Sergent-major Marsjèn? Non, mon commandant. Je m’appelle Martien, pas Marsjèn, à vos ordres.

Over Stefan Hertmans’ roman Oorlog en terpentijn.

Advertenties

Dat een mens dagelijks voorbij de plekken fietst of wandelt waar voor ons land de Groote Oorlog begon,  brengt hem nog nauwelijks in de sfeer van het gruwelijke armageddon dat zich daar een eeuw geleden afspeelde. De onverschillige natuur ging er sindsdien ongestoord zijn gang en zeer weinig, behalve de graven op de kerkhoven, herinnert aan de slachting van soldaten en burgers in de strijd tegen de Duitse bezetting van die dagen.  In 2014 zette Toerisme Vlaams Brabant echter fiets-, wandel- en autoroutes uit die de gebeurtenissen met betrekking tot deze oorlog weer onder de aandacht brengen. In datzelfde jaar kwam bij De Bezige Bij ook de meermaals gelauwerde roman Oorlog en terpentijn van Stefan Hertmans uit, onlangs ook genomineerd voor de Man Bookerprijs 2017.

Het boek lag al lang op lezing te wachten maar iets hield me tegen. Uit filmfragmenten in het Flanders Fieldsmuseum, foto’s en ook verhalen van een grootouder, jongste telg van 13 kinderen en in 1915 twaalf geworden, wist ik van de verschrikking van die oorlog voor hem en zijn ouders, broers en zussen. Dochters krijgen was voor hem het geluk hebben om geen kinderen als ‘kanonnenvoer’ te moeten afstaan. Bovendien wist ik uit een vorige roman van Hertmans met welke esthetische zwier hij de wreedheid van afgrijselijk geweld kan vatten. Ik aarzelde dus, maar dit monument niet lezen, was geen optie.

De lezers ontvankelijkheid voor gruwel en ontmenselijking is echter niet eindeloos. De volop in de verteltijd uitgesmeerde oorlogsmassacre die grootvader, Urbain Martien, ziet en doormaakt, beklijft maar wordt naar het einde door hem ook ervaren als ‘Mijn verhaal wordt eentonig zoals de oorlog eentonig werd, zoals het leven zelf eentonig werd en ons uiteindelijk ging tegenstaan’ (blz. 252). Zijn cahiers en het schilderen op het opkamertje maken voor Urbain de verwerking van het oorlogstrauma mogelijk. Hertmans weet gelukkig het evenwicht te vinden tussen het uit de verf laten komen van de manmoedige soldaat en de romantisch-gevoelige kunstenaar. Zijn verteltechniek is daarbij te vergelijken met de schilderstechniek van Rembrandt in het schilderij De Os. Het afzichtelijke wordt verheven kunst. Zo roepen de beschrijvingen van de arbeid in de ijzergieterij en de gelatinefabriek reminiscenties aan het naturalisme van Streuvels’ De Oogst en Het leven en de dood in de Ast op. Een postmoderne knipoog.

Doordat de militaire oorlogsterminologie van howitsers, granaten, obussen, mitraillettes, mitrailleurs, bajonetten, brandbommen, artillerie, genietroepen, garnizoenen, regimenten, brisantbommen, shrapnels, mortiervuur, mosterdgas, vuurkruisers niet van de lucht is, en de ontbering, de fysieke uitputting en ‘het godsgericht zonder God’ dat zich voltrekt, zo levensecht wordt beschreven, beland je als lezer met je emotie midden in deze afzichtelijke loopgravenoorlog die door duizenden Waalse en Vlaamse jongens maar vooral door de Vlaamse, met onverzettelijk patriottisme wordt gestreden, ondanks de gebrekkige uitrusting en ravitaillering. Dan begrijpt de lezer ook waarom juist daar door de discriminerende, vernederende houding van de Franstalige legerleiding tegenover de Vlaamse soldaten het latere flamingantisme kiemde.

Zijn militair pensioen bleef zo minimaal omdat hij voor zijn oorlogsverdiensten nooit een hogere graad dan sergeant-majoor had gekregen. Dat heeft hem met bitterheid vervuld; alle Waalse sergeanten, zo beweerde hij, waren bevorderd tot luitenant vanwege hun verdiensten, zelfs zijn eigen Vlaamse schoonbroer die in Wallonië woonde, een man die volgens hem zelfs niet werd gewond; hij echter, ondanks zijn eretekenen zijn kwetsuren (hij sprak soms een van een vierde en zelfs vijfde verwonding, waarover hij niets vermeldt in zijn memoires), bleef sergeant, ‘zoals zovele Vlaamse jongens’. (blz. 281)

Het andere aspect van de roman nl. terpentijn of het schilderstalent van Urbain Martien die als jonge tiener opkijkt naar zijn vader Franciscus, de frescoschilder, die relatief jong aan tering sterft, voert de lezer binnen in de niet van crisismomenten gespeende relatie tussen grootvader en kleinzoon-verteller.

“Dit is de tijd waarin het hopeloos te laat is voor de spijt waarin ik daar hopeloos verdronken sta.” (blz. 69-70)

Het horloge van zijn betovergrootvader dat zijn grootvader hem bij zijn communie overhandigt, valt uit de ik-vertellers handen.

“ … het heeft zijn roemloze dood gevonden in mijn stompzinnige jongenshanden, op mijn twaalfde verjaardag, de dag die, nu ik zijn memoires heb gelezen, voor altijd in mijn geheugen gegrift staat als een dag waarin ik een onuitwisbare schuld tegenover hem heb opgelopen.”( blz. 70)

Een paar maanden later begint de grootvader aan de memoires die de auteur Hertmans worden overhandigd in 1981, enkele maanden voor de dood van de grootvader. Pas dertig jaar later vormen ze de aanzet van een indringende familiegeschiedenis en een teder portret van de man.

Bij het einde komt de auteur-verteller, na fijzinnige analyse van diverse schilderijen – voortreffelijke kopieën van bekende meesters als Velázquez en Van Dijck – en na vergelijking van een paar zelfportretten van zijn grootvader met de kopie van de pseudo-Rembrandt of de man met de gouden helm, tot de volgende vaststelling:

“De waarheid van het leven verbergt zich vaak op plekken die men niet met authenticiteit verbindt. Het leven is subtieler in die dingen dan de moraal van mensen en hun rechtlijnigheden. Het leven werkt als deze kopiërende schilder, met schijn die waarheid zal verbeelden. Zo was deze paradox de constante van zijn leven: de militair die hij noodgedwongen was geweest en de kunstenaar die hij had willen zijn. Oorlog en terpentijn ” (blz. 332).

Dit boek is inderdaad een meesterwerk door de subtiele, emotioneel intelligente analyse van een familiegeschiedenis die naadloos aansluit bij een nationaal en internationaal verleden en daardoor voor menig lezer van Hertmans’ generatie herkenbaar is, zoals de passage waarin Urbain Martien een obushuls mee naar huis zeult. Onze grootmoeders hadden ze in huis:

Op onze definitieve terugtocht enkele weken later vind ik tussen alle denkbare puin, rommel en achtergelaten geschut, een ongeschonden obushuls in een sloot in de buurt van Merelbeke, het is een zwaar kaliber, 215 mm. Mijn kameraden lachen me uit omdat ik het zware ding naar huis wil zeulen. Zwetend bereik ik die middag mijn thuis en geef de koperen huls aan mijn moeder, die zegt dat ze er bloemen in zal planten. Dat heeft ze nooit gedaan; ik heb de huls later op de trapstijl van ons nieuwe huis gezet, en Gabrielle, die niet van poetsen hield, zei: Ge kunt zien dat ge dat koper zelf proper houdt, Urbain.

En waar het gaat om de Slag van Schiplaken (blz. 184) en de schrijvende schilder of schilderende schrijver zich in mijn onmiddellijke omgeving begeeft:

We liepen dieper het bos in (Schiplaken- en Steentjesbos?, BK). De avond viel, de schemer maakte het ons moeilijker om vooruit te komen. Kampenhout zouden we niet bereiken. Overal lagen een soort loden knikkers op de grond, sporen van kartetsen en brisantgranaten die erop wezen dat er in dit bos strijd geleverd was. Hier en daar viel een obus op minder dan honderd meter van ons. […] Ik zag hoe de gezichten van bij het zachte licht slapende soldaten koperkleurig leken, met een warme tint zoals je die op de schilderijen van Goya kunt zien; de beschaduwde kant van hun slapende gezichten leek zo donker als van negers. Ik pakte stil mijn tekenblok uit mijn rugtas en ik maakte enkele vluchtige schetsen, het kalmeerde mij een beetje. (blz. 181)

Maar ook de pijnlijke vaststelling van ‘No poppies at all in Flanders Fields’ of ‘No poppies anymore’ door de moderne landbouwmethodes. Klaprozen bloeiden weelderig op de door oorlog omgewoelde grond.

Met “Het is allemaal zo lang geleden, het is een eeuw geleden, ik loop hier met zijn genen in mijn lijf, eenzamer dan alleen en voor alles te laat.” (blz. 323) knoopt deze roman ook aan bij het thema van het KUNSTENFESTIVAL WATOU van dit jaar Over alleenigheid en ondraaglijke eenzaamheid.  Bovendien brengt geen ander boek in de Nederlandse literatuur je bij mijn weten dichter bij de naweeën van die oorlog en de betekenis van 11 juli voor Vlaanderen en België.

Niets speciaals

Het is wellicht van mijn studententijd in Leuven geleden dat ik teksten van Jan van Ruusbroec (1293-1381), Vlaamse mysticus, las en dan vooral vanuit de historisch- literaire en taalkundige invalshoek. Met Hadewijch (13de eeuw), zijn voorloopster in de Vlaamse mystiek, had ik in de Nederlandse lessen op de middelbare school al kennis gemaakt. Begrijpen wat deze geëxalteerde godzoekers ervoeren was moeilijk. De mystiek bleef me echter intrigeren. Ik las over en van andere mystici en mystica’s en begreep dat ‘een schitterend juweel’ nooit een weggevertje is. Begrijpen en ervaren, een wereld van verschil.

In de jaren dat mijn leven in woelige wateren was terechtgekomen en ik stilte en rust zocht om de batterijen voor de toch wel veeleisende dagtaak weer te kunnen opladen, ging ik yoga doen, maakte ik kennis met zazen, begon ik te mediteren en tuinierde ik op zondag met plezier en voldoening. In de schaarse tijd die nog overbleef, las ik ook  graag literaire, filosofische en spirituele werken die dikwijls bijna onverklaarbaar aansloten bij de levensfase waarin ik zat. En geleidelijk trad er een bijna onmerkbare verandering op. Niets speciaals echter. Ik vond alleen de soms onverklaarbare energie om taken die me in de jaren voordien met moeite lukten,  tot een goed einde te brengen, ondanks het gesukkel met mijn gezondheid. Kennis en praktijk vulden elkaar aan en wijzigden voortdurend als een kleine bergstroom die moeizaam over de hindernissen van rotsblokken en boomstammen zijn weg zoekt naar zee. En af en toe waren er vervaarlijke draaikolken en stroomversnellingen die opperste alertheid vereisten wou ik niet kopje onder gaan. Het leven zelf werd mijn beste leermeester.

Die diepe, dynamische, stromende verbondenheid met het Leven vond ik ook onlangs verwoord, en wel in een Engelse vertaling van Ruusbroecs ‘Geestelijke Bruiloft’ en ‘Glinsterende Steen’ en even later in recente Nederlandse hertalingen van voor onze tijd verbazend actuele fragmenten uit die teksten.

Eén en ander zette  mij ertoe aan om te gaan wandelen waar Ruusbroec zich met een paar confraters terugtrok uit de Brusselse drukte nl. in de Kluis, later de Priorij van Groenendaal in het Zoniënwoud. Ik las de weinige  biografische gegevens die van hem zijn overgeleverd  en begreep waarom hij de  14de– eeuwse Brusselse clerus ontvluchtte, op zoek naar eenvoud, innerlijkheid en verbondenheid ver van het steedse verval  uit die dagen. De weerstand van de Brusselse geestelijkheid tegen die beslissing was groot.

Lindevijver – Groenendaal (Hoeilaart)

Zijn mystiek, ook wel als natuurmystiek omschreven, is sensitief, wordt wereldwijd gelezen en geapprecieerd. En al kan ze voor rationele lezers overkomen als een vertoeven in een imaginaire wereld, ze is doorleefd en naast het beschrijven en verwoorden van ‘wat niet te verwoorden is’ houdt ze altijd in het achterhoofd dat ‘de hoogste kennis is te begrijpen dat God onbegrijpelijk is’.

Roses de Juin, vous les plus belles – Emile Verhaeren

Roses de Juin, vous les plus belles,
Avec vos coeurs de soleil transpercés ;
Roses violentes et tranquilles, et telles
Qu’un vol léger d’oiseaux sur les branches posés ;
Roses de Juin et de Juillet, droites et neuves,
Bouches, baisers qui tout à coup s’émeuvent
Ou s’apaisent, au va-et-vient du vent,
Caresse d’ombre et d’or, sur le jardin mouvant ;
Roses d’ardeur muette et de volonté douce,
Roses de volupté en vos gaines de mousse,
Vous qui passez les jours du plein été
A vous aimer, dans la clarté ;
Roses vives, fraîches, magnifiques, toutes nos roses
Oh ! que pareils à vous nos multiples désirs,
Dans la chère fatigue ou le tremblant plaisir
S’entr’aiment, s’exaltent et se reposent !

Emile Verhaeren, Les Heures du Soir, Mercure de France, 1922, pp. 73-74