Mijn lieve gunsteling – Marieke Lucas Rijneveld

De wreedheid van Marieke Lucas Rijneveld is gegroeid, recensie van Marie-José Klaver in Neerlandistiek

Marieke Lucas Rijneveld kan het. Ze kan het echt. Mijn lieve gunsteling is vele malen beter dan haar debuut waarvoor ze de International Booker Prize won. Rijneveld is voor haar tweede roman in de hoofden van een 49-jarige veearts en een 14-jarige boerendochter gekropen die elkaar bij de wekelijkse koeiencontrole op de boerderij van de vader van het meisje hebben leren kennen.

Omslag Mijn lieve gunsteling

Onlangs werden de Grote Drie, zoals criticus Kees Fens Harry Mulisch, Gerard Reve en Willem Frederik Hermans noemde, in de media ten grave gedragen, zonder enige discussie over de kwaliteit van hun werk. Jan Wolkers hoorde eigenlijk ook bij de Grote Drie. Over Wolkers kun je ook moeiteloos beweren dat hij een egocentrische, witte man was die seksistisch schreef. Maar zonder Wolkers zouden we geen Rijneveld hebben. Rijneveld is gaan schrijven toen ze Wolkers ontdekte op de lerarenopleiding Nederlands. Ze werd geraakt door ‘de natuur, het geloof, de seksualiteit, de dieren en vooral zijn prachtige taal’, zei ze in een interview met NRC Handelsblad. De echo van Wolkers klinkt ook in Rijnevelds nieuwe roman door. Dat beperkt zich niet tot de inhoud, het omslag van Mijn lieve gunsteling lijkt veel op dat van De walgvogel (1974) van Wolkers. De onmogelijkheid van de liefdes en de rol van de vaders in Mijn lieve gunsteling en De walgvogel tonen ook overeenkomsten. Mijn lieve gunsteling is met het vele malen voorkomende ‘praaldier’ en de verwijzingen naar ‘lieve jongens’ ook een ode aan Reve, wiens werk de veearts aan zijn ‘lieve gunsteling’ voorleest om haar ervan te overtuigen dat onmogelijke en verboden liefdes de mooiste zijn.

Mijn lieve gunsteling is prachtig geschreven. Rijnevelds stijl en en haar beeldrijke taalgebruik, kenmerkend voor De avond is ongemak (2018) en haar dichtbundels Kalfsvlies (2015) en Fantoommerrie (2019), zijn nog veel beter geworden. De vergelijkingen in Mijn lieve gunsteling zijn subliem. Kwets nooit het leven en snijd nooit in levend vlees, leerde de veearts tijdens zijn opleiding. Toch schendt hij het jonge meisje dat hij vergelijkt met een zweer die hij met een ‘hoefmes uit de klauwlederhuid’ had moeten verwijderen en misschien slechts had moeten ‘reinigen en droogwrijven’. Later omschrijft de veearts het meisje als ‘een kalf in stuitligging in de kraamkamer van mijn verziekte verlangens’. De  manier waarop Rijneveld over koeien schrijft, is ongeëvenaard. De blaarkoppen spelen op vrijwel elke bladzijde een rol, en dat wordt nooit saai.

Rijneveld vertelt een wreed verhaal dat wordt ingeleid door drie regels uit psalm 139, in een vertaling van Anton Korteweg.

Ken me dan maar

weet wie ik ben

en doe maar

-Psalm 139

Psalm 139 staat bekend als een pleidooi van onschuld waarin om vrijspraak wordt gevraagd. Tegelijkertijd kan dit citaat gelezen worden als de wens van de 14-jarige boerendochter om vleselijk gekend te worden door de veearts en zich aan hem over te geven.

Uit de innerlijke monologen van de verliefde pedofiel blijkt dat hij al jaren geobsedeerd is door het meisje. Hij is aan het groomen en rechtvaardigt zijn seksuele obsessie door steeds te wijzen op de door hem waargenomen seksuele behoeftes van het kind, dat nog Roald Dahl en Harry Potter leest en een buitenboordbeugel en een ringetje met een lieveheersbeestje heeft. Hij denkt dat zij voortdurend met seks bezig is. De veearts denkt vaak voor anderen: voor de boerenknechten die het meisje met rust laten en voor de vader.

Waar het allesoverheersende kindperspectief mij in De avond is ongemak soms iets te veel werd, snakte ik in Mijn lieve gunsteling naar de visie van het kind. Wat de veearts wil, is duidelijk, maar wat wil zij? En wie vertelt wat zij wil?

Mijn lieve gunsteling is niet alleen een gruwelijk goed boek, het is ook gedurfd. Bij de introductie werd aangekondigd dat het boek snel in het Engels vertaald wordt. Je vraagt je meteen af hoe dit buitengewoon expliciete boek over pedofilie vol wreedheden jegens mens en dier op de Angelsaksische markt zal worden ontvangen. Het relatief onschuldige De avond is ongemak vormde al een probleem voor de sensitivity readers die Engelse en Amerikaanse uitgevers inhuren om te voorkomen dat lezers overstuur raken door fictie. Hopelijk gaan Rijneveld en haar uitgever pal staan voor een ongecensureerde vertaling van Mijn lieve gunsteling. Iedereen verdient het dit boek in zijn geheel te lezen.

bron: Neerlandistiek – Online tijdschrift voor taal- en letterkunde, 5 november 2020

Zonder meer virtuoos in taal en stijl!

Spring – Ali Smith*****

April the anarchic, the final month, of spring the great connective. Pass any flowering bush or tree and you can’t not hear it, the buzz of the engine, the new life already at work in it, time’s factory.

De belangrijkste artistieke geest van Spring, 2019  is Tacita Dean, met haar zeven meter brede krijt- op -bord tekening, The Montafon Letter, een foto van een berg zo groot “that the wall became mountain and the mountain became a kind of wall. There was an avalanche coming down the mountain picture towards anyone looking at it, an avalanche that had been stilled for just that moment so that whoever saw it had time to comprehend it.” blz.78

Het is een krachtig symbool voor de toekomst: de impact van de Brexit, de enorme klimaatafbraak en de verschrikkelijke verlamming van de Britse politiek zullen Groot-Brittannië en de rest van de wereld treffen. “What he was looking at stopped being chalk on slate, stopped being a picture of mountain. It became something terrible, seen.” Het kunstthema brengt de kleurrijke uitbundigheid van Pauline Boty in Autumn en Barbara Hepworth’s coole raadsels in Winter in herinnering.

De man die een verbijsterde “fuck me” mompelt in de Royal Academy terwijl hij naar het sneeuwlandschap staart, is Richard Lease, een tv-regisseur wiens hoogtijdagen al lang voorbij zijn. Hij is er omwille van zijn dierbare vriendin en medewerkerster, scenarioschrijfster Paddy, die lang geleden suggereerde dat hij de, na zijn scheiding, van hem vervreemde dochter, in gedachten naar galerijen zou brengen, een manier om hun band in leven te houden. Jarenlang onderhoudt hij een interne dialoog met een denkbeeldig kind, terwijl zijn echte dochter zonder hem volwassen wordt. De roman speelt met de tijd en Smiths gebruikelijke onbekommerdheid. Paddy (87 jaar) is stervende, sterft als het verhaal opent. En Richard is kapot van verdriet om de vrouw die hij al vijf decennia aanbidt. Hij trekt op een rouwpelgrimage en zijn verhaal kruist dat van een andere verloren ziel, Brittany, een jonge vrouw die als DCO in een IRC voor de HO werkt. Het bitter plezier van Smith bij de opsomming van de acroniemen en eufemismen voor gevangenis is hier voelbaar. Het is geen gevangenis, benadrukt Brit, maar “a purpose-built Immigration Removal Centre with a prison design.” p. 160

De details van het dagelijks leven van gedetineerden, ontleend aan nieuwsberichten en anonieme getuigenissen verzameld door Smith, vormen de schokkende, boze kern van het boek, maar in dit ‘smerige’ realistische rijk stapt een magisch kind, genaamd Florence, binnen. “Well, if you’re Florence, does that make me the machine? Brit said.”p.170 , maar al te bewust van wat haar rol als radertje in het systeem met haar doet. De mysterieuze Florence heeft op de een of andere manier het IRC-management overtuigd om de toiletten eindelijk goed te laten reinigen; er gaan geruchten dat ze een “sekshuis” in het zuidoosten van Londen binnenliep en de verhandelde vrouwen bevrijdde. Ze hypnotiseert als het ware de cynische, onwillige Brit en roept haar hulp in bij een reis.

Hier wordt de roman een expliciete refashioning van Shakespeare’s Pericles over migratie en familiescheiding, met Florence als een moderne Marina. Geboren op zee, alleen in de wereld, bezit Pericles’ verloren dochter ook genoeg deugdzaamheid en retorische overtuigingskracht om zich staande te houden in een bordeel. De lezer moet de sprong in het diepe maken met Smith, net als het publiek in het Jacobitische tijdperk, terwijl Brit worstelt met een onfeilbaar concept dat beschamend irrelevant lijkt in deze gecompromitteerde tijden: “She’s, what’s the word? Another old word from history and songs that nobody uses in real life any more. She is good.”p.314

Net als Lux in Winter is Florence een klassieke Smith-tropos: de vreemdeling die de slapende verbeeldingskracht en emoties van personages kan doen herleven, de bevroren zee van binnenuit kan breken. Ze is ook – gewoon een twaalfjarig meisje – zoals ze aangeeft, wanneer ze voor naïef wordt gehouden, bij het in twijfel trekken van de houding van de samenleving ten opzichte van nationale grenzen “You’re being naive, Brit says. In so many ways. I’m twelve, the girl says. What do you expect?”p.196

Met schoolkinderen die momenteel de protesten tegen klimaatverandering leiden, is haar verschijning in de roman een prachtig stuk synchroniciteit, en het sprankelende, bruisende geklets tussen haar en Brit is briljant.

In delen van het boek worden kletspraatjes, fabels en retoriek gebruikt om onze hedendaagse waanzin te kanaliseren – de stem van Big Tech dondert : “We want you to look at us and as soon as you stop looking at us to feel the need to look at us again. We want you not to associate us with lynch mobs, witchhunts or purges unless they’re your lynch mobs, witchhunts and purges. We want your pasts and your presents because we want your futures too.” p.122-123 Smith presenteert ze komende uit het Hot Air-notitieboekje van Florence dat Brit stiekem zit te lezen terwijl Florence slaapt. “Though it’s naive, the kind of stuff a school student would write, it’s witty too, and it makes Brit think. Even a twelve-year-old girl can see through a lot of what’s happening in the world right now.“p.199

Spring is vaak botter en explicieter, dan weer, proselytischer en polemischer, dan de speelse, raadselachtige Smith die we gewend zijn. Er zijn dialogen die ergernis en woede uiten over de staat van de wereld die niet helemaal in fictie opgaan: “What’s happened to all the good people of this country? Compassion fatigue, Richard said. Fuck compassion fatigue, she said. That’s people walking about with dead souls. Racism, Richard said. Legitimized. Legitimized division 24/7 on all the news and in all the papers, on so many screens, grace of the god of endless new beginnings, the god we call the internet.”p.67

In een bepaalde passage kritiseert de stem van een vluchteling zeer fel de doorgaans veelgeprezen sympatiserende eigenschappen van fictie: “My face is a breaking point. Don’t mention it. Any time. It’s the face you see on dramas, films, or you picture in your head in the novels about people who aren’t you, the books you read because you love literature, or to kill some free time, the ones that tell the stories let you feel that you’ve felt, you’ve been really importantly moved, more, you’ve understood something major about the history, the politics, of the time you live in. It’s nothing. My pleasure. My face is all about you. My face trodden in mud. My face bloated by sea. What my face means is not your face. By all means. You’re welcome.” p126-127

Dit is een roman ‘that contains multitudes’, en het wonder is dat Smith er zoveel in stopt, van prachtige visionaire natuurfragmenten tot Twitter-obsceniteiten, in een proza dat zo bedrieglijk ontspannend is.

Terwijl verrassende en ontroerende verbanden tussen de drie romans Autumn, Winter en Spring worden onthuld zijn ook de grappen, van somber tot grillig, er niet van de lucht. Naast William Shakespeare en Tacita Dean roept ze de geesten op van Katherine Mansfield en R.M.Rilke, “the two great homeless writers, the great outliers.” p.42 evenals haar geliefde Charlie Chaplin, die een ronddwalende artistieke everyman wordt.

Al tientallen jaren lijkt Smith ‘a glorious one-off’ wiens invloed nu te zien is op jongere schrijvers zoals Eley Williams en Max Porter (Grief is the Thing with Feathers, 2015), even toegankelijke experimentalisten met een onstuitbare liefde voor taal, maar sinds haar Seasonal Quartet ziet Smiths eigen rol in de Britse fictie er steeds belangrijker uit. De laatste pagina roept de lente uit tot “the great connective”. Het is geen slechte typering van Ali Smith zelf.

Met dank aan The Guardian voor deze recensie – vertaling: fp

Normal People – Sally Rooney*****

The small rebellions of Sally Rooney’s Normal People

Rooney is a self-described Marxist, and I suspect that she would enjoy Vanity Fair’s neat illustration of a point she makes in Normal People about the way books can function as cultural currency. “It was culture as class performance,” thinks a character at a reading, “literature fetishized for its ability to take educated people on false emotional journeys, so that they might afterward feel superior to the uneducated people whose emotional journeys they liked to read about.”

Though Rooney’s characters have scalding contempt for capitalism and its trappings, it’s easy to see how Normal People could have snuck into the handbag slideshow. Politics in Rooney’s novel are often ambient rather than explicit, submerged under the surface of a love story about, as Rooney writes, “two people who, over the course of several years, apparently could not leave one another alone,” Marianne and Connell, who spend four years alternately pursuing and withdrawing from each other.

One critic recently noted that the politics of Rooney’s novels were largely “gestural,” with airy mentions of Gaza or austerity protests but not much radical substance. Another suggested that her politics were essentially decorative, “more setting than subject.” I disagree. I don’t think Rooney is garnishing her love story with politics. She’s embedding politics closely and rigorously in the love story, showing how relationships can function like miniature states, and how political principles can work on an intimate scale, in the interactions of two, three, or four people.

In interviews, Rooney often talks about growing up hearing Marx’s dictum “From each according to his ability, to each according to his needs” from her parents, and absorbing it as if it were a universal rule, maybe something Jesus said, or, as one interviewer from The Cut put it, something somebody might embroider on a pillow. In Normal People, characters have different things at different times: money, social capital, looks. The novel suggests the possibility of a setup in which these advantages are shared and redistributed according to need. Call it a Marxism of the heart.

Love across class is a common theme in novels. In Jane Austen, clearly a model for Rooney, people are fixed in their status, or can move in one direction or the other: a person of lower status (Elizabeth, in Pride and Prejudice) marrying one of higher status (Darcy), or one of lower status (Wentworth, in Persuasion) earning up into a higher bracket (Anne’s). But what Rooney has is something different—a seismographer’s attention to the dips and tremors of social value, the way that, as the British writer Olivia Laing wrote, “beauty, intelligence, and class are currencies that fluctuate as unpredictably as pounds and dollars.”

At the beginning of the novel, when the characters are in high school, Connell’s stock is higher. Marianne is rich, and, yes, Connell’s mother cleans her house, but she is aloof and odd, someone who “wears ugly thick-soled flat shoes and doesn’t put makeup on her face.” Connell is athletic and well liked. They have an immediate attraction, but he keeps it secret because he is afraid of what his friends will think.

After high school, when they both attend Trinity College, the seesaw reverses: Marianne’s gawkiness becomes glamour, and Connell feels out of place against a backdrop of waxed hunting jackets and champagne. Marianne’s status “elevated Connell to the status of rich-adjacent: someone for whom surprise birthday parties are thrown and cushy jobs are procured out of nowhere.” The father of one of her new friends “was one of the people who had caused the financial crisis—not figuratively, one of the actual people involved.”

They circle, always seeming to misunderstand each other at some crucial moment. At one point, Connell loses a job and can’t pay rent for the summer in Dublin. He tries to ask to stay with Marianne, but she thinks that he is saying he wants to leave town. They break up. This represents her failure of imagination and his failure of courage, but also suggests that independence is not an uncomplicated virtue. The solution is obvious, and she has something he needs. Why shouldn’t people give one another food, and money, and places to stay?

Eventually they come into a kind of mutual dependence, something fundamentally at odds with the mainstream, if hazy, acceptance of independence as an obvious good (and, particularly, a feminist good). The message of the current moment can often seem to be: Limit your emotional labor; be your own best advocate; don’t let your relationships compromise autonomy or empowerment. “How strange to feel herself so completely under the control of another person, but also how ordinary,” Marianne thinks. “No one can be independent of other people completely, so why not give up the attempt, she thought, go running in the other direction, depend on people for everything, allow them to depend on you, why not.”

Rooney allows Connell to come to Marianne’s rescue when she is threatened by angry or violent men, not once but three times: when she is groped in a nightclub, bullied by her boyfriend (the one whose dad caused the financial crisis), and, finally, abused by her brother. A novel espousing independence as a straightforward virtue might have made her come to her own rescue. Connell isn’t helping her as an archetypical knight, but he is still a man and aware of the power this confers him in particular circumstances. The book suggests that people can use their advantages for one another—that personal qualities, abilities, status, and other advantages can act like wealth or goods in a socialist society, for common benefit. This extends far outside of gender, of course: Though Marianne initially fails to see that Connell needs a place to stay, she offers him other things, including social protection and money when he’s been mugged. From each according to their abilities, to each according to their needs. […]

Normal People answers the question posed in Conversations With Friends [Rooney’s eerste werk, BK]. It suggests that despite everything, despite the helplessness that Rooney’s characters feel in the face of global capitalism, and class differences, and the judgments of others, radical politics can work on a small scale and are worth pursuing even if the world’s broader inequalities feel both inevitable and unsolvable. Normal People proposes that a merciful and just country can still exist, even if only in the space between friends.

Met dank aan Annalisa Quinn en The Atlantic voor deze recensie.

Anne Enright schreef over de roman: It is superb … a tremendous read, full of insight and awareness.

Olivia Laing: Magnificent … Rooney is the best young novelist – indeed one of the best novelist – I’ve read in years.

Ik las de Faber & Faber oorspronkelijk Engelse uitgave uit 2018 die de longlist van The Man Booker Prize van datzelfde jaar haalde. Gerda Baardman vertaalde de roman uit het Engels voor Ambo/Anthos en haalde daarmee de 2020 Shortlist van de Europese literatuurprijs:

Studentenjury:

Sally Rooney vertelt in Normale mensen het verhaal van twee jonge geliefden die hun plek proberen te vinden in de wereld en elkaars leven. We volgen hen op hun reis van middelbare school naar universiteit en van provincie naar grote stad. Deze transitie legt de verschillen tussen de leefwerelden van de twee bloot. En dat gaat verder dan het verschil in populariteit op school of op de universiteit; ook de klasseverschillen in Ierland en de manier waarop die doorwerken in het dagelijks leven van beide personages, komen aan bod.

Normale mensen blinkt uit door rake observaties over sociale interactie, literatuur en politiek. Een ander sterk punt vormen de tragische misverstanden, onzekerheden en schijnbaar impulsieve beslissingen, die het leven van (jonge) mensen tegelijkertijd zo moeilijk en zo interessant maken.

Gerda Baardman evenaart de finesse en het schrijfplezier van Sally Rooney in een elegante en levendige vertaling. Ook in het Nederlands roepen de dialogen, twijfels en drijfveren van de personages veel herkenning op.(shortlist 2020)

Die nacht zag ik haar – Drago Jančar*****

Drago Jančar (Maribor, 13 april 1948) is een van de belangrijkste hedendaagse Sloveense schrijvers. Hij is ook actief als scenarioschrijver, toneelschrijver en essayist. Hij staat in zijn thuisland eveneens bekend om zijn maatschappelijk engagement en zijn kritische houding tegenover de politiek. Van hem kwam me de voorbije week het boek onder ogen To noč sem jo videl, Die nacht zag ik haar, 2010. In 2018 vertaalde Roel Schuyt het voor uitgeverij Querido naar het Nederlands. Hij voorzag het van een Nawoord waarin wordt verwezen naar de realiteit waarop de roman gebaseerd is. De feiten speelden zich af in Joegoslavië gedurende de Tweede Wereldoorlog.

Veronika Zarnik is een vrijgevochten, zelfstandige, sensuele en excentrieke vrouw, ongrijpbaar en mateloos intrigerend, iemand die je niet snel vergeet. Samen met haar man Leo vormt ze een onconventioneel paar. Op een nacht in januari 1944 verdwijnt het stel onder mysterieuze omstandigheden van hun landgoed. Vijf mensen die hen goed gekend hebben blijven achter met vragen en vertellen elk wat er vóór, tijdens en na die winternacht is gebeurd. Wie was die geheimzinnige Veronika eigenlijk? Wat had ze te verbergen?

Het eerst aan het woord is de Servische cavalerieofficier Stefan Radovanovič die in Palmanova in krijgsgevangenschap zit en op een nacht haar in een droom meent te ontwaren. Hij gaf haar in opdracht van zijn overste majoor Hič, die bevriend is met haar man Leo Zarnik, paardrijlessen en er ontspint zich tussen beiden een romance die hen naar het zuiden van Joegoslavië tegen de Bulgaarse grens voert en nadien naar de stad Maribor aan de Drava-rivier in het noorden van Joegoslavië.

In het tweede hoofdstuk is Veronika’s dementerende moeder, mevrouw Josipina, aan het woord, zij zit voor het raam van een woning in Ljubljana en krijgt nog slechts bezoek van de broer van haar schoonzoon Leo, Filip. Ze leeft van haar herinneringen en wacht op de terugkeer van haar in de oorlog verdwenen dochter. Filip onderneemt een poging om via een Duitse legerarts in München Veronika op het spoor te komen.

In het derde hoofdstuk is dan de oude legerarts uit München aan het woord en vernemen we zijn relaas en aandeel in de geheimzinnige verdwijning van Veronika en haar man.

In het vierde hoofdstuk luisteren we naar Joži, de oppermeid op landgoed Podgorska in de regio van Gorenja Vas, waar Veronika en Leo gedurende de Tweede Wereldoorlog wonen en waar zij hun personeel uit de omringende dorpen betrekken.

Het vijfde en laatste hoofdstuk geeft het woord aan de oude Jarenek, als stalknecht, paardenverzorger en landarbeider verbonden aan landgoed Podgorska. Hij komt het dichtst bij de waarheid over de verdwijning van Veronika en Leo.

Enkele recensies over de roman:

Wat begon als een simpele whodunit, wordt uiteindelijk een geslaagd portret van de complexe samenleving in Joegoslavië voor, tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog. Door mensen uit verschillende etnische groepen en sociale klassen te laten spreken, maakt Jančar de breuklijnen in die samenleving zichtbaar: van steedse taferelen die doen denken aan The Great Gatsby tot het harde, met slivovitsj overgoten bestaan op het platteland.’ – De Standaard der Letteren

Maar wat je persoonlijke voorkeur ook moge zijn, of hoe je voornaamste interessesfeer er ook mag uitzien, de grootste kracht van de roman schuilt in het feit dat hij veel meer is dan ‘de som der delen’, in die zin dat Drago Jancar ons onder meer laat zien, over de hele lijn genomen, dat in oorlogstijd, méér nog dan in alledaagse omstandigheden, niets is wat het lijkt, en dat mensen en toestanden steevast met elkaar wedijveren in verraderlijkheid. Politiek, ideologie en militaire strategie zijn vaak maar schaamlapjes voor onderliggende motieven als seksuele begeerte en jaloersheid, en hoe verder het boek vordert – wat wil zeggen: hoe meer de intriges en onverwachte wendingen elkaar opstapelen –, des te sterker geraak je er als lezer van doordrongen dat het leven in het algemeen en het bestaan in oorlogstijd in het bijzonder met groot gemak de vergelijking met een op hol geslagen mallemolen kan doorstaan. – Christophe Vekeman

Deze roman maakt het relaas op van een verscheurd land; de kiemen van de etnische spanningen die in de jaren 1990 aanleiding zouden geven tot een afschuwelijke burgeroorlog waren duidelijk al lang aanwezig. Maar vooral toont Drago Jančar de morele dubbelzinnigheid van die tijd, hij neemt de lezer mee naar de grijze zone waar de flinterdunne grens tussen goed en kwaad, loyaliteit en verraad, vriend- en vijandschap bijzonder vaag wordt. Ergens in het boek wordt een Duitse tegeltjeswijsheid aangehaald: Der größte Schuft im ganzen Land, das ist und bleibt der Denunziant. Zoals het echter altijd gaat met tegeltjeswijsheden, blijkt de realiteit net iets complexer te zijn, vooral in omstandigheden waar verraad een wel erg relatief begrip wordt – bron: literairnederland.nl

Anna Enquist 75 vandaag !

Anna Enquist (19 juli 1945), pseudoniem van Christa Widlund-Broer, studeerde psychologie in Leiden en volgde een piano-opleiding aan het conservatorium in Den Haag. Ze was werkzaam als schoolpsychologe aan het Sweelinck Conservatorium in Amsterdam en werkte daarna aan het Nederlands Psychoanalytisch Instituut en als zelfstandig psychoanalytica. ‘Mijn schrijven is begonnen nadat ik gestopt was met pianospelen. Ik had het zo druk met mijn werk als psychotherapeut, dat ik het dagelijks trainen niet langer vol kon houden.’ Ze kon te weinig oefenen en vond dat de kwaliteit van haar spel daaronder leed. Bovendien was ze begonnen met het noteren van invallen en regels, van gedichten. Aanvankelijk hield ze dat verborgen voor haar man, de cellist Bengt Widlund, en hun kinderen Margit en Wouter. Maar toen de redactie van Maatstaf enkele gedichten plaatste en de uitgever van De Arbeiderspers Theo Sontrop haar vertelde dat hij een bundel van haar wilde publiceren, werden de familieleden wel ingelicht. ‘Ze hadden zoiets van: o ze heeft weer wat, maar ze waren ook heel trots.’

Bron: Anna Enquist – ‘Geen uiteenscheuren zo wreed’ – Literatuurmuseum

Lege harten – Juli Zeh

Bestaat er nog hoop in Donker Duitsland?

In de thriller Leere Herzen (Lege harten, Ambo/Anthos, A’dam, 2017) tekent Juli Zeh een dystopisch Duitsland dat door Rechts wordt geregeerd. Het leest als een reactie op Houellebecq’s Soumission.

Is er nog hoop in Donker Duitsland?

Neo-links, separatisten, rechts-radicalen. Waarom zijn nationalisme en extremisme in opkomst? De nieuwe roman van Juli Zeh geeft ons duidelijke antwoorden: het zijn niet de kiezers van populistische partijen die verantwoordelijk zijn voor de toenemende radicalisering die binnen de EU-landen te zien is. De Democraten zijn schuldig. De schuld ligt bij degenen die ontsnappen aan hun woede door te ontsnappen in onverschilligheid. Het is de schuld van de onprincipiële burgers die, als ze moesten kiezen tussen hun wasmachine en hun stemrecht, hun wasmachine zouden kiezen.

Mensen als Britta zijn de schuldige. De nihilistische hoofdpersoon uit Leere Herzen heeft ervoor gekozen om mee te bewegen met de tijd in plaats van zich tevergeefs vast te klampen aan traditionele idealen. We schrijven het jaar 2025. Merkel heeft al lang ontslag genomen en de zogenaamde “Bezorgde Burgerbeweging” is nu aan de macht. Ze neemt vrolijk het ene efficiëntiepakket na het andere aan: het Europese federalisme staat op het punt te worden afgeschaft, de Verenigde Naties worden ontbonden en de bevoegdheden van de politie, de inlichtingendienst en de nationale overheid worden voortdurend uitgebreid. Uit de de radio klinkt: “Full Hands Empty Hearts / It’s a Suicide World Baby.” Democratisch Duitsland, zoals wij het kennen, behoort tot het verleden in Zeh’s dystopie.

Het is een Suicide World Baby

Binnen dit gefragmenteerde Europa ziet Britta maar één mogelijkheid: de “collectieve reis naar de ondergang” voortzetten. Samen met haar vriend Babak richtte ze het bedrijf Die Brücke op. Met behulp van een algoritme zijn de twee op zoek naar suïcidale mensen die geschikt zijn voor Britta’s zelfontwikkelde, twaalftraps therapieprogramma. Degenen die nog steeds zelfmoord willen plegen na psycho-testen, ziekenhuisopname en waterboarding worden overgedragen van Die Brücke naar een terroristische organisatie en krijgen zo de kans om de wereld te verlaten als een nuttige zelfmoordterrorist. Het maakt niet uit wat het doel is van de betreffende organisatie waarnaar Britta een kandidaat overbrengt. De Islamitische Staat is evenzeer een klant als Green Power, een milieuorganisatie die stelt dat “zonder menselijkheid, de planeet veel beter af zou zijn”.

Het acuut slechte geweten

Dan vindt een moordpoging plaats op de luchthaven van Leipzig, uitgevoerd op zo’n domme manier als het nooit zou gebeuren met Die Brücke. Geen van Britta’s klanten wil aan de touwtjes trekken. Een man met snor, genaamd Guido Hatz – een griezelige figuur die misschien is voortgekomen uit een verhaal van E.T.A. Hoffmann – komt het leven van de hoofdpersoon binnen. Hatz, een multimiljonair geogenezer, een soort natuurgenezer die hoopt”mens en aarde te verzoenen” met zijn werk, wil investeren in de start-up van Britta’s man. Maar waarom verschijnt Hatz midden in de nacht bij Britta’s huis? Schaduwt hij haar? De onderneemster staat op het punt te geloven dat ze gek wordt, en de mysterieuze amateurdokter brengt een bezoek aan de praktijk: “Geef jezelf een pauze. Alles komt wel goed”, bedreigt hij haar. Waarom hij zo geïnteresseerd is in een time-out van Die Brucke laat hij in het ongewisse.

Is Hatz gewoon een esoterische gek? Of kan het echt zijn dat hij investeert in een concurrennd bedrijf dat Die Brücke uit de markt wil duwen? Heeft Hatz wel iets te maken met de dilettante aanval op de luchthaven van Leipzig? Meer en meer, lijdt Britta “aan het gevoel deel uit te maken van een puzzel die partout niet zinvol wil zijn”. De misselijkheid waar ze al enige tijd last van heeft, wordt Britta’s constante metgezel.   

Regenboogkleurige constructie, onopvallende taal

Opnieuw is Zeh erin geslaagd haar slimme gedachten over de tegenstellingen in onze samenleving op zo’n literaire manier samen te brengen dat er een spannende roman uit ontstaan is. Leere Herzen is het Duitse equivalent van Michel Houellebecq’s dystopische werk Soumission.  In Zeh’s versie, waren het echter niet de islamisten maar de nationalisten die de slag om de macht wonnen. Zo experimenteel als Zeh’s romanconstructie is, zo laf is de taal en het verhaal van het werk. Zeh is in Leere Herzen nog zuiniger met retorische middelen dan in haar gevierde dorpsroman Unterleuten (o.a. bewerkt tot 3-delige tv-reeks voor ZDF, BK). Daarnaast heeft de roman een snel verteltempo en veel dialogen. Soms vraagt men zich af waarom de auteur haar idee niet direct als drama of scenario heeft geïmplementeerd.

Natuurlijk heeft Zeh bewust gekozen voor taalkundige eenvoud en filmische verhalen, omdat ze passen in het genre van de roman. Dit onderscheidt haar: ze is de kameleon van de Hedendaagse Duitse literatuur, omdat ze haar stijl telkens aanpast aan het verhaal en deze daardoor erg varieert. Dat verandert echter niets aan het feit dat Leere Herzen er daardoor stilistisch ongeïnspireerd uit komt.  

Een pamflet vermomd als een conventionele thriller

Juli Zeh heeft deze roman een zeer speciale opdracht meegegeven: “Daar. Dat is hoe je bent,” staat vet en gecentreerd op een van de eerste pagina’s. Leere Herzen is een pamflet gericht tegen ons allemaal, vermomd als een conventionele thriller. Maar er is nog hoop. Tegen het einde van de roman, wanneer alles verloren lijkt, realiseert Britta zich dat ze nooit helemaal haar principes en overtuigingen heeft verloren. “Binnen gaat een luik open, waarachter een grote donkere kamer schuilt, waar ze lange tijd niet in is geweest. Ze stelt zich een bord-je voor naast het luik: ‘Principekamp – toegang alleen voor rechthebbenden!’ Ze heeft zichzelf er altijd van overtuigd dat deze ruimte helemaal leeg was, dus was er geen reden om af en toe eens door de bestanden te bladeren.”

Britta’s misselijkheid blijkt een uiting te zijn van haar onderdrukte slechte geweten. Aan het einde van deze dystopie knippert Juli Zeh voor ons lezers toch nog een schemerlichtje van hoop aan: Onze harten zijn helemaal niet leeg – we zijn alleen gestopt met luisteren naar onszelf. Net als Britta, kunnen we terugkeren naar onze persoonlijke kampen van principes en eindelijk beginnen op te komen voor onze overtuigingen.  Dus wat zal het zijn – stemrecht of wasmachine?

Met dank aan ‘Die Zeit’

Ostfriesenwut – Klaus-Peter Wolf****

Als je vrienden bij gelegenheid vertelt dat je een fan dan de Duitse tv-kimi’s bent, nu ja , dan moet je er ook niet versteld van staan dat er bij momenten waarop gezocht wordt naar een geschikt cadeau een Duitse Kriminalroman de weg naar jou vindt. Zo gebeurde mij bij de jaarwisseling. Omdat ik dan ook verklapt had dat ik graag eens naar Ostfriesland met vakantie zou gaan om er bv. van een fietsvakantie te genieten, was dit geschenk, Ostfriesenwut, Fischer Verlag, Frankfurt am Main, 2015 van Hans-Peter Wolf, de perfecte aanloop om met de regio en zijn gebruiken kennis te maken. Nu de conronacrisis dergelijke vakantieplannen voor lange tijd opgeborgen heeft, bracht de bovenvermelde roman me niet alleen urenlang leesplezier, ik waande me helemaal in de betrokken regio en reisde in gedachten door heel Ostfriesland (D).

Sagt keiner, man könne von Pfanzen nichts lernen! Ich finde zum beispiel Gänzeblümchen toll! Sie werden oft achtlos platgetreten, aber danach richten sie sich einfach in voller Schönheit wieder auf … “- Ann Kathrin Klaassen, Hauptkommissarin Kripo Aurich

Het natuurgeweld van OSTFRIESLAND kan ze niet verslaan maar als hoofdcommissaris ANN KATHRIN KLAASEN schuimt van woede, is de grootst mogelijke voorzichtigheid geboden.

“Je denkt dat je me gaat achtervolgen, dacht hij. Maar dat is een vergissing, mijn lief. Ik ben de jager, en jij bent de gejaagde. Je hebt ooit te veel in mijn vak geploegd. Ik ben je nog iets verschuldigd voor de verbrijzelde knieschijf. Deze keer overleef je het niet. Als dit voorbij is, drink ik koele drankjes op het strand in de Caraïben, terwijl jij, lieve Ann Kathrin, allang begraven bent op Oost-Friese bodem. “Grossmann (V-man en moordenaar van Ann Kathrin’s vader )

In Leer wordt een jonge vrouw dood uit het dok gevist. De eerste sporen leiden Ann Kathrin Klaasen naar de vriend van de dode. Maar vreemd genoeg is er geen enkele aanwijzing van de identiteit van de man in diens appartement. Kan het zijn dat iemand hier in het geheim woont en handelt? Wanneer Ann Kathrin haar onderzoek begint, heeft ze geen idee in welk wespennest ze steekt. De oplossing kan haar niet alleen haar bestaan kosten, maar ook haar leven. Ook het lot van een volledige regio hangt aan een zijden draad.


In Ostfriesenwut, de 9de Oost-Friese misdaadroman van Klaus-Peter Wolf, wordt commissaris Ann Kathrin Klaasen de opgejaagde. Met haar onderzoeken brengt ze haar leven in gevaar … De bijzondere gave van commissaris Klaasen is haar vaardigheid om sterk betrokken te raken bij het slachtoffer van een moordzaak om zo het profiel van de dader te achterhalen. Op de plaats delict absorbeert ze altijd de sfeer en de stemming, wat haar helpt om de misdaad op te lossen. Maar deze keer hebben deze speciale vaardigheden van de succesvolle onderzoeker fatale gevolgen: Ann Kathrin Klaasen’s kansen lijken plots allemaal verkeken, omdat de moordenaar die ze op het spoor is een perfide spel met haar speelt.

Zoektocht naar een fantoom

Nadat het lichaam van een jonge vrouw uit het dok in Leer is gehaald en de recherche uitgaat van een daad van geweld, valt commissaris Klaasens eerste verdenking op de vriend van de dode. In het appartement van de man is echter geen enkele aanwijzing voor zijn identiteit. Ann Kathrin Klaasen wil het raadsel oplossen en begint onderzoek te doen. In eerste instantie realiseert ze zich niet dat ze in een uiterst hachelijke situatie verwikkelt is geraakt met haar onderzoek. Pas geleidelijk beseft de commissaris dat haar leven onmiddellijk in gevaar komt. En dat de toekomst van een hele regio op het spel staat …

Goed gedoseerde lokale kleur

In zijn ondertussen negende Ostfriesenkrimi mixt Klaus-Peter-Wolf alle ingrediënten die een spannende en vermakelijke misdaadroman vormen. Natuurlijk leeft Ostfriesenwut in niet weinige mate van de couleur locale, die de bestsellerauteur, die al jaren in het Oost-Friese noorden woont, talentvol rondstrooit. De krimi dankt echter zijn bijzonder moment van spanning aan de idee van de auteur om de commissaris in groot levensgevaar te brengen. Dat de slimme ‘spürnase’ Ann Kathrin Klaasen de pion van de moordenaar wordt, is een zeer geslaagde zet.

Voor fans van Duitse krimi’s is het lezen van Ostfriesenwut een must en een goede gelegenheid om de bijzondere charmes van de Ostfriesenkrimi en de buitengewone onderzoeksmethoden van commissaris Klaasen te leren kennen.

Meer weten over de auteur: www.klauspeterwolf.de


%d bloggers liken dit: