Vaak ben ik gelukkig – Jens Christian Grøndahl

‘Vaak ben ik gelukkig’, zegt de vertelster in de nieuwe roman van Jens Christian Grøndahl, ‘gelukkig van binnen, ook al kan ik het niet altijd laten zien. Dat zijn allemaal gewoon dingen die voorbij komen. Je wordt geduwd en getrokken, soms verdrukt, en je kunt uit koers worden geslagen, maar van binnen ben je nog steeds dezelfde.’

Verdrongen worden, bedrogen en weggemoffeld – daar weet Ellinor alles van. Eindelijk, voor het eerst in haar leven, vertelt ze het hele verhaal, zonder iets weg te laten, aan haar vriendin Anna. Die vriendin is al meer dan veertig jaar dood, verpletterd onder een lawine in de Alpen, tijdens een skivakantie. ‘Nu is jouw man ook dood, Anna’, schrijft ze. ‘Jouw man. Onze man.’

Achter die paar zinnen schuilt de kern van vier mensenlevens – precies het suggestieve, het mysterieuze en het diep menselijke dat het schrijverschap van de Deen Grøndahl (1959) karakteriseert. Hoe doet hij dat toch, vraag je je bij iedere nieuwe roman af – wat is het dat je iedere keer weer grijpt?

In deze nieuwe roman, Vaak ben ik gelukkig, schuilt het geheim in de compositie. Grøndahl koos voor de jij-vorm, waarbij de verteller zich direct tot iemand richt. Wij, de lezers, zijn niet degenen die de schrijver in het vizier heeft, maar we worden op die manier wel ingewijden, wij worden van buitenstaander deelgenoot van een geheim, een levensverhaal.

Onder de douche

De eerste cryptische zin (‘Jouw man. Onze man’) zet ons al meteen op scherp: hoezo? Wat volgt zijn een paar zinnen over een graf, ‘jij had al buren’, over kalksteen of graniet, over wie je van waaruit kunt zien. Dan blijkt dat ‘Jouw man. Onze man’ onder de douche in elkaar is gezakt, dat hij 78 was, dat hij ‘het je nooit helemaal heeft vergeven’ en dat ‘ik jouw plaats nooit helemaal had kunnen innemen’.

Langzaam, stap voor stap, flard bij flard wordt ons duidelijk welk drama er schuilt achter ‘Jouw man. Onze man.’ Die doses informatie krijgen wij mondjesmaat, tussen de regels door toegeschoven, vrij meanderend, quasi-achteloos. Uiteindelijk leggen we de stukjes aan elkaar: twee jonge stellen gaan op wintersport, de man van de één krijgt een verhouding met de vrouw van de ander, samen worden ze vermorzeld door een lawine. De andere twee brengen de rest van hun leven met elkaar door, de vrouw zorgt voor de kinderen van haar overleden, overspelige vriendin. Als haar man, ‘jouw man, onze man’, sterft, maakt de vertelster de balans op en keert ze terug naar de buurt waar ze opgroeide.

De plot is snel verteld, al onthult de vertelster ook nog haar eigen verrassende afkomst, waarover ze nooit met iemand heeft gesproken. Ook schetst ze hoe haar innige relatie met de kinderen van haar vriendin met de jaren, na hun huwelijk en nadat ze zelf ouders waren geworden, veranderde, scheuren ging vertonen. Het enige dat onveranderd is, is de diepe vriendschap die ze voelt voor haar vriendin, die ondanks alles geen krasje heeft opgelopen.

Suggestief en spannend

Maar in wezen staat de plot, hoe leidend ook, bij Grøndahl altijd op het tweede plan, is hij suggestief en daarom zo spannend. Ook in deze vertaling blijven zijn toon en timbre behouden, resoneert de emotie, de psychologie mee, zonder ook maar een moment de overhand te krijgen. Als de vertelster uiteindelijk terugkeert naar de buurt waar ze is opgegroeid, een wijk met beduidend minder status dan die waar ze met haar man heeft gewoond, schrijft Grøndahl dat het voor haar ‘twee foto’s lijken die over elkaar heen zijn genomen omdat je bent vergeten het filmpje door te draaien. De lijnen worden verdubbeld, het perspectief verschuift een beetje en in die afstand, in die verschuiving van onscherp licht, heb ik opeens het grootste deel van mijn leven geleefd.’

Dit soort observaties maken Vaak ben ik gelukkig tot een schitterende vintage Grøndahl.

Met dank voor deze recensie aan NRC en Margot Dijkgraaf

Advertenties

Moedervlekken – Arnon Grunberg

Een autobiografisch ‘moederboek’ is Moedervlekken […] niet. Het is ‘gewoon’ een roman. Wel een die gaat over een veertiger die weer bij zijn fysiek aftakelende moeder in Amsterdam woont. De moeder heeft flink wat trekken van Hannelore Grünberg-Klein, of althans van de verhalen en anekdotes die Grunberg de afgelopen twintig jaar verspreid over haar heeft opgeschreven. Ze overleefde het kamp en benadert haar zoon met een agressieve vorm van moederliefde: verwijten en klachten zijn de belangrijkste verschijningsvormen van die liefde.

De hoofdpersoon van deze roman is Otto Kadoke (klemtoon op de laatste lettergreep, BK) ooit vernoemd naar Otto Frank, maar hij laat zich al zijn hele volwassen leven Oscar noemen. Kadoke is een in suïcidepreventie gespecialiseerde psychiater die werkt op de crisisdienst: het is zijn taak om mensen ervan te weerhouden zichzelf iets aan te doen. En hij is een typisch Grunberg-personage dat zo kan aansluiten in de rij bij Jurgen Hofmeester (Tirza), Roland Oberstein (Huid en haar) en al die anderen. Druk rationaliserend meent hij het leven onder controle te hebben, maar al snel wankelt hij. Hij wordt ingehaald door sterkere krachten. Al kan Kadoke dat zelf niet echt geloven: ‘Onrust heeft zich van hem meester gemaakt. Iets sleepte hem mee. Emoties kunnen het niet zijn geweest, die heeft hij onder controle.’

In het geval van Kadoke (dat tegelijk aan cadeautje, kaduuk en k.o. doet denken – en geen van alle ten onrechte) begint het wankelen wanneer hij op een middag in een van de twee Nepalese bejaardenverzorgsters van zijn moeder ineens veel méér ziet als deze slechts gekleed gaat in een handdoek, en hij ziet nog meer als die handdoek van haar is afgegleden. Tijdens de seks voelt hij zich een koloniaal, maar de straf volgt snel. Niet veel later is hij gewond en moet hij op zoek naar nieuwe verzorging voor zijn moeder.

Daar ongeveer, na een pagina of zeventig, neemt Grunberg de laatste twijfels weg over de vraag in hoeverre deze roman een verkapte autobiografie is. Hij gooit de lezers de fictie hard in het gezicht als een nieuwe bejaardenverzorgster de moeder onder de douche wil zetten. Ze gilt en komt ontzet de woonkamer weer binnen: ‘Uw moeder heeft een piemel.’ Kadoke legt rustig uit: ‘Na de dood van mijn moeder raakte mijn vader in een diepe depressie. Hij kwam er niet uit tot hij na weken, maanden, mijn moeders kleren begon aan te trekken, hij werd als het ware zijn vrouw, zijn dode vrouw. Hij deed zijn pakken de deur uit, hij ging anders praten, hij eigende zich haar geschiedenis toe, hij veranderde in zijn dode vrouw.’ Het verhaal kan de zorgprofessional niet overtuigen: zij neemt de benen.

In zijn werk op de crisisdienst functioneert Kadoke behoorlijk (‘Je moet zelf een beetje een noodgeval zijn om de echte noodgevallen te herkennen’), maar hij begint fouten te maken en te twijfelen. Dat brengt hem in contact met Michette, een jonge vrouw die bleekwater drinkt en bedekt is door littekens die het gevolg zijn van zelfverminking. Ze is van de ene kliniek naar de andere gegaan, maar zonder echt resultaat.

Op de achtergrond trekt nog een tweede vrouw aan Kadoke: een jonge zwarte collega van de crisisdienst die ooit onder de indruk is geraakt van diens publicaties over suïcidepreventie. Deze Dekha (een vrouw in een opgeruimd huis) wil met hem de toekomst in. Daar aarzelt Kadoke over, al is het maar omdat hij zijn moeder heeft. En moeder is niet geschikt voor de toekomst.

Demonen

En uiteindelijk is dat waar alles om draait in deze tamelijk plotloze, wrang-geestige, maar allengs steeds droeviger wordende roman. Want wat hebben we uiteindelijk? Een moeder die zegt dat ze niet dood kan gaan omdat niemand van haar zoon kan houden: ‘Je kunt het de mensen niet vragen van je te houden, het is te veel gevraagd. Alleen van je moeder mag je dat vragen.’ Alleen van je moeder kun je dat vragen en die noodzaak was kennelijk zo groot dat bij haar dood Kadokes vader de plaats van zijn vrouw heeft ingenomen.

Kadokes visie op de transformatie van zijn vader is verwant: ‘Hij is de voortzetting van haar trauma’s […] Maar wij zijn allemaal de voortzetting van andermans trauma’s, u, ik, – we zouden moeten ophouden te geloven dat het onze eigen trauma’s zijn die ons op onverwachte momenten komen bezoeken, als geesten, als stemmen, als demonen.’ Zo is er een moeder die wil leven omdat er niemand van haar zoon kan houden en een zoon die wil dat zijn moeder leeft opdat haar trauma’s niet verdwijnen. Het maakt Moedervlekken(Kadoke heeft een aantal vermoedelijk goedaardige plekjes op zijn rug die zijn gaan groeien) tot een boek waarin het behoud van het leven in het teken staat van het verleden – en dan niet eens een vrolijk verleden.

Dat wordt nog extra geaccentueerd door Kadokes beroep. Hij moet niet alleen zijn moeder verleiden om te blijven leven (en om te eten, ook dat element komt in de roman voor), het is ook zijn dagtaak om zich, in Grunbergs woorden, tussen de patiënt en de dood in te wringen. ‘Waarom is uitgerekend hij uitverkoren om propagandist van het leven te worden. Er zijn betere kandidaten denkbaar. Is wat hij ooit aanzag voor uitverkiezing niet gewoon een vervloeking?’

Dat wringen tussen de patiënt en de dood gaat, zowel in het geval van moeder als in dat van Michette, gepaard met een vorm van gevangenschap. De jonge vrouw vol littekens aan de buitenkant en de oude vrouw vol littekens aan de binnenkant staan constant onder controle. Niet zozeer omdat ze moeten leven, maar omdat ze niet mogen sterven. Zo groot is de uitzichtloosheid: een man schreeuwt tegen zijn moeder omdat ze niet dood mag, omdat haar trauma’s – en God weet dat haar trauma’s niet mis zijn – bewaard moeten blijven. Wat Grunberg hier beschrijft is een generationeel doorgegeven verbod op geluk. Dat doet hij niet als eerste en hij doet het ook niet voor het eerst, maar hij doet het zeer indringend.

Zo lukt het niet om los te laten, al doet Kadoke aan het eind van het boek een dappere poging, wat de lezer in elk geval nog een sprankje hoop geeft: ‘Dit niet-sterven kan zo niet langer.’ In de hoopvolle illusie zit de kracht van Moedervlekken echter niet. Wel in het alomtegenwoordige verzet tegen de dood dat uit de roman spreekt. Een verzet dat misschien voortkomt uit de verkeerde motieven en dat uiteindelijk hoe dan ook zinloos is. Behalve dan dat het het verdriet tastbaar maakt. Want één ding is zeker: ondanks alle zorg zal de moeder toch ontsnappen. En zelf je moeder worden, zoals Grunberg eerder schreef, dat kan alleen in romans.

Met dank aan NRC en Arjen Fortuin

Zeer boeiende, diepgravende roman, die zich vlot laat weglezen. De tragi-komische voorvallen (de badkamerscène met de Nepalese verzorgster en de gevolgen ervan, de alternatieve therapie) zijn originele trucs die de spanning erin houden; de moedervlekken als thematiek van de verbondenheid tussen moeder en zoon maar ook tussen psychiater en patiënt bestrijken het brede betekenisspectrum van liefde, (patiënten)zorg en vriendschap. Een aanrader!

Den tid det tager – De tijd die nodig is – Jens Christian Grøndahl

In De tijd die nodig is, Meulenhoff, 2008 kijkt Jens Christian Grøndahl naar drie generaties vrouwen door de ogen van de 48-jarige Ingrid Dreyer, single moeder en succesvolle architecte. Haar oma, moeder en zijzelf blijken allen een aperte weerstand tegen geluk te hebben. Oma Ada (schrijfster), moeder Berthe (literair journaliste) en dochter Ingrid breken uit een huwelijksrelatie waarin ze ‘schijnbaar’ alles hebben. Toch vallen ze voor de  passionele liefde, de begeerte of het verlangen ernaar. Het is Ingrid die haar leven reconstrueert in een tijdspanne van vier dagen (Donderdag, Vrijdag, Zaterdag en Zondag) nadat ze op zakenreis in Stockholm het bericht ontvangt dat haar 15-jarige zoon Jonas op het politiebureau zit omdat hij een allochtone jongen een hersenschudding schopte.

Als ze op die jaren terugkijkt, is het net of ze haar ogen tegen een telelens houdt, die een beperkte uitsnede vergroot door de tussenliggende afstand samen te persen en onherkenbaar te versluieren. Blz. 21

Als haar de vrije loop wordt gelaten, vormt de liefde zich naar haar eigen zin en geen banaal detail dat er door wordt verzacht en vertederd. Blz. 21

Ze had Anders misschien nooit verlaten als ze Frank niet had ontmoet, of misschien ook wel. Ze had het misschien wel in zich, als een holte, een onontdekte lege ruimte waar dat wat er was meer ruimte had moeten innemen dan het bleek te doen. Blz. 22

Niet de perfecte of harmonieuze liefde is JCG’s  werkterrein,  maar de onmogelijkheid tot liefde, de beschadigde liefde, of op zijn minst de onvolkomen liefde.  [Ze is] een stabiele kracht – niet alleen als ankerpunt in de chaos van het leven, maar ook, en misschien wel vooral, in haar willekeur.[…] Zijn personages ervaren een afstand tussen de wereld en henzelf, en doorvoelen dat de mens in essentie alleen is. […] De mens is meer dan alleen: hij is ook bijzonder gebrekkig.

In interviews erkent Grøndahl de betrekkelijke monomanie in zijn werk. In november 2008 liet hij optekenen: ‘Hoewel ik voor iedereen schrijf, ga ik er niet van uit dat iedereen iets aan mijn boeken heeft. Ik geloof niet dat ik mezelf voortdurend kan heruitvinden als schrijver. Ik schrijf om bepaalde redenen – redenen die ook voor mij deels verborgen zijn. Door te schrijven en steeds terug te keren naar mijn obsessies, ga ik naar die redenen op zoek. Ik kies in dat opzicht niet echt mijn thema’s – ze zijn daar. En ze zijn basaal: mannen en vrouwen, herinnering, tijd, verlangen’ (DSL 2008).

Altijd beschrijft Grøndahl, net als Proust, een specifieke aanleiding voor het verzinken in herinneringen. Er is een litteken of een wonde die door een bepaalde gebeurtenis wordt opengereten – de geur van het wondvocht werkt precies als een in een kop thee gesopt koekje en zet het onvrijwillige geheugen in gang. Aan de basis ligt altijd een trauma: een ongeconsumeerde liefde, een verkeerd uitgedraaide keuze, een ondraaglijk moment van willekeur, of, een favoriet onderwerp van Grøndahl, overspel.

In De tijd die nodig is, de overspelroman bij uitstek, pleegt iedereen het. De oorzaak is soms overduidelijk soms ook helemaal niet.

Ingrid en Frank: Ze kan het nog niet voelen. Zoals ze naast hem in de schemering ligt, leeft ze nog steeds in de hoop [dat hij zijn vrouw Lise verlaat, BK]. Die omgeeft haar als de draaiingen van een schelp. De hoop dat die dag komt. Dat het gewoon een kwestie is van het de tijd geven die het duurt. Blz. 234

Over Ada en Per en Norman en Berthe: Heel de droom van een provinciale kunstsnob over een symfonisch leven op het Kopenhaagse Parnas [de ouders van Ada ambieerden een muzikale carrière voor haar, BK]. Het was niet chic genoeg om bij je man weg te lopen omdat je nodig geneukt moest worden. Dat is overigens een uitstekende reden, maar jij zou dat ook niet chic genoeg hebben gevonden, hè moeder? Dan liever jezelf vinden, hè? Blz.305

Ada, Berthe en Ingrid: Drie vrouwen in een veel te groot appartement op een veel te grijze, stille zondag. Drie stadia van verwaand, overmoedig egocentrisme. ‘Bedankt voor de thee,’ zegt ze en staat op. Blz. 306

Interessant in bovenstaand verband leek me JCG’s idee over de constructie van een identiteit zoals hij die verwoordde op de viering van 10 jaar Het Beschrijf in de KVS in 2010 :

Odysseus, die ‘ver van Ithaka en van zijn rol van koning […] werkelijk niemand’ is, had misschien wel een verborgen reden  ‘voor al die omwegen op zijn thuisreis, naast de evidente dat er zonder de omwegen geen verhaal zou zijn gekomen. Misschien had hij ingezien dat het interessanter is om onderweg te zijn dan aan te komen. Het kan zelfs zijn dat hij onderweg, tijdens de bochtige onvoorspelbaarheid van de reis, ervaren heeft dat een mens nooit te reduceren is tot de vraag “waar” of “wat” je bent’.

Als schrijver, die bovendien geworteld is in een Europese canon, beseft [JCG] als geen ander dat, ‘tijdens de fasen van vluchtigheid en metamorfose in de levensreis’ de identiteit muteert van een statisch naar dynamisch fenomeen. Zijn is een illusie; ‘men is bezig te worden wat men in de eigen voorstelling nooit zou kunnen worden’. Grøndahl kan dan ook concluderen dat je identiteit precies het verhaal is dat ooit, op een bepaalde dag, valt te vertellen over wie je was, en wat je hebt meegemaakt. Iemand is wat hij vertelt.

Identiteit is voor Grøndahl bij uitstek een activiteit – het overkomt je niet, je maakt het. Het vormen van een identiteit is een recht, uiteraard, maar wellicht ook een plicht van de mens – zoals vroeger, toen iedereen met een identiteit werd geboren, wordt het niet meer.

Precies dat is wat deze drie generaties vrouwen en hun ‘schepper’ doen: zichzelf een identiteit geven en voor de oudste van de drie was dat alles behalve evident:

De rest van het gezelschap was al naar de auto’s, maar Per bleef staan. Hij had het over de vrouwelijke Einzelgänger uit die tijd, over hun eenzaamheid, hun wildheid en hun rauwe verlangen om uit te breken. De vrouwen van Ibsen die in onzekerheid verkeerden als Nora of in het duister als Hedda die zich een kogel door het hoofd schoot. Ingeborg Stuckenberg die met de tuinman naar Nieuw-Zeeland  was vertrokken en haar dichter en de kinderen achterliet. Alleen om in diepe ellende weg te zinken en tenslotte de uitweg van Hedda te kiezen. De tuinman had wel voor een retourticket gezorgd maar alleen voor zichzelf. Blz. 291

De tijd die nodig is om het verhaal van deze drie vrouwen te vertellen is ook thematisch een reis door de tijd waarin ze leefden, liefhadden en zichzelf een identiteit gaven in een relatief statische buitenwereld:

Ingrid, bewust van haar individuele metamorfose, alleen in het park van kasteel Rosenborg in Kopenhagen:

Ze vraagt zich af hoe vaak ze in de loop der jaren op één van de banken onder de krans van geknotte boomkruinen naar de hals van de zwaan heeft zitten kijken, die uitliep in een schuimende, verwarde pluim. Ze weet het niet, maar dit is zo’n plek die verandering aangeeft omdat hijzelf niet verandert. Blz. 120

Ingrid op bezoek bij oma Ada: Er is niets veranderd, dat is juist de verandering. Blz. 265

Er zijn dingen die verteld moeten worden zolang er nog tijd voor is, denkt Ingrid, en ze heeft het nu eens niet druk.[…] Zij tweeën samen in de tijd die het duurt. Blz. 267

De tijd die nodig is legt de pijn van het zijn of beter het worden op ongewoon indringende wijze bloot. De roman confronteert, verrast, schetst heel precies de wisselende tijdsgeest waarin een vrouwelijk emancipatieproces op gang kon komen maar idealiseert dat proces geenszins. Of je ‘iemand’ wordt, kun je zelf bepalen maar slechts ten dele. Grøndahl laat verstaan dat omstandigheden, leefomgeving en familie je eveneens onbewust sturen.

Met dank aan A. Van Caeneghem en Streven