Bij leven slechts paar honderd boekjes verkocht, toch kent iedereen zeker één zin van zijn werk: het getroebleerde leven van Paul van Ostaijen – Het Nieuwsblad

20/02/2021 om 11:30 door Paul Demeyer

Bij leven slechts paar honderd boekjes verkocht, toch kent iedereen zeker één zin van zijn werk: het getroebleerde leven van Paul van Ostaijen

Vier dichtbundels. Vier prozawerkjes. Bij leven een paar honderd stuks ervan verkocht. Nee, kwantitatief stelt Paul van Ostaijen niet zoveel voor. Toch zijn in Vlaanderen en Nederland twaalf straten naar hem vernoemd. En toch kunnen we allemaal minstens één zinnetje uit zijn werk debiteren. Klaar? Dag ventje op de fiets op de vaas … Mooi. Deze maand is het 100 jaar geleden dat zijn bundel Bezette stad verscheen. Reden genoeg voor een tocht door het getroebleerde leven van de poëet.

Klein Polleke, zo noemden zijn ouders hem sinds zijn geboorte op 22 februari 1896. Hij was hun zevende kind, een nakomertje. Hoewel klein Polleke maar 32 werd, overleefde hij op één na al zijn broers en zussen. Bij zijn geboorte hadden zijn ouders hun fortuin al gemaakt in de loodgieterij. Vader deed installaties en herstellingen, moeder runde de winkel in Antwerpen. Ze was te veel commerçant om na de geboorte lang uit de winkel te blijven, en plaatste Paul daarom bij een min in Mortsel. Tot ze hoorde dat haar baby daar meer water dan melk kreeg. Mogelijk lag daar de verklaring voor zijn zwakke gezondheid.

Bij leven slechts paar honderd boekjes verkocht, toch kent iedereen zeker één zin van zijn werk: het getroebleerde leven van Paul van Ostaijen

Paul werd weer naar huis gehaald, waar vader zich ondertussen ook op de immobiliënmarkt had begeven. Hij was zelfs twee dagen eigenaar van het fameuze Rubenshuis in Antwerpen. Dat rusteloze, dat verkennende, dat zat ook in Paul. In de lagere school deed hij van alles wat niet mocht. Uit de klas weglopen om naar de lutteurs – vechters – op de Vogelmarkt te gaan kijken, of over de omheining van de velodroom in Zurenborg kruipen om naar de koersen te kijken.

De muizenjacht

Dat kattenkwaad haalde hij altijd uit met zijn vriend, Jos Léonard, die later het grafisch werk van zijn dichtbundels zou verzorgen. Als kind al daagden die twee elkaar uit. In het worstelen, het fietsen, maar ook in het schrijven. Ze bedachten onderwerpen waarover ze een opstel moesten schrijven. Op een keer was dat de muizenjacht. De 10-jarige Van Ostaijen schreef toen: “Een knecht moest muizen vangen van zijn baas. Wanneer de baas aan de knecht vroeg: Jan hoeveel hebt g’er al gepakt? antwoordde Jan: Als ik die heb waar ik achter zit en nog een, heb ik er twee.”

Zo goed als Paul het deed in de lagere school, zo slecht ging het in het middelbaar. Hij werd opstandig. Kon niet tegen gezag. Voelde zich gekleineerd omdat jongens uit het Franstalige elitemilieu werden voorgetrokken. Een voorbeeld daarvan: ook al kon Paul het best van zijn klas gedichten debiteren, toch ging de eerste prijs voordracht naar een jongen uit de Franstalige aristocratie. Daar ligt de kern voor Van Ostaijens flamingantisme. Hij sloot zich aan bij de Vlaamse Bond, een groepering van Vlaamsgezinde studenten die de naleving van de taalwet van 1883 – het middelbaar onderwijs moet volledig in het Nederlands worden gegeven – controleerde.

Bij leven slechts paar honderd boekjes verkocht, toch kent iedereen zeker één zin van zijn werk: het getroebleerde leven van Paul van Ostaijen
FOTO: RR

Poseurs

Van Ostaijen zou driemaal van middelbare school veranderen om uiteindelijk zijn diploma niet te halen. Hij solliciteerde dan maar voor een job als klerk op het stadhuis. Door de invoering van de algemene dienstplicht was daar plots veel administratief werk. Ondertussen schreef Van Ostaijen ook voor Carolus, het weekblad der Vlamingen. Als eerste opdracht mocht hij een schilderijententoonstelling verslaan. Hij hield zich niet in: “Van der Ouderaa schildert seniel en de futuristen zijn niet veel meer dan poseurs.”

Zelf was hij ook een poseur. Met zijn hoed, sjaaltjes en hippe kostuums viel hij op in het Antwerpse uitgaansleven. Wacht eens? Het was ondertussen 1914 voorbij. Oorlog dus. En Van Ostaijen kon uitgaan in Antwerpen? “Het kan vreemd klinken, maar het was zo. Antwerpen bruiste tijdens de Eerste Wereldoorlog”, zegt professor Dirk De Geest, hoofd van de onderzoeksgroep Nederlandse Literatuur van de KU Leuven.

“Er was wel een avondklok, maar daarvoor gingen mensen vrij naar de cinema en de dancings. Er was weinig werk door de oorlog en de stad liep vol jonge mensen. Zij organiseerden van alles: voetbalwedstrijden, ze gingen rolschaatsen en speelden theater. Niet echt opvoeringen, maar ze lazen de rollen. Uit dat nachtleven haalde Van Ostaijen de inspiratie voor zijn eerste bundel Music-Hall. Een bundel die hij trouwens grotendeels tijdens zijn werkuren op het stadhuis schreef. Dat kon, omdat zijn baas zelf een mislukte schrijver was.”

Bij leven slechts paar honderd boekjes verkocht, toch kent iedereen zeker één zin van zijn werk: het getroebleerde leven van Paul van Ostaijen
FOTO: RR

Hoewel ze zich in het milieu van de flaminganten wat geneerden om de flamboyante Paul van Ostaijen, hadden ze hem er toch graag bij wanneer ze acties planden. Zoals die keer in september 1917, toen Vlamingenhater kardinaal Mercier naar Antwerpen kwam. Van Ostaijen ging dan aan de kant van het parcours “Weg met de kardinaal” roepen. Hij en vier kornuiten werden opgepakt en op 28 maart 1919 veroordeeld tot drie maanden cel en twintig frank (een halve euro) boete.

Het verschil tussen noch en nog

Maar tegen dan was Paul van Ostaijen al naar Berlijn gevlucht met zijn lief Emma ‘Emmeke’ Clement, een rijzige mannequin, gescheiden vrouw en moeder van een dochtertje. “De twee zouden elkaar voor het eerst hebben gezien aan een tramhalte aan de Meir”, zegt journalist Marc Reynebeau, auteur van Ik heb je nog steeds zeer lief, over de brieven die Paul en Emma elkaar schreven. “Van Ostaijen wijdde Emma in de literatuur in met taallessen. Hij deed dat met liefdeszinnetjes, zoals de titel van mijn boek: met dat zinnetje leerde hij Emma het verschil tussen noch en nog.”

Bij leven slechts paar honderd boekjes verkocht, toch kent iedereen zeker één zin van zijn werk: het getroebleerde leven van Paul van Ostaijen

Reynebau zegt dat Emma Clement, die drie jaar ouder was dan Van Ostaijen, “goede contacten” had met de Duitse officieren in het Antwerpse nachtleven. Ze was dus ook verbrand en wilde na de oorlog liever niet in Antwerpen blijven. “Emma nam het initiatief om meteen na de oorlog, met Paul maar zonder haar dochtertje, naar Berlijn te verhuizen, waar een vriendin van haar woonde bij wie ze even konden intrekken. Daaraan zie je al dat zij de broek droeg in de relatie. Emma zou trouwens al gauw werk vinden in Berlijn. Eerst als verkoopster in een kledingwinkel, daarna als mannequin. Terwijl Paul werkloos bleef. Hij mocht dan nog zo avant-gardistisch zijn, hij was ook een macho die het eigenlijk niet kon hebben dat hij op de kap van zijn vriendin leefde.”

Op één kamertje

In Berlijn schreef Van Ostaijen zijn meesterwerk Bezette stad. Over het Antwerpen tijdens de oorlog. Een zeer expressionistische dichtbundel met de overbekende frase “Boem. Paukeslag. En alles ligt plat”. Maar dan in vier verschillende lettertypes geschreven en met de woorden ver uiteen. Heel de bundel barst van ritmische typografie. “Vergis u niet. Het is niet omdat we vandaag dat werk nog kennen en waarderen, dat het destijds een verkoopsucces was”, zegt professor Dirk De Geest. “Bezette stad viel toen ook eigenlijk amper op en de recensies waren verre van unisono lovend.”

Bij leven slechts paar honderd boekjes verkocht, toch kent iedereen zeker één zin van zijn werk: het getroebleerde leven van Paul van Ostaijen

En ook met de liefde ging het niet goed. Toen ze uit geldgebrek naar een eenkamerappartement verhuisden, vluchtte Emma in het uitgaansleven waar ze de Duitse fysicus Peter Pringsheim ontmoette met wie ze zou trouwen. “Hij is er altijd discreet over gebleven, maar Van Ostaijen had nadien nog wel een paar vriendinnen”, zegt Marc Reynebeau. “Het is trouwens nooit tot een complete breuk gekomen met Emma. Ze bleven elkaar tot het einde brieven schrijven. Daarin lees je vooral Van Ostaijens heimwee naar hun romance.”

Geloof in genezing

Na 2,5 jaar keerde Van Ostaijen – hij was toen al ziek – alleen terug naar Antwerpen, waar hij amnestie kreeg als hij alsnog zijn legerdienst deed. “Bij zijn terugkeer is Van Ostaijen weer bij zijn ouders gaan wonen. Hij deed links en rechts wat jobs: verkoper in een boekhandel en kunsthandelaar in Brussel. Het bracht weinig op maar Van Ostaijen was een leven in armoede al goed gewend van in zijn Berlijnse periode”, zegt Matthijs de Ridder, die zonet twee Van Ostaijen-boeken uit heeft en later dit jaar ook nog een nieuwe biografie.

Tuberculose, die ook Pauls broers en zus fataal werden, bleef de dichter verder slopen. Eerst nog verhuisde hij voor de gezonde lucht naar de Kempen. De laatste zes maanden verbleef hij in een sanatorium in Miavoye-Anthée, nabij Dinant. “Hij geloofde in zijn genezing”, zegt De Ridder, “want in zijn brieven aan zijn vader schreef hij dat het niet nodig was zijn post achterna te sturen, want hij zou toch gauw naar Antwerpen terugkeren.”

Niet dus. Op 18 maart 1928 vonden de verpleegsters hem dood, in zijn bed. Zijn laatste gedichten – waaronder Mark groet ’s morgens de dingen – zijn postuum uitgegeven in de bundel Nagelaten gedichten.

‘Boem Paukeslag’ van Matthijs de Ridder en ‘Besmette stad’, samengesteld door Matthijs de Ridder en Willem Bongers-Dek, zijn uitgegeven bij Pelckmans.

Vlaanderen koopt origineel handschrift Paul van Ostaijen voor 725.000 euro in jubileumjaar voor dichter – VRT nws

Winter – Ali Smith*****

Vier mensen – twee oude zussen, Iris en Sofia, Arthur, de zoon van Sofia en een buitenstaander Charlotte/Lux – vieren samen kerst in Cornwall, in een kast van huis (Che Bres) met 15 slaapkamers. Sofia, een gepensioneerde zakenvrouw, verschanst zich in haar huis in Cornwall en het verwijt van zus Iris, de activiste, aan het adres van Sofia klinkt “een oude gierige chagrijn die niets in huis had voor uw zoon en zijn vriendin voor Kerstmis, behalve een zak walnoten en een halve pot gekonfijte kersen” blz. 188.

Deze tweede roman uit de seizoenencyclus van Ali Smith is een een roman over kille vervreemding, wreedheid, maar ook tederheid, terechte woede en spirituele generositeit.

Smith begint Winter als volgt: ‘God was dood: dat om te beginnen. En de romantiek was dood. Ridderlijkheid was dood. Poëzie, proza, schilderkunst, ze waren allemaal dood, en kunst was dood. Theater en film waren allebei dood. Literatuur was dood. Het boek was dood. Modernisme, postmodernisme, realisme en surrealisme waren allemaal dood. Jazz was dood, popmuziek, disco, rap, klassieke muziek, dood. Cultuur was dood. Fatsoen, maatschappij, familiewaarden waren dood. Het verleden was dood. Geschiedenis was dood. De verzorgingsstaat was dood. Politiek was dood. Democratie was dood. Communisme, fascisme, neoliberalisme, kapitalisme, allemaal dood, en marxisme, dood, feminisme, ook dood. Politieke correctheid, dood. Racisme was dood. Godsdienst was dood. Nadenken was dood. Hoop was dood.’

Winter is donkerder dan Herfst en dat lijkt logisch, al is de somberheid niet zo erg dat er geen zweem van leven of levendigheid zou te bespeuren vallen.

Enkele citaten uit het boek :

Dat is wat winter is: een oefening in je herinneren hoe je zelf moet verstillen en dan hoe je weer flexibel tot leven moet komen. Een oefening in je aanpassen aan elke bevroren of gesmolten toestand die hij je brengt. blz. 66

Sofia zweefde tussen slapen en waken met het hoofd in haar armen en droomsoezend over een reeks nekken zonder hoofd, hoofdloze stenen torso’s, hoofdloze madonna’s, Jezusbaby’s van wie het hoofd ontbrak of alleen nekken of halve hoofden. […] Maar het werkte ook andersom. Die geschonden heiligen en beelden leken eerder uitingen van overleven dan van verwoesting. Ze waren het bewijs van een nieuwe staat van standvastigheid, mysterieus, hoofdloos, gezichtloos, anoniem. blz. 106

Lux, de ersatz van Charlotte, die tegen betaling Arthur vergezelt, heeft het over Cymbeline, één van de laatste stukken van Shakespeare. De lezer merkt meteen dat Lux licht wil werpen op hun situatie, dat het stuk de metafoor wordt voor de wereld van deze vier toevallig samengekomen mensen, die alleen hun verleden met elkaar gemeen hebben. Ze heeft ook in een foliant van het stuk een gedroogde rozenknop gevonden die een afdruk naliet: Een stuk dat het heeft over een koninkrijk dat is ondergedompeld in chaos, leugens, machtsstrijd, verdeeldheid en een hele hoop vergiftigingen en zelfvergiftigingen, zegt zijn moeder. Waar iedereen doet of hij iemand of iets anders is, zegt Lux. En je kunt met geen mogelijkheid voorzien hoe die dingen zullen worden opgelost want het is zo’n warrige chaotische klucht van een chaos.

En ik vertelde jullie erover, zegt Lux omdat het is alsof de mensen in het stuk in dezelfde wereld leven maar apart van elkaar, alsof hun werelden op de een of andere manier losgeraakt of afgebroken zijn van elkaars werelden. Maar als ze gewoon buiten zichzelf konden stappen, of gewoon konden horen of zien wat er vlak bij hun oren en ogen gebeurt, zouden ze zien dat ze allemaal in hetzelfde toneelstuk zitten, dezelfde wereld, dat ze allemaal deel uitmaken van hetzelfde verhaal. Dus.

Dus, zegt Art. Waar zullen we het nu over hebben? Ik heb vannacht een droom gehad die was verbijsterend levendig. blz. 192

Waar hij wel naar verlangt, nu hij aan deze met eten bezaaide tafel zit, is winter, de winter zelf. Hij wil de essentie van winter, niet dat grijze meer van hetzelfde demi-saison. Hij wil echte winter waarin bossen met sneeuw zijn bekleed, de bomen nadrukkelijk met het wit, hun kaalheid glanzend en versterkt, de grond onder je voeten bedekt met sneeuw als met bevroren veren of geschaafde wolk maar gestreept met goud van de laagstaande winterzon door de bomen heen, en aan het eind van het nauwelijks waarneembare spoor, langs de inzinking in de sneeuw die een gesmoord pad tussen de bomen aanduidt, het uitzicht en het bos dat zich opent naar een licht dat zelf onbetreden is, nooit besmet is, weids als een uitgestrekte sneeuwzee, met daarboven de belofte van nog meer sneeuw die zijn tijd afwacht in het blanco van de hemel.

Naar sneeuw die deze kamer vult en alles en iedereen bedekt.

Een bevroren halm zijn die breekt, geen grashalm die buigt.

Te bevriezen, te versplinteren, zichzelf te ontsmelten.

Dat is wat hij wil.

In Arthurs blog Art in Nature: Na de Tweede Wereldoorlog, toen zo veel steden in puin lagen, was de vlinderstruik een van de meest voorkomende planten die zich in de brokstukken vestigde. De ruïnes vulden zich ermee, hier en in heel Europa. blz. 210

De ene grote onmogelijke liefde van Sofia Cleves – En ik heb ontdekt wat Che Bres betekent, zegt hij. […] Spreek je nu Cornish? zegt ze. Welnee, zegt hij […] ik heb het opgezocht, en het betekent Huis van de geest, van het hoofd, van de psyhe. Psyche’s Huis. blz.256

Sofia na een vrijage met de liefde van haar leven in zijn huis in London: Het is niet als seks. Het is alsof ze is gehoord, gezien, aandacht heeft gekregen, niet geneukt, genaaid of gepakt, niet als gewoon seks – maar iets wat ze nooit, iets waar ze geen naam voor heeft. Er gebeurt iets wat ze niet in woorden kan uitdrukken. blz. 257

Art die zijn vriendin Charlotte op stang heeft gejaagd krijgt na de dagen met Lux spijt van zijn gedrag: Alleen een omhelzing, op dat moment, zou beter zijn geweest dan het niets wat hij deed, het erger-dan-niets wat hij deed, haar verachten omdat ze iets had gevoeld, omdat ze had geprobeerd er woorden aan te geven, er een beeld aan te geven. blz. 267

Als Lux vertrokken is: Naast het beddengoed had ze een plastic waterflesje achtergelaten, halfvol. Hij ging op het beddengoed zitten en dronk wat er nog in zat. Zuiver Schots bergwater gewonnen uit een duurzame bron op het beschermde Glorat Estate in het hart van Schotland. Onverpest water. blz. 289

Hij [Art] gaat naar de bibliotheekwinkel om te zien of ze een Cymbeline hebben. Er staat een Pinguin-uitgave op de planken met Shakespeare. Op het omslag staat een man uit het verleden die uit een kist stapt. Hij slaat het op goed geluk open. Embraced by a piece of tender air. O, dat is mooi. blz. 300

En als hij enkele bladzijden later de tip van de vrouw uit de British Library volgt over de Fisher Library in Toronto waar de Shakespeare foliant zich bevindt en er online een afbeelding van vindt: Door de vorm die de bloem heeft achtergelaten lijkt hij op de geest van een vlam, lijkt hij de schaduw van een onverstoorbaar vlammetje. […] Het is de geest van een bloem op zijn steel, het echte ding allang verdwenen, maar kijk, het is er nog, de afdruk van het leven van de bloem die over de woorden op de bladzijde heen reikt, sprekend een voetpad dat naar de verlichte punt van een kaars leidt. blz. 303-305

Kortom, Winter is geen boek dat zich snel laat ‘verslinden’ omdat het, helemaal in de stijl van Ali Smith, wispelturig heen en weer springt van het ene vertelstandpunt naar het andere, je regelmatig op het verkeerde been zet wat de verteltijd, de vertelde tijd en de ruimte betreft, en het zodoende al vanaf het begin moed vergt om door te lezen: hoezo zweeft er een hoofdje rond Sofia’s hoofd? Heeft ze een oogaandoening? Hallucineert ze? Zitten we bij het begin van het boek midden in iemands droom? Neen, slow reading is hier aan de orde. En al is de verhaallijn eigenlijk erg simpel -vier mensen komen samen met kerst – het is verbazingwekkend hoe schijnbaar oppervlakkige, terloopse thema’s als kunst (Giotto, Barbara Hepworth), liefde, leven, dood, literatuur (Keats, Shakespeare) en politiek het verhaal optillen naar de hoogte van een duidelijk dubbel engagement met name in het huidige politiek-maatschappelijke bestel en in kunst.

Dirk De Geest enthousiast over Amanda Gorman: “niet zomaar een woordje placeren, maar minutenlang kunst brengen” – Faculteit Letteren KU Leuven

Professor Dirk De Geest (KU Leuven) is blij met het verbale cadeautje van Amanda Gorman. Hij legt in Het Laatse Nieuws uit wat dit gedicht en de voordracht ervan tot kunst maakt.

foto: wikipedia

KUNST

“Wat Amanda Gorman gedaan heeft, is niet zomaar een woordje placeren, maar minutenlang kunst brengen. Bij een goed gedicht stel je vast: geen enkel woord zou zomaar vervangen kunnen worden door een ander. Dan was er nog de mimiek, het timbre… Het klééfde. De toehoorder kan zich de woorden vervolgens eigen maken door ze vanbuiten te leren, te herhalen.”

“Wat het voor ons Vlamingen verrassend maakte, was dat Gorman daar helemaal als zichzelf stond. Hier worden gedichten vaak met een zekere tongue in cheek gebracht, wat bijvoorbeeld Wim Helsen schitterend doet. Cabaret. Maar dit was ernst, verpakt in alles wat poëzie zo bijzonder maakt: herhaling, rijm… De juiste pauzes, ook.”

Die eigenschappen vindt men vaak ook terug in de speeches van politici zoals Obama. Het verschil zit hem volgens De Geest in “de gelaagdheid” en de ruimte voor interpretatie. “Een gedicht is iets dat je moet lezen en herlezen, horen en nog eens horen. Hoeveel mensen zouden de tekst van Gorman intussen al niet een tweede keer beluisterd hebben, kwestie van hem goed te doorgronden? Om dan elke keer weer iets nieuws te ontdekken?”, stelt hij. Bovendien is er een verschil in taalgebruik: “Een politicus zegt: ‘Yes we can’. Duidelijke taal, want vaagheid past niet bij politiek, je wil niet dat mensen iets achter je woorden kunnen zoeken. Een dichter wil dat juist wel. Die zegt: ‘There will always be light’. Dat is eigenlijk hetzelfde als ‘Yes we can’, maar mysterieuzer. Je hebt poëzie die daar nog veel verder in gaat, met gedichten die liegen en op het verkeerde been zetten om te prikkelen.”

WAT IS POËZIE?

Nauw is de definitie van poëzie alvast niet, zegt De Geest. “Hiphop kan poëzie zijn, een dramatische tekst kan poëzie zijn… Karamellenverzen die allemaal op dezelfde klank eindigen, zijn zeker geen must”, lacht De Geest. “Maar rijm en alliteratie zal je vaak aantreffen – ook bij Amanda Gorman, met zinsnedes als ‘belly of the beast’. Zoiets werkt bezwerend en legt extra nadruk op woorden. Die klemtonen heeft Gorman schitterend gelegd, het hele plaatje klopte, ook met die mooie kledij. Gorman heeft bovendien met een spraakgebrek gekampt, wat appelleert aan de Amerikaanse gedachte dat je alles kan overwinnen als je hard je best doet. Zoiets spreekt jonge mensen aan. Oudere mensen zijn dan weer gecharmeerd – is niet elke oma fier als een kleindochter iets moois voordraagt?”

“Met het gedicht als politiek statement hebben wij in Vlaanderen minder ervaring”, zegt Dirk De Geest. “Het dichtste dat wij recent gekomen zijn, was toen Frank Vandenbroucke zei: ‘We mogen mekaar niet meer vastpakken, maar we laten elkaar niet los.’ Grootse poëzie zou ik dat niet noemen, maar het had enkele elementen, zoals de tegenstelling tussen ‘vast’ en ‘los’. Die zin heeft een snaar geraakt: mooie woorden doen ertoe, ze troosten en inspireren. Mensen zeggen: ‘Inderdaad, zo is het, maar zelf kan ik het niet op die manier zeggen, zo schoon.’ Net daarom zijn gedichten op begrafenissen geliefd. Omdat je soms zelf geen woorden vindt.”

NIET VOOR IEDEREEN

“Mensen zonder verbeelding houden niet van poëzie. Pas op, ergens snap ik dat. Als Elton John op de begrafenis van Lady Di zong over een ‘candle in the wind’ kan je zeggen: ‘Allez, wat is nu de gelijkenis tussen Lady Di en een kaars in de wind, zeg?’ Ook over het gedicht van Amanda Gorman kan je struikelen, als je alles letterlijk neemt. ‘Dare to be the light, het licht durven te zijn, wat is dat juist?’ Zoiets valt heel moeilijk uit te leggen. Je voelt het of je voelt het niet.”

Bron: Het Laatste Nieuws (Nadine Van Der Linden)

Bron: Dirk De Geest enthousiast over Amanda Gorman: “niet zomaar een woordje placeren, maar minutenlang kunst brengen” – Faculteit Letteren

Il Colibri – De Kolibrie – Sandro Veronesi *****

Om te komen bij wat je nog niet weet, moet je gaan langs de weg van het niet-weten – Johan v. h. Kruis (Spaans mysticus)

“De wijk Trieste in Rome is, kun je gerust zeggen, een middelpunt in dit verhaal met verschillende middelpunten. Deze wijk heeft altijd geschommeld tussen elegantie en decadentie, luxe en middelmatigheid, privilege en alledaagsheid, en dat moet voorlopig volstaan: het heeft geen zin haar nog verder te beschrijven, aangezien zo’n beschrijving aan het begin van een verhaal saai kan worden en zelfs averechts kan werken.” Met deze paar zinnen vangt Sandro Veronesi zijn roman Il colibri, 2019 (is het wel een roman?) aan. De Nederlandse vertaling, De Kolibrie, 2020 voor Prometheus is van Welmoet Hillen.

Op de achterflap lezen we: Al sinds zijn jeugd wordt Marco Carrera, die als kind een groeistoornis had, de kolibrie genoemd, naar een van de kleinste vogels ter wereld. Maar in zekere zin is Marco ook echt een kolibrie: hij lijdt een dramatisch bestaan, vol vreugdes, liefdes en de nodige pijn, maar hij blijft in evenwicht. Zijn hectische bewegingen stellen hem in staat de existentiële acrobatiek van het leven te doorstaan, net als de kolibrie, die twaalf tot tachtig vleugelslagen per minuut maakt, maar schijnbaar bewegingloos in de lucht blijft hangen.

Enkele recensenten die ik onderschrijf:

‘Veronesi zet altijd sterk in op thema’s als het toeval, het onverklaarbare en het kwaad. Minutieus ontleedt hij moeizame relaties, die tussen mannen en vrouwen, maar ook die binnen een gezin of familie.’ – Ronald de Rooy in Trouw

‘Terwijl zijn personage ­alle staties van zijn kruisweg aandoet, haalt de auteur zijn vertrouwde stokpaardjes van stal en zet hij een onderhoudende boom op over autoloze zondagen, manga’s, Azteken, gokken, waterbevallingen, het Hongaarse zelfmoordlied van Rezso Seress, vliegrampen, taalkundige weetjes of de Londense wijk Marylebone. De roman blijft overeind dankzij de ingenieuze compositie, de duizelingwekkende sprongen in de tijd en de constante perspectiefwisselingen, in een wervelende montage van ansichtkaarten, brieven, mails, telefoongesprekken, boedelbeschrijvingen, essayistische passages en de streams of consciousness waar de schrijver het patent op heeft.’ – Marijke Arijs in De Standaard

Als romanschrijver lijkt Veronesi steeds tijdlozer te worden. In Italië wordt hij al vergeleken met Beckett en Tolstoj. Maar onderhuids gaat ‘De kolibrie’ natuurlijk wel over deze tijd. Meer bepaald over de tijd die is verstreken tussen pakweg de jaren 60, toen iedereen meende te weten wat van belang was en de marsrichting werd aangegeven met vlagvertoon en hooggestemde idealen, en het internettijdperk van nu, nu niemand nog lijkt te weten wat werkelijk van belang is en waar het naartoe moet. Waardoor we, bang en onzeker, geneigd zijn ter plaatse te blijven klapwieken, als een kolibrie. ‘Zeventig vleugelslagen per minuut om op de plek te blijven waar je al bent’, is het laatste verwijt van Luisa aan Marco. Dat is de existentiële vraag die ‘De kolibrie’ aan de orde stelt: is het per definitie goed om je te laten meevoeren op de wind van de tijd, om veranderingen willoos te ondergaan, of is het soms beter je tegen de tijd te verzetten? – Danny Illegems in Humo

‘Ik heb vaak aan het bijbelboek Job moeten denken toen ik Marco’s calvarietocht beschreef’, aldus Sandro Veronesi. ‘Zijn pijn is absurd en overweldigend, maar Marco weigert te verzaken, weigert te verbitteren. We kennen allemaal zo’n Marco, maar ze worden zelden de held van een verhaal. Tot nu.’ En met succes, want Veronesi heeft al zijn talent en metier gebruikt om van De kolibrie een geloofwaardige lofzang op het leven te maken. Zijn acrobatische zinsbouw, de gave compositie en de psychologische diepgang maken dat je Marco in je lezershart sluit, ook al vind je hem aanvankelijk maar een sul. – Roderik Six in Knack

Het is een boek dat je niet in één ruk uitleest, neen. S. Becketts, I can’t go on, I’ll go on is tot op zekere hoogte ook van toepassing geweest op mijn leeservaring. Dat je toch verder leest en het boek niet weglegt heeft te maken met de onverwachte, zullen we het cliff hangers noemen, die Veronesi zo feilloos op bepaalde momenten in zijn schijnbaar chaotische verhaalconstructie weet in te bouwen. De lezer maakt als het ware in zijn leesact mee wat Veronesi’s held zichzelf tot levensmotto heeft gemaakt: Om te komen bij wat je nog niet weet, moet je gaan langs de weg van het niet-weten (Johannes van het Kruis – Spaans mysticus). Al lezend blijven vele vragen onbeantwoord, die slechts zeer geleidelijk door de overgave aan het verhaal, de lezer duidelijk worden. Juist dat aspect maakt dit boek voor mij een absolute aanrader.- BK

Onmenselijk – Philippe Claudel

Philippe Claudel brengt met zijn roman, Inhumanes, 2017, vertaald voor de Bezige Bij, 2019, door Manik SarKar als Onmenselijk, een verrassend, destabiliserend boek, zowel grappig als huiveringwekkend. De auteur vertrekt vanuit onze wereld zoals die draait, eerder slecht dan goed, vanuit echte situaties dus, en hij duwt zijn pen – de cursor – vooruit in snelle, korte, gesaccadeerde zinnen om 25 schandalige, absurde, groteske en toch zo plausibele verhalen te schrijven. “Dit is een ongepast boek, politiek incorrect omdat ik moe ben van deze stroperige en slaapverwekkende taal die ons blijft verlammen. Ik denk dat je soms dingen moet zeggen”, legt de schrijver uit aan RTL.

Ter illustratie van deze  samenleving op twee snelheden, stelt de verteller voor om voor de armen parken te voorzien, waar de welstellenden op excursie kunnen komen om ze te observeren als dieren maar met verbod op het gooien van voedsel naar hen. De eis van de mogelijkheid tot huwen voor iedereen, wordt ook tot in het extreme geduwd en geeft aanleiding tot het grappige verhaal van een huwelijk tussen een man en een beer.  Het lachen wordt echter krakender wanneer een galeriehouder de bevroren lijken van daklozen, dood gevonden in de straat, voor een fortuin als kunstwerken gaat verkopen. “Ook dit is overdreven, maar we zijn op het punt gekomen waar we deze dakloze mensen gaan beschouwen als stadsmeubilair. Er is een soort verslaving aan horror”, legt Philippe Claudel uit.

Een boek zonder taboes

Lachen schuurt soms in het boek van Philippe Claudel, zodat de lezer zich ervan bewust wordt dat onze menselijkheid met slecht garen aan het spinnen is.

Seks, alomtegenwoordig, wordt gereduceerd tot een consumptiegoed, een grote markt waar een man zijn vrouw te koop zet op het internet, waar een ander 3 seksslaven aan zijn vrouw aanbiedt voor Kerstmis. Seks, het nieuwe opium van de mens. “Je zou kunnen zeggen dat seks zoveel plaats in ons leven inneemt, dat het een manier wordt om jezelf te weerhouden na te denken. Het is seks zonder liefde, we belanden meer in een soort van experiment met huid en lichaam,” vervolgt Philippe Claudel.

“Ik ben grenzeloos omdat ik juist denk dat deze wereld ons te veel oplegt.

Spelend met Hara-Kiri’s (voorloper van Charlie Hebdo) schooljongensachtige provocaties en George Orwell’s nachtmerrieachtige voorspellingen, verbiedt Philippe Claudel zichzelf niets in Onmenselijk :  “Ik ben grenzeloos omdat ik juist denk dat deze wereld ons te veel oplegt. Ik heb het gevoel dat je niet meer om alles kunt lachen. Het bewijs: sommige komieken moeten zich verontschuldigen na een aantal sketches. Ik heb mezelf helemaal niet gecensureerd”, besluit hij.

Met dank aan een interview met Philippe Claudel op RTL

Het is een sardonische, sarcastische en cynische satire op onze samenleving. Nooit gedacht dat Philippe Claudel zo vileinig kon uitpakken. Hij gaf het boek de opdracht mee: De mens is een risico dat genomen moet worden – Kofi Annan. Geen opbeurende lectuur dus, eerder een 123 bladzijden ‘durende’ blootstelling aan extreem griezelige gruwel die niet slechts schuurt maar pijn gaat doen.

Herfst – Ali Smith

Als de staat niet vriendelijk is, zei hij. We hadden het over het referendum, dat kwam eraan, dan zijn de mensen veevoer

Het verhaal. De 101-jarige Daniel Gluck en de 32-jarige Elisabeth hebben een bijzondere vriendschap. Elisabeth leerde Daniel kennen toen ze acht was. Hij was haar buurman, en deze belezen, enthousiaste kunstverzamelaar nam haar mee in zijn wereld van kunst en literatuur. Als Elisabeth naast een slapende Daniel in het verzorgingstehuis zit, dringt de betekenis van de gesprekken die ze met hem als kind had tot haar door. Van hem leerde ze wat het leven waardevol maakt, en hij voelde ook haar belangstelling voor kunst, met name voor de popartkunstenares Pauline Boty over wie ze haar afstudeerscriptie Kunstgeschiedenis heeft geschreven. Daarnaast kijken we mee met de surreële ijldromen van Daniel waarin tijd, ruimte, taal en natuur door elkaar heen spelen. De meest hilarische pagina’s zijn gewijd aan Elisabeths benadering van de alledaagse beslommeringen ( bij paspoort vernieuwing in postkantoor, commentaar op EU-paspoort, situaties bij de hekken met prikkeldraad om asielzoekers tegen te houden, … ) waarin Ali Smith met een grimmige ironie de kille politieke verhoudingen na de Brexit en de dolgedraaide bureaucratie aan de kaak stelt.

Joost de Vries in De Groene Amsterdammer over de auteur en de roman: ‘Wat maakt een roman politiek? De personages, het onderwerp? Moeten er parlementariërs voorbijkomen? Of is elk boek dat zich op een specifiek moment op een specifieke plek afspeelt per definitie politiek, omdat plekken en tijdstippen altijd door politiek geraakt worden? Ali Smith kondigde aan dat ze een cyclus van vier romans zou schrijven die over de Brexit zouden gaan en sinds dat moment probeert ze er enigszins onderuit te krabbelen. Tenminste, zo lijkt het. De Schotse Smith (1962) is een publiekslieveling, verkoopt goed, heeft meerdere keren de shortlist van de Booker Prize gehaald. De Britse media doken gretig op haar mededeling, zo zeer dat ze het sindsdien probeert te downplayen.

In een interview in The Paris Review […] legde ze uit hoe het zat: al twintig jaar liep ze rond met het idee een serie boeken te schrijven over ouder worden, lang te leven, terwijl de wereld om je heen steeds sneller verandert. In de aanloop naar het EU-referendum reisde ze door Noord- en Zuid-Engeland en stond ze versteld hoe anders daar over Europa werd gedacht en gesproken dan in Londen en Cambridge, waar ze woonde. Opeens voorvoelde ze dat Brexit de verandering was waartegen ze haar personages moest aftekenen. Dus nee, ze wilde geen roman schrijven over Boris Johnson en Theresa May, maar over verandering. Daarom zou ze haar romans vernoemen naar de seizoenen. ‘

Ook Tzum recensent Vincent Kortmann noemt het een roman over een Land in spagaat. Hij concludeert: ‘In een tijd waarin de balans wereldwijd zoek lijkt te zijn, heeft Ali Smith een boek geschreven dat volledig in evenwicht is. Ik ben benieuwd of het over tien of twintig jaar, als de impact van de Brexit duidelijk is geworden, nog steeds zo krachtig zal zijn, maar voor nu is het een voltreffer.’

Waaraan dankt Ali Smith haar succes?

‘Ik ken weinig schrijvers – bahalve Virginia Woolf en James Salter – die een verhaal zoveel vaart kunnen geven met alleen de vertelstem. (…) In een land dat met zichzelf overhoop ligt, is een schrijver meer waard dan een heel parlement.’ -The Financial Times

‘Smith heeft het boek in een enorm tempo geschreven, maar dat staat de stilistische bravoure en de geraffineerde structuur niet in de weg. De politiek heeft geen antwoord op het populisme, de literatuur met als woordvoerder Ali Smith misschien wel.’ – NRC Handelsblad

Herfst is een prachtige, aangrijpende symfonie van herinneringen, dromen en voorbijgaande werkelijkheden; de “eindeloze trieste kwetsbaarheid” van sterfelijke levens.’ – The Guardian

‘Herfst is het eerste deel in een kwartet van romans gebaseerd op de seizoenen; dit werk geïsoleerd beoordelen, zonder de context van Winter, Lente en Zomer, voelt daarom enigszins voorbarig. “Hier is een oud verhaal zo nieuw dat het nog volop bezig is”, zegt Smith halverwege de roman – en hetzelfde geldt voor de roman zelf. Uiteindelijk voelde deze roman voor mij als slechts een deel van het verhaal. Maar misschien is dat juist het punt; de herfst is slechts een deel van het jaar.’ – Times Literary Supplement

Der Schauende – Rainer Maria Rilke

Der Schauende



Ich sehe den Bäumen die Stürme an,
die aus laugewordenen Tagen
an meine ängstlichen Fenster schlagen,
und höre die Fernen Dinge sagen,
die ich nicht ohne Freund ertragen,
nicht ohne Schwester lieben kann.

Da geht der Sturm, ein Umgestalter,
geht durch den Wald und durch die Zeit,
und alles ist wie ohne Alter:
die Landschaft, wie ein Vers im Psalter,
ist Ernst und Wucht und Ewigkeit.

Wie ist das klein, womit wir ringen,
was mit uns ringt, wie ist das groß;
ließen wir, ähnlicher den Dingen,
uns so vom großen Sturm bezwingen, -
wir würden weit und namenlos.

Was wir besiegen, ist das Kleine,
und der Erfolg selbst macht uns klein.
Das Ewige und Ungemeine
will nicht von uns gebogen sein.
Das ist der Engel, der den Ringern
des Alten Testaments erschien:
wenn seiner Widersacher Sehnen
im Kampfe sich metallen dehnen,
fühlt er sie unter seinen Fingern
wie Saiten tiefer Melodien.

Wen dieser Engel überwand,
welcher so oft auf Kampf verzichtet,
der geht gerecht und aufgerichtet
und groß aus jener harten Hand,
die sich, wie formend, an ihn schmiegte.
Die Siege laden ihn nicht ein.
Sein Wachstum ist: der Tiefbesiegte
von immer Größerem zu sein.


Rainer Maria Rilke

Uit: Das Buch der Bilder
%d bloggers liken dit: