haar zeven meter brede krijt- op -bord tekening, The Montafon Letter, een foto van een berg zo groot “that the wall became mountain and the mountain became a kind of wall. There was an avalanche coming down the mountain picture towards anyone looking at it, an avalanche that had been stilled for just that moment so that whoever saw it had time to comprehend it.” blz.78

Het is een krachtig symbool voor de toekomst: de impact van de Brexit, de enorme klimaatafbraak en de verschrikkelijke verlamming van de Britse politiek zullen Groot-Brittannië en de rest van de wereld treffen. “What he was looking at stopped being chalk on slate, stopped being a picture of mountain. It became something terrible, seen.” Het kunstthema brengt de kleurrijke uitbundigheid van Pauline Boty in Autumn en Barbara Hepworth’s coole raadsels in Winter in herinnering.

De man die een verbijsterde “fuck me” mompelt in de Royal Academy terwijl hij naar het sneeuwlandschap staart, is Richard Lease, een tv-regisseur wiens hoogtijdagen al lang voorbij zijn. Hij is er omwille van zijn dierbare vriendin en medewerkerster, scenarioschrijfster Paddy, die lang geleden suggereerde dat hij de, na zijn scheiding, van hem vervreemde dochter, in gedachten naar galerijen zou brengen, een manier om hun band in leven te houden. Jarenlang onderhoudt hij een interne dialoog met een denkbeeldig kind, terwijl zijn echte dochter zonder hem volwassen wordt. De roman speelt met de tijd en Smiths gebruikelijke onbekommerdheid. Paddy (87 jaar) is stervende, sterft als het verhaal opent. En Richard is kapot van verdriet om de vrouw die hij al vijf decennia aanbidt. Hij trekt op een rouwpelgrimage en zijn verhaal kruist dat van een andere verloren ziel, Brittany, een jonge vrouw die als DCO in een IRC voor de HO werkt. Het bitter plezier van Smith bij de opsomming van de acroniemen en eufemismen voor gevangenis is hier voelbaar. Het is geen gevangenis, benadrukt Brit, maar “a purpose-built Immigration Removal Centre with a prison design.” p. 160

De details van het dagelijks leven van gedetineerden, ontleend aan nieuwsberichten en anonieme getuigenissen verzameld door Smith, vormen de schokkende, boze kern van het boek, maar in dit ‘smerige’ realistische rijk stapt een magisch kind, genaamd Florence, binnen. “Well, if you’re Florence, does that make me the machine? Brit said.”p.170 , maar al te bewust van wat haar rol als radertje in het systeem met haar doet. De mysterieuze Florence heeft op de een of andere manier het IRC-management overtuigd om de toiletten eindelijk goed te laten reinigen; er gaan geruchten dat ze een “sekshuis” in het zuidoosten van Londen binnenliep en de verhandelde vrouwen bevrijdde. Ze hypnotiseert als het ware de cynische, onwillige Brit en roept haar hulp in bij een reis.

Hier wordt de roman een expliciete refashioning van Shakespeare’s Pericles over migratie en familiescheiding, met Florence als een moderne Marina. Geboren op zee, alleen in de wereld, bezit Pericles’ verloren dochter ook genoeg deugdzaamheid en retorische overtuigingskracht om zich staande te houden in een bordeel. De lezer moet de sprong in het diepe maken met Smith, net als het publiek in het Jacobitische tijdperk, terwijl Brit worstelt met een onfeilbaar concept dat beschamend irrelevant lijkt in deze gecompromitteerde tijden: “She’s, what’s the word? Another old word from history and songs that nobody uses in real life any more. She is good.”p.314

Net als Lux in Winter is Florence een klassieke Smith-tropos: de vreemdeling die de slapende verbeeldingskracht en emoties van personages kan doen herleven, de bevroren zee van binnenuit kan breken. Ze is ook – gewoon een twaalfjarig meisje – zoals ze aangeeft, wanneer ze voor naïef wordt gehouden, bij het in twijfel trekken van de houding van de samenleving ten opzichte van nationale grenzen “You’re being naive, Brit says. In so many ways. I’m twelve, the girl says. What do you expect?”p.196

Met schoolkinderen die momenteel de protesten tegen klimaatverandering leiden, is haar verschijning in de roman een prachtig stuk synchroniciteit, en het sprankelende, bruisende geklets tussen haar en Brit is briljant.

In delen van het boek worden kletspraatjes, fabels en retoriek gebruikt om onze hedendaagse waanzin te kanaliseren – de stem van Big Tech dondert : “We want you to look at us and as soon as you stop looking at us to feel the need to look at us again. We want you not to associate us with lynch mobs, witchhunts or purges unless they’re your lynch mobs, witchhunts and purges. We want your pasts and your presents because we want your futures too.” p.122-123 Smith presenteert ze komende uit het Hot Air-notitieboekje van Florence dat Brit stiekem zit te lezen terwijl Florence slaapt. “Though it’s naive, the kind of stuff a school student would write, it’s witty too, and it makes Brit think. Even a twelve-year-old girl can see through a lot of what’s happening in the world right now.“p.199

Spring is vaak botter en explicieter, dan weer, proselytischer en polemischer, dan de speelse, raadselachtige Smith die we gewend zijn. Er zijn dialogen die ergernis en woede uiten over de staat van de wereld die niet helemaal in fictie opgaan: “What’s happened to all the good people of this country? Compassion fatigue, Richard said. Fuck compassion fatigue, she said. That’s people walking about with dead souls. Racism, Richard said. Legitimized. Legitimized division 24/7 on all the news and in all the papers, on so many screens, grace of the god of endless new beginnings, the god we call the internet.”p.67

In een bepaalde passage kritiseert de stem van een vluchteling zeer fel de doorgaans veelgeprezen sympatiserende eigenschappen van fictie: “My face is a breaking point. Don’t mention it. Any time. It’s the face you see on dramas, films, or you picture in your head in the novels about people who aren’t you, the books you read because you love literature, or to kill some free time, the ones that tell the stories let you feel that you’ve felt, you’ve been really importantly moved, more, you’ve understood something major about the history, the politics, of the time you live in. It’s nothing. My pleasure. My face is all about you. My face trodden in mud. My face bloated by sea. What my face means is not your face. By all means. You’re welcome.” p126-127

Dit is een roman ‘that contains multitudes’, en het wonder is dat Smith er zoveel in stopt, van prachtige visionaire natuurfragmenten tot Twitter-obsceniteiten, in een proza dat zo bedrieglijk ontspannend is.

Terwijl verrassende en ontroerende verbanden tussen de drie romans Autumn, Winter en Spring worden onthuld zijn ook de grappen, van somber tot grillig, er niet van de lucht. Naast William Shakespeare en Tacita Dean roept ze de geesten op van Katherine Mansfield en R.M.Rilke, “the two great homeless writers, the great outliers.” p.42 evenals haar geliefde Charlie Chaplin, die een ronddwalende artistieke everyman wordt.

Al tientallen jaren lijkt Smith ‘a glorious one-off’ wiens invloed nu te zien is op jongere schrijvers zoals Eley Williams en Max Porter (Grief is the Thing with Feathers, 2015), even toegankelijke experimentalisten met een onstuitbare liefde voor taal, maar sinds haar Seasonal Quartet ziet Smiths eigen rol in de Britse fictie er steeds belangrijker uit. De laatste pagina roept de lente uit tot “the great connective”. Het is geen slechte typering van Ali Smith zelf.

Met dank aan The Guardian voor deze recensie – vertaling: fp

Cliënt E. Busken – Jeroen Brouwers*****

De gemeenschapsruimte, genaamd de huiskamer, potten met plastic planten op de vensterbanken en in het midden. Daar strompelen we binnen als in het kabinet van Jheronimus Bosch. De creatuursels aan de verschillende tafels hebben vissenkoppen en hondenstaarten, bestaan uit slechts een hoofd op kippenpoten, zwengelen met armen en handen als boomtakken bij stormachtige weersgesteldheid. Ik ben van alle cliënten alhier de enige normale. blz. 143

Het bovenstaande fragment uit Jeroen Brouwers’ roman Cliënt E.Busken, 2020 is wellicht de sleutel tot de sur-realistische wereld van home Madeleine, een psychiatrische instelling, waarin de heer Busken, na een gemene val, is tercht gekomen. Hij gruwt van de instelling, haar cliënten en haar personeel. Zijn vernietigende observaties en satirische commentaren houdt hij echter voor zich. Hij houdt zich doofstom, staart alleen maar wat voor zich uit, ziet regelmatig alles in een blauwe zweem, zakt weg in flarden verleden – voor de ‘chiater’ van dienst ‘gedachtetjes’ – of fantasieën, ervaart zijn mentale en lichamelijke aftakeling als onomkeerbaar en beseft ‘Ik ben eenzaam. Ik kom hier niet meer weg’. Kortom home Madeleine betekent voor de heer Busken de deprivatie van alles wat hem lief was en is, tot de laatste sigaret toe.

Er gebeurt dus eigenlijk niets in deze roman. Je krijgt een oneindige aaneenschakeling van absurde, betuttelende, soms hilarische zich herhalende situaties waarin een intelligente en grotendeels ook bewuste persoon tegen zijn zin wordt neergepoot, vastgesnoerd in een rolstoel.

Wat maakt de roman dan zo buitengewoon? Ik laat Christoph Vekeman even aan het woord:

Maar schrijven kan hij, en dat weet hij, ondanks het feit dat woorden hem ‘als parelkralen die van een snoer glijden’ een na een beginnen ‘te ontvallen wegens vergetelijkheid’, zelf natuurlijk ook wel: ‘In gedachten vijftig jaar jonger rijs ik op uit de door leeuwenpootjes geschraagde porseleinen badkuip, waarin zij, mijn vurig beminde, onder de gouden kranen in het roze schuim blijft liggen, met een verrukte glimlach nahijgend van wat ik haar in het water heb mogen bezorgen, te weten een orgasme waarbij ik, gromde ze, haar keel moest dichtknijpen en ik met mijn duimen de adem en het geluid uit haar weke hals drukte, mijn penis van staal voorwaarts en voorwaarts stampend in de warmte van haar ingewand, warmer dan het badwater, dat door ons gespartel in brede golven over de rand sloeg. Een mooie volzin is nooit weg.’ Een mooi neologisme ook niet, trouwens, zoals – ditmaal onder véél meer – ‘ivoorblote armen’, ‘biljartstrakke gazons’, ‘nicotinesprieten’, ‘voetstempels’ en ‘zitgleuf’ mogen aantonen.

Maar het meest kenmerkende thema van deze roman en van ál het werk van Brouwers, is bij uitstek de taal zelf, taal die hier als grote overwinnaar uit de bus komt, taal die glorievol Buskens verval trefzeker in de schaduw weet te stellen, juist door alle details ervan scherp te belichten. Het is dat, louter dat, waaruit wij, net als hij, bestaan: taal, niets dan taal. In die zin is dit nieuwe hoogtepunt in Brouwers’ oeuvre, misantropisch van aard als het zijn mag, een onnavolgbare ode aan ons allemaal. – DS, 7 februari 2020

De roman behoort net als De Onbevlekte van Erwin Mortier tot de shortlist van de Libris literatuurprijs 2021

%d bloggers liken dit: