Orgelman. Felix Nussbaum. Een kunstenaarsleven – Mark Schaevers

Beschaving begon voor de mens met het kunnen reflecteren over zichzelf, met de zin voor creatie en schoonheid. Grottekeningen, beeldhouwwerken, monumentale gebouwen, schilderijen willen iets uitdrukken van wat de mens in een bepaalde tijd bewoog, overkwam, beangstigde, ontroerde, beoogde. Het boek dat ik de voorbije dagen las, had ik op geen betekenisvoller moment in de tijd kunnen lezen. Het vluchtelingendebat dat al enkele jaren in onze media woedt en waar ‘Fort Europa’ geen oplossing voor blijkt te vinden, lijkt wel een  grootschaliger herhaling van wat zich gedurende de Tweede Wereldoorlog in Europa afspeelde ten aanzien van de joden. Dictatoriale regimes, oorlog, religieuze conflicten, klimaatverandering met armoede tot gevolg, hebben een migratiestroom op gang gebracht waar de Europese Unie geen blijf mee weet. Andermaal staan dus mensen aan de grenzen van verschillende Europese landen en vragen om asiel.

Omslagbeeld wv 293 – Selbstbildnis mit grüner Kopfbinde, 1936 – Felix Nussbaum

Het boek van Humo-journalist Mark Schaevers Orgelman. Felix Nussbaum. Een kunstenaarsleven, Bezige Bij, A’dam, 2014 – waarvoor hij in 2015 de Gouden Boekenuil in ontvangst mocht nemen – maakt aan de hand van het leven van de Joodse kunstenaar Felix Nussbaum uit Osnabrück, Nedersaksen, Duitsland, duidelijk hoe minutieus, doelgericht en meedogenloos het nazi-regime  ‘de oplossing’ voor de uitroeiing van de Joden orchestreerde. Nussbaum verbleef behalve in Rome, Parijs en de Italiaanse Rivièra ook geruime tijd in Oostende en Brussel op steeds weer andere onderduikadressen samen met zijn levensgezellin Felka Platek. In Duitsland werd zijn oeuvre in de jaren 30 van vorige eeuw volledig vernietigd, maar hij bleef als exilkunstenaar verwoed verder schilderen in het bewustzijn en de existentiële angst dat als hij deze nazi-waanzin niet zou overleven, zijn schilderijen dat hopelijk wel zouden doen en komende generaties duidelijk maken in welke barbarij  de wereld terecht was gekomen.

Ik laat hier verder Kurt De Boodt aan het woord in zijn recensie voor Ons Erfdeel:

Schilderijen willen gezien worden. Ze snakken naar kijkers. In duisternis verschrompelen ze tot een herinnering die gaandeweg vervaagt. Zonder licht op hun verfhuid én de weerspiegeling in onze ogen bestaan ze hooguit materieel. Niet “werkelijk”. Niet als beelden die iets losmaken. Niet als verf die kleuren uitdraagt naar de buitenwereld of als een getuigenis van een schildersleven, een tijdgeest, de condition humaine. Zonder kijkers vinden schilderijen geen weerklank in het zichzelf voortdurend updatende web dat beeldende kunst heet.

Het overkwam Felix Nussbaum (Osnabrück, 1904) een kwarteeuw lang nadat de nazi’s in september 1944 in Auschwitz-Birkenau zijn laatste levensspoor hadden uitgewist. Pas in 1970 begonnen schilder en oeuvre aan een revival, nadat 117 schilderijen die Nussbaum in 1942 had ondergebracht bij een Brusselse kunsthandelaar, waren vrijgeven. Steeds meer werken kwamen aan het licht. Ontstellende schilderijen van een ontredderde mens in een ontmenselijkende tijd. Hoe langer hoe meer werd Nussbaums werk naar waarde geschat, met alle materialistische bijverschijnselen: veilingprijzen die de hoogte ingaan, vervalsingen, dubieuze verkopers, bedroevend gesjacher met tijdens de Tweede Wereldoorlog ontvreemd erfgoed. Het wolvengedrag kon er blijkbaar nog bij. Het allerbelangrijkste blijft de slotsom: vijfhonderd werken zijn weer aan het licht gekomen. Voor de Joodse gemeenschap en al wie met de twintigste eeuw in het reine wil komen, liet Nussbaum als slachtoffer en schilder van de Holocaust (en veel meer dan dat) een onschatbaar symbolisch kapitaal na.

Nussbaum is geen beeldenstormer, geen avant-gardist maar een stille nabeschouwer. Net als René Magritte is hij bovenal een beeldenmaker die het atelier – de eigen leefkamer – schoon achterlaat. Als ze eenmaal zijn gezien, komen de beelden los van de drager en prenten ze zich in ons geheugen. Vandaag maakt Nussbaums oeuvre deel uit van de twintigste-eeuwse schilderkunstige canon. Mark Schaevers schreef over deze wonderlijke wederopstanding een spannend boek dat de schilder en diens oeuvre stap voor stap tot leven wekt.

Gemaskerde schilder

Mark Schaevers laat Nussbaums schildersleven aanvangen in Oostende, op 4 maart 1935 tijdens carnaval. De ‘intrede in Oostende’ roept meteen Ensors meesterwerk voor de geest, De intrede van Christus in Brussel: zelfportret, lijden, satire én verzet tekenen Ensor en Nussbaum ten voeten uit. Het is een gelukkige vooruitblik. Nussbaum treedt gemaskerd zijn biografie binnen. In Oostende wordt de schilder de Nussbaum zoals we hem ons vandaag (opnieuw) herinneren. Op het podium van de maskerwedstrijd schouwt niemand minder dan James baron Ensor de gemaskerden: “de maskerschilder neemt notitie van de gemaskerde schilder”. Hier en nu legt een schildersleven zich in een bepalende vorm. De schilderijen met maskers uit het “maskerjaar” 1935, die Schaevers ons overigens pas op bladzijde 140 laat zien, vormen een eerste scharnierpunt. Een jaar later laat Nussbaum de maskers als rekwisiet vallen. De twintig zelfportretten die hij in 1936 maakte, peilen niet zozeer naar de binnen- als wel naar de buitenwereld.

Hoe sta ik in dit leven? Hoe tekent dit leven mij? Het gelaat is een leeg canvas waarop de schilder uit een breed palet emoties aanbrengt, als een acteur voor de spiegel. Het gezicht is een rembrandteske tronie. Ik is telkens weer een ander. In de vertekening en uitvergroting schuilt de waarheidsgetrouwe weergave van groteske jaren.

Nussbaum wordt pas in exil Felix Nussbaum. Hij is als Duitse Jood zijn land uitgejaagd. Hij moest zijn verblijf aan de Duitse academie in Rome – de zonnige Villa Massima waar elke kunstenaar over een eigen atelier beschikte, een ongeziene luxe – in 1933 onverhoeds afbreken nadat Hitler tot Rijkskanselier was benoemd. Bittere speling van het lot: de beeldhouwer Arno Breker huist in Rome in het atelier pal naast dat van Nussbaum. Breker werd tijdens de oorlog Hitlers hofkunstenaar. Het nazisme maakte de ene kunstenaar en kraakte de andere. Het nationaalsocialisme ontnam Nussbaum uiteindelijk zijn nationaliteit, zijn identiteitsbewijs, zijn bestaan én de herinnering aan dat bestaan. Heeft de oorlog de schilder soms ook niet gedeeltelijk gemaakt?

Zeker. Maar het is geenszins de verdienste van de nazi’s, die moderne kunst juist “ontaard” verklaarden, maar louter van Nussbaums bewonderenswaardige weerbaarheid. De schilder die uitmunt in (zelf)portretten van een bewogen tijd, overtreft zichzelf naarmate de toestand heikeler wordt. Dat is terugblikkend het godswonder: hoe meer de mens ten onder gaat, hoe sterker de kunstenaar groeit.

Ontnuchterende schilderijen

In 1939 schildert Nussbaum vier schilderijen die zijn emigrantenbestaan oproepen. Kijk maar, het is zoals Schaevers noteert: “Het oorlogsgevaar focust zijn werk, elk doek is goed.” De ontnuchterende schilderijen die Nussbaum na zijn verblijf achter het prikkeldraad van het Vichy-concentratiekamp in Saint-Cyprien maakte, dat cynische onderkomen op het strand aan de Middellandse Zee, hakken erin als scènes uit de hel van Jheronimus Bosch. Ziehier de mens: een schijtend hol boven een verroeste ton. Een tweede breuklijn, na Oostende, tekent zich in het schildersleven af: “Saint-Cyprien, zeggen die schilderijen, is een scheur in zijn bestaan, een stuk vrolijkheid is voorgoed weggelekt. Het prikkeldraad zal nooit meer uit zijn gedachten en zijn werk verdwijnen. Saint-Cyprien was zijn intrede in de wereld van de vernedering, zonder recht van retour.” En toch: bij zijn terugkeer in Brussel werkt Nussbaum het ene meesterwerk na het andere af. Op een Brusselse binnentuin toont hij trots zijn Jodenpas. Het “notenboompje” (koosnaam door zijn vrouw Felka, een complexe figuur in de schaduw) is geknakt, maar nog lang niet geveld. Op zijn laatste zelfportret, in ontbloot bovenlijf achter de schildersezel, kijkt Nussbaum ons – en de voortmalende oorlogsmachine – verbeten aan. Zie mij schilderen. Zie mijn enige verweer. Dit breekbare verzet waarin ik uitmunt. Alleen mijn kunst kan nog mijn wereld redden.

De wandelende jood

Op Nussbaums laatste schilderij, het breugeliaanse Triomf van de dood (1944), is het vlees verdwenen. Skeletten musiceren op opgestapeld puin. De herinnering aan de beschaving ligt aan flarden. Maar ook op dit geschilderde slotakkoord klinkt in een verfrommelde partituur onderaan links Nussbaums onstilbare verzet door. Mark Schaevers spaart het verhaal achter dit muziekstukje 46 bladzijden op, tot het bitterzoete einde. Ook over de dood van Nussbaum zet Schaevers ons even op het verkeerde been. Alleen al voor die prikkelende passages moet u het boek lezen. Maar nog meer om in stukjes en brokjes het bestaan en het glorieuze oeuvre van Nussbaum leven in te blazen. Opnieuw en opnieuw.

De beelden van Arno Breker liggen in puin. Felix Nussbaum verrees als een feniks uit diezelfde oorlogsas. Op zijn doeken duikt geregeld een straatmuzikant op aan een draaiorgel. Mark Schaevers ziet in de man de wandelende Jood, de opgejaagde zwerver die Nussbaum werd. Net als die muzikant wilde de kunstenaar een echo nalaten, in de openbare ruimte maar ook in de tijd. Mark Schaevers laat in zijn boek het triomferende oeuvre in alle toonaarden resoneren.Wie zijn magistraal gecomponeerde Orgelman leest, zal het levenswerk van Nussbaum niet licht vergeten.

Advertenties

Ester Naomi Perquin sleept de Herman De Coninckprijs 2018 in de wacht

De Herman De Coninckprijs zag er dit jaar anders uit dan vorige jaren.  In plaats van een aparte debuut-, jury- en publieksprijs is er maar één prijs.

Ester Naomi Perquin – foto: VRT NWS

MEERVOUDIG AFWEZIG van Ester Naomi Perquin is de winnaar van de Herman de Coninckprijs 2018, zo maakte juryvoorzitter Jeroen Dera bekend tijdens de feestelijke poëziesoirée in de Antwerpse Arenbergschouwburg. De prijs van € 7.500 gaat dus naar de huidige Nederlandse Dichter des Vaderlands.

DE JURY OVER MEERVOUDIG AFWEZIG

In Meervoudig afwezig van Ester Naomi Perquin worden dagelijkse, herkenbare ervaringen door een bijzondere manier van kijken subtiel verschoven, wat tot schitterende poëzie leidt. Perquin schrijft met een groot poëticaal bewustzijn en slaagt er bij elk afzonderlijk gedicht in om een pointe af te leveren die nog lang in het hoofd van de lezer blijft spoken. Haar gedichten zijn nuchter én ontroerend, en geven bovenal plaats aan een transcendentie die nauwelijks in woorden te vangen is. Intussen leidt die filosofische zoektocht, waarin het spanningsveld tussen aanwezigheid en afwezigheid centraal staat, er nooit toe dat Perquins poëzie cerebraal of afstandelijk wordt. In deze bundel gaan intelligente analyses en toegankelijk moeiteloos samen – een verdienste van jewelste.

De jury koos dit jaar zelf ook nog een “Beste Gedicht”, en dat is  “Aan het begin van de avond” van Nachoem Wijnberg.

Meer info over de Herman De Coninckrijs: www.hermandeconinckprijs.eu

Vaak ben ik gelukkig – Jens Christian Grøndahl

‘Vaak ben ik gelukkig’, zegt de vertelster in de nieuwe roman van Jens Christian Grøndahl, ‘gelukkig van binnen, ook al kan ik het niet altijd laten zien. Dat zijn allemaal gewoon dingen die voorbij komen. Je wordt geduwd en getrokken, soms verdrukt, en je kunt uit koers worden geslagen, maar van binnen ben je nog steeds dezelfde.’

Verdrongen worden, bedrogen en weggemoffeld – daar weet Ellinor alles van. Eindelijk, voor het eerst in haar leven, vertelt ze het hele verhaal, zonder iets weg te laten, aan haar vriendin Anna. Die vriendin is al meer dan veertig jaar dood, verpletterd onder een lawine in de Alpen, tijdens een skivakantie. ‘Nu is jouw man ook dood, Anna’, schrijft ze. ‘Jouw man. Onze man.’

Achter die paar zinnen schuilt de kern van vier mensenlevens – precies het suggestieve, het mysterieuze en het diep menselijke dat het schrijverschap van de Deen Grøndahl (1959) karakteriseert. Hoe doet hij dat toch, vraag je je bij iedere nieuwe roman af – wat is het dat je iedere keer weer grijpt?

In deze nieuwe roman, Vaak ben ik gelukkig, schuilt het geheim in de compositie. Grøndahl koos voor de jij-vorm, waarbij de verteller zich direct tot iemand richt. Wij, de lezers, zijn niet degenen die de schrijver in het vizier heeft, maar we worden op die manier wel ingewijden, wij worden van buitenstaander deelgenoot van een geheim, een levensverhaal.

Onder de douche

De eerste cryptische zin (‘Jouw man. Onze man’) zet ons al meteen op scherp: hoezo? Wat volgt zijn een paar zinnen over een graf, ‘jij had al buren’, over kalksteen of graniet, over wie je van waaruit kunt zien. Dan blijkt dat ‘Jouw man. Onze man’ onder de douche in elkaar is gezakt, dat hij 78 was, dat hij ‘het je nooit helemaal heeft vergeven’ en dat ‘ik jouw plaats nooit helemaal had kunnen innemen’.

Langzaam, stap voor stap, flard bij flard wordt ons duidelijk welk drama er schuilt achter ‘Jouw man. Onze man.’ Die doses informatie krijgen wij mondjesmaat, tussen de regels door toegeschoven, vrij meanderend, quasi-achteloos. Uiteindelijk leggen we de stukjes aan elkaar: twee jonge stellen gaan op wintersport, de man van de één krijgt een verhouding met de vrouw van de ander, samen worden ze vermorzeld door een lawine. De andere twee brengen de rest van hun leven met elkaar door, de vrouw zorgt voor de kinderen van haar overleden, overspelige vriendin. Als haar man, ‘jouw man, onze man’, sterft, maakt de vertelster de balans op en keert ze terug naar de buurt waar ze opgroeide.

De plot is snel verteld, al onthult de vertelster ook nog haar eigen verrassende afkomst, waarover ze nooit met iemand heeft gesproken. Ook schetst ze hoe haar innige relatie met de kinderen van haar vriendin met de jaren, na hun huwelijk en nadat ze zelf ouders waren geworden, veranderde, scheuren ging vertonen. Het enige dat onveranderd is, is de diepe vriendschap die ze voelt voor haar vriendin, die ondanks alles geen krasje heeft opgelopen.

Suggestief en spannend

Maar in wezen staat de plot, hoe leidend ook, bij Grøndahl altijd op het tweede plan, is hij suggestief en daarom zo spannend. Ook in deze vertaling blijven zijn toon en timbre behouden, resoneert de emotie, de psychologie mee, zonder ook maar een moment de overhand te krijgen. Als de vertelster uiteindelijk terugkeert naar de buurt waar ze is opgegroeid, een wijk met beduidend minder status dan die waar ze met haar man heeft gewoond, schrijft Grøndahl dat het voor haar ‘twee foto’s lijken die over elkaar heen zijn genomen omdat je bent vergeten het filmpje door te draaien. De lijnen worden verdubbeld, het perspectief verschuift een beetje en in die afstand, in die verschuiving van onscherp licht, heb ik opeens het grootste deel van mijn leven geleefd.’

Dit soort observaties maken Vaak ben ik gelukkig tot een schitterende vintage Grøndahl.

Met dank voor deze recensie aan NRC en Margot Dijkgraaf