Dwaaltocht doorheen Gent met prof. em. Jean-Paul Van Bendegem

Een filosofische stadswandeling doorheen Gent met niet minder dan prof.em. Jean-Paul Van Bendegem, dat lieten we ons geen tweemaal vragen.

We spraken af aan het Sint-Pietersstation en tram 1 bracht ons naar de halte Savaanstraat. Via een korte wandeling voorbij aan de Opera bereikten we dan de brasserie van de Handelsbeurs waar we samen (15 deelnemers) lunchten. Na de lunch zou prof. Van Bendegem ons daar komen ophalen. En zo geschiedde.

Op de Kouter werd ons bij wijze van inleiding duidelijk gemaakt welke invalshoek JPVB voor deze wandeling gekozen had:

Deze wandeling wil een filosofische dwaaltocht doorheen een concrete stad [zijn] maar meer nog een mentale verkennings- en ontdekkingsreis van een universum waar het gaat om het geheugen, natuur versus cultuur, het verzamelen en ordenen, het maken van kennis en het bewaren en herstellen van wat was. Het eindpunt is een verrassend nieuwe blik op een omgeving die men dacht te kennen.1

We leren monumenten lezen, oppervlaktestructuur van dieptelaag te onderscheiden. Er wordt verteld over de Wereldtentoonstelling van 1913 en welk monument aan die grootse gebeurtenis nog herinnert in het de Smet De Naeyerpark nabij het Sint-Pietersstation. Waarom juist het monument ‘Wijsheid, kracht en schoonheid’? Dat heeft te maken met de financiering van die Wereldtentoonstelling door de vrijmetselaars. De stad Gent is ook onlosmakelijk verbonden met het Lam Gods van de gebroeders Van Eyck. Het inspireerde de Amerikaanse kunstenares Jessica Diamond om ‘Mystic leaves’ te maken: het werk bestaat uit achttien bladeren uit brons, messing en gietijzer die voorkomen op het altaarstuk en verspreid zijn over de Kouter. Tussen de nerven van de bladen lees je de namen van de planten en de bloemen in het Middelnederlands, de taal van de gebroeders Van Eyck.

Soms ontstaan er ook stadslegendes in verband met monumenten als niemand het geheim van het monument weet te ontsluieren. Een voorbeeld is de haan op de luifel van Ons Huis op de Vrijdagmarkt. Een geschenk van Waalse arbeiders aan Gentse arbeiders voor hun hulp? Neen! De haan staat symbool voor de nieuwe dageraad, de nieuwe wereld waarin iedereen gelijkberechtigd zal zijn, een socialistische droom dus. En de drie cijfers 8 op de sokkel? ‘Acht ure wirke, acht ure sloape, acht ure vrij, da willen wij!’2

Met de centrale bibliotheek De Krook op de achtergrond, vernemen we dat deze verloren hoek van Gent een mooie invulling heeft gekregen. Over het ontwerp van de bibliotheek is JPVB minder enthousiast. Kunnen wij er de gelaagdheid, de stapeling van boeken in zien? Deze infrastructuur aan een bocht (‘krook’) in de Schelde omvat onder meer de nieuwe stadsbibliotheek, labo’s en kantoren van de Universiteit Gent en imec. Ze noemt zich de inspiratieplek voor kennis, cultuur en innovatie, een bibliotheek die klaar is voor de 21ste eeuw. De plek waar kennis gemaakt wordt dus en opgeslagen: een plek voor jonge, oude en belegen wetenschappen.3

Het gaat op deze plek over het verzamelen in een gebouw (museum, Wunderkammer, collecties: subjectieve en objectieve, compleetheid of juist de onmogelijkheid daarvan) en over het Citadelpark met het S.M.A.K en het Museum voor Schone Kunsten (MSK). Wat is de functie van een park in een stad? Hoe is de ‘plezante mikmak van het Citadelpark’4 ontstaan en waar haalden de ontwerpers hun inspiratie?

Langs de Reep trekken we vervolgens naar de Bisdomskaai en in de buurt van de Rijksmiddelbare school bevindt zich het standbeeld van koning Willem I van Oranje. Onder Hollands bewind krijgt Gent in 1816 een eigen universiteit. Als herinnering hieraan werd hier op de reep een standbeeld van koning Willem I, stichter van de universiteit, onthuld en bij de onafhankelijkheidsstrijd van België kiezen vele inwoners de zijde van het Nederlandse Huis van Oranje.5 Willem I heeft bijzondere aandacht voor het onderwijs. De universiteiten van Leuven, Leiden, Utrecht en Groningen worden opnieuw opgericht. In Gent en Luik komt er een nieuwe universiteit. Ook het lager- en middelbaar onderwijs worden verbeterd naar Willems wensen. Culturele en wetenschappelijke activiteiten kunnen zich verheugen in de steun van de vorst. Een kleine terzijde over de rangen (docent, hoofddocent, hoogleraar, gewoon hoogleraar en buitengewoon hoogleraar) die men vandaag op de universiteit kent en hoe universiteiten hun wortels hebben in kloostergemeenschappen was hier zeker op z’n plaats.

Langs het Maaseikplein, een kleine groene oase met een knipoog naar het Lam Gods, waar 1400 vierkante meter asfalt plaats ruimde voor een bloemrijke graszone en een fruitgaard. Hier groeien perelaars, appelaars, een vijgenboom, een kerselaar, een amandelboom en een moerbeiboom.  Ook soorten als lievevrouwbedstro, bosaardbeitjes en madonnalelies bloeien er kleurig en geurig. Al dit groen dat ook voorkomt op het Lam Gods, kreeg hier een plek bij het standbeeld van de gebroeders Van Eyck, die afkomstig waren van Maaseik.

We zijn nu aangekomen op het Sint-Baafsplein waar zich het NTG bevindt en ook de Lakenhalle en het Belfort. Hier heeft JPVB het over de romantische middeleeuwen en de gereconstrueerde stad die helemaal niet authentiek meer is. In dit verband werkt het verhaal van de ‘goedendag’ uit de Guldensporenslag op de Groeningekouter bijzonder verhelderend. De verwarring die ook over dit krijgstuig is ontstaan (een stok met een ketting waaraan een metalen bol met pinnen) moet op de rekening van Hendrik Conscience geplaatst worden en zijn roman De leeuw van Vlaanderen. Eigenlijk was de goedendag een stok met een metalen punt op het einde. Romantiek is hier dus heel waarschijnlijk de dader van de verwarring. Men leze er in professor Van Bendegems boek ‘Verdwaalde stad’ het stukje Een kleine encyclopedie van de restauratie en Er was eens een gebouw6 op na en je komt te weten waarom we over een aantal Gentse ‘gerestaureerde’ historische monumenten kunnen spreken van ‘nep’.

Het spreekt vanzelf dat in het bestek van dit korte blogbericht niet alles wat verteld werd aan bod komt. Wat we echter meekregen was inderdaad verrassend nieuw. Professor Van Bendegems erudiete kennis van het onderwerp weet hij te laten samengaan met veel zin voor humor, persoonlijke associaties en filosofische uitweidingen, die alles samen, zorgen voor een zeer boeiende rondleiding.

We sloten de goed gevulde dag af met een terrasje bij café-restaurant ’t Voske op het Sint-Baafsplein.

Noten:

  1. Van Bendegem, J.P. (2017) Verdwaalde stad. Filosoferen langs straten en pleinen. Antwerpen/Amsterdam: Houtekiet
  2. Van Bendegem, J.P. (2017) Verdwaalde stad. Filosoferen langs straten en pleinen. Antwerpen/Amsterdam: Houtekiet, p. 55
  3. Van Bendegem, J.P. (2017) Verdwaalde stad. Filosoferen langs straten en pleinen. Antwerpen/Amsterdam: Houtekiet, p. 158
  4. Van Bendegem, J.P. (2017) Verdwaalde stad. Filosoferen langs straten en pleinen. Antwerpen/Amsterdam: Houtekiet, p. 73
  5. https://visit.gent.be/nl/zien-doen/bezienswaardigheden?
  6. Van Bendegem, J.P. (2017) Verdwaalde stad. Filosoferen langs straten en pleinen. Antwerpen/Amsterdam: Houtekiet, p. 208,209,210

Eternal Echoes – John O’Donohue

Celtic Reflections on Our Yearning to Belong

“Longing is the transfiguration of aloneness,”  schreef David Whyte. De alchemie van die transfiguratie is wat de grote Ierse dichter en filosoof  John O ‘Donohue (1956 -20008) onderzoekt in Eternal Echoes, een immens inzichtelijke blik op de eeuwige turbulenties van het menselijke hart, gevoed door oude wijsheid en gericht op de moderne levenservaring.

O’ Donohue:

We live in a world that responds to our longing; it is a place where the echoes always return, even if sometimes slowly… The hunger to belong is at the heart of our nature. Cut off from others, we atrophy and turn in on ourselves. The sense of belonging is the natural balance of our lives… There is some innocent childlike side to the human heart that is always deeply hurt when we are excluded… When we become isolated, we are prone to being damaged; our minds lose their flexibility and natural kindness; we become vulnerable to fear and negativity.

[…]

The ancient and eternal values of human life — truth, unity, goodness, justice, beauty, and love — are all statements of true belonging; they are the also the secret intention and dream of human longing.

En hoewel we verlangen naar integrate, we zijn toch fundamenteel gefragmenteerd. De dynamische interactie tussen deze beide polen, argumenteert O’Donnohue, is een animerende centrale kracht voor de menselijke ervaring.

No thing is ultimately at one with itself. Everything that is alive holds distance within itself. This is especially true of the human self. It is the deepest intimacy which is nevertheless infused with infinite distance. There is some strange sense in which distance and closeness are sisters, the two sides of the one experience. Distance awakens longing; closeness is belonging. Yet they are always in a dynamic interflow with each other.

[…]

Our hunger to belong is the longing to find a bridge across the distance from isolation to intimacy.

Zoals onze behoefte de kaart van onze onvolkomenheid uittekent, voorziet ze tegelijk de essentiele emotionele intelligentie voor echte menselijke verbondenheid. Ons verlangen om erbij te horen brengt ons dichter bij onszelf en uiteindelijk ook bij elkaar.

O’Donohue schrijft:

There is a huge abyss within every mind. When we belong, we have an outside mooring to prevent us from falling into ourselves.

[…]

There is a lovely balance at the heart of our nature: each of us is utterly unique and yet we live in the most intimate kinship with everyone and everything else… Our hunger to belong is the desire to awaken this hidden affinity.

En toch is erbij horen altijd overanderlijk onvolledig. Het subtiele gevoel van thuisloosheid die deze onvolkomenheid in ons zaait, is het begin van elke creatieve impuls. O’Donohue overweegt hoe we interpoleren tussen ons verlangen naar verbondenheid en de noodzakelijke eenzaamheid die de creatieve impuls doet ontstaan:

There is a divine restlessness in the human heart. Though our bodies maintain an outer stability and consistency, the heart is an eternal nomad. No circle of belonging can ever contain all the longings of the human heart. As Shakespeare said, we have “immortal longings.” All human creativity issues from the urgency of longing.

The restlessness in the human heart will never be finally stilled by any person, project, or place. The longing is eternal. This is what constantly qualifies and enlarges our circles of belonging. There is a constant and vital tension between longing and belonging. Without the shelter of belonging, our longings would lack direction, focus, and context; they would be aimless and haunted, constantly tugging the heart in a myriad of opposing directions. Without belonging, our longing would be demented. As memory gathers and anchors time, so does belonging shelter longing.

Als het verlangen sterft, houdt de creativiteit op. De zware taak van het mens-zijn is om verlangen en verbondenheid in evenwicht te brengen, zodat ze met en tegen elkaar werken om ervoor te zorgen dat alle mogelijkheden en gaven die in de klei van het hart slapen, in dit ene leven kunnen worden gewekt en gerealiseerd.

Hoe dat kan, onderzoekt hij verder in dit zeer inspirerende en mystiek-poëtische boek. Het staat garant voor uren boeiende literatuur die in alle eenvoud naar de diepste verlangens en behoeften peilt van elke mens. Het is een boek dat vanuit de ervaring van moederlijke geborgenheid op fenomenale wijze de link legt naar verbonden- en geborgenheid met en in de Natuur en de hele ons omringende Kosmos.

Meer weten over John O’Donohue ? klik dan hier

Pleidooi voor poëzie -Tinneke Beeckman

Wie is Tinneke Beeckman?

In 1994 ging Beeckman moraalwetenschappen studeren aan de Vrije Universiteit Brussel. In 1998 begon ze een masteropleiding filosofie aan de Université libre de Bruxelles en in 1999 ging ze doctoreren aan de VUB. In 2003 promoveerde ze op een proefschrift over Sigmund Freud en Friedrich Nietzsche.

Tussen 2003 en 2012 was Beeckman verbonden aan de VUB als postdoctoraal onderzoekster over politieke filosofie in de Nieuwe Tijd (over Spinoza en Machiavelli). Tussen 2006 en 2012 gaf ze er ook les. Ze was wetenschappelijk coördinator van het Centrum voor de Studie van de Verlichting en het Hedendaagse Humanisme (VUB) en lid van het Centrum voor Psychoanalyse en Wijsgerige Antropologie van de Katholieke Universiteit Leuven / Radboud Universiteit Nijmegen. Ze publiceerde onder meer over Freud, Nietzsche, Heidegger en vooral Spinoza. Sinds 2010 publiceert ze als politiek commentator in De Standaard, De Tijd en De Morgen en NRC Handelsblad. Ze was kernlid van de Gravensteengroep. Ze is redactielid van het tijdschrift Streven en co-voorzitter van het Vlaams-Nederlands Forum voor Filosofie. bron: wikipedia

Filosofe Tinneke Beekman over hoop in De Standaard

Over hoop die een loopje neemt met ons denken.

De onderstaande column van filosofe Tinneke Beekman over hoop ontsnapte niet aan mijn aandacht, vermoedelijk omdat ikzelf al vaak over dat thema heb nagedacht. Volgens haar zijn we best wat oplettend want hoop durft een loopje te nemen met ons denken.

“In donkere tijden lijkt hoop een ­belangrijk middel om de duisternis door te komen. Alsof uit hoop alleen het goede kan volgen. Die ­visie deel ik niet. Ik probeer hoop-vrij te zijn: gericht op wat nu wél mogelijk is. En dat betekent helemaal niet hopeloos, fatalistisch of defaitistisch door het leven gaan.

Hoop is natuurlijk verkieslijk ­boven wanhoop; in dat laatste geval geloof je niet dat iets goeds nog kan gebeuren. En natuurlijk is hoop soms onafwendbaar, als de nood hoog genoeg is. Het voorbije jaar heb ik eenmaal heel intens iets gehoopt. Alleen merkte ik vooral hoe verloren ik eigenlijk was. Het hoopvolle gevoel projecteerde me naar een toekomst die alleen in mijn verbeelding bestond. Hopen is verlangen, terwijl de vervulling van je hoop niet van jezelf afhangt. Wat biedt de hoop dan eigenlijk? Zeker geen vrijheid. De stoïcijnen, de epicuristen, filosofen als Spinoza of ­Camus keken met argwaan naar discours waarvan hoop de hoeksteen uitmaakte. Er bestaat geen hoop zonder angst en geen angst zonder hoop, aldus Spinoza in de Ethica. Aan ­beide ligt ­dezelfde onzekerheid ten grondslag. Terwijl je hoopt, vrees je dat het slecht afloopt, en als je bang bent, hoop je ­tegelijk dat je angst geen werkelijkheid wordt. Als je hoopt, ben je dus niet echt vrij. De stoïcijnen denken er net zo over: de wijze vreest niets en hoopt niets. Hij verlangt alleen wat is, en ­geconfronteerd met dingen die tegenvallen, doet hij wat hij kan om de situatie te veranderen.

Hoop kan samenhangen met een theologisch perspectief. Het is een christelijke deugd, naast ‘caritas’ (naastenliefde) en ‘fides’ (trouw); ­hopend verwachten de gelovigen Gods werking, vol vertrouwen op een eeuwig leven na de dood. Niet toe­vallig geloven de critici van de hoop niet dat er een welmenende, beschermende God is, tot wie je je gebeden kunt richten. Volgens Camus worden hoop en geloof al te vaak ingeroepen om onaanvaardbaar lijden goed te praten. Zijn afkeer van de hoop heeft precies met een woede over onrecht te maken. Hopen lijkt dan een vorm van berusting, en dat gaat tegen het leven zelf in. Wie door de omstandigheden wanhopig wordt, is laf, maar wie in de menselijke conditie hoop kan vinden, is goed gek, aldus Camus.

De theologische grondslag van de hoop is ook in de politieke verbeelding te vinden. Begin 17de eeuw leidde de puriteinse advocaat John Winthrop groepen kolonisten naar het beloofde land Amerika als ‘a city upon a hill’, een hoopvol toevluchtsoord voor christelijke gelovigen. De uitdrukking refereert aan ­Jezus’ Bergrede. Intussen ­behoort ze tot het politieke zelfbeeld: Amerika is een uitzonderlijk land (American exceptionalism), een baken van hoop voor de rest van de wereld. Heel wat presidenten – van John F. Kennedy over Ronald Reagan tot Barack Obama – verwijzen ernaar. Hope is een belangrijk retorisch middel om die bijzondere missie te onderstrepen. En praten over hoop geeft hoop. Alsof je al een stap hebt gezet in de richting van een betere wereld. Hoe kan je bijvoorbeeld niet meegesleept worden door het gedicht van Emily Dickinson, waarin ze hoop het ding met veren noemt, een ­vogeltje, dat in je ziel neerstrijkt, nooit stopt en nooit om iets terugvraagt?

Hoe krachtig dit ook lijkt, het verwijzen naar hoop komt met politieke nadelen. Vanaf het begin waren Amerikanen blind voor het leed dat ze de inheemse bevolking aandeden, voor de gevolgen van de slavernij, en later nog, voor de gevolgen van het Amerikaanse beleid ­elders ter wereld.

Heel wat politieke activisten prijzen de hoop wel als stimulerend. Katrin Swartenbroux citeert Rutger Bregmans motivatie in De Morgen om een hoopvol mensbeeld te schetsen. Hij is de zoon van een protestantse dominee, maar ­gelooft zelf niet meer. De hoop heeft hij behouden, omdat mensen de maatschappij zelf moeten verbeteren. Ze kunnen niet op een goddelijke kracht rekenen.

Dat laatste standpunt deel ik. Maar het is niet de hoop die daadkracht geeft, het geloof in daadkracht – mensen hebben een vrije wil, ze kunnen de samenleving deels vormgeven – geeft hoop. Dat is de volgorde. Hoop is mogelijk, want ik kan handelen. Maar hoop is geen voorwaarde om na te denken of te handelen. Dat lukt ook vanuit een scherpe gerichtheid op het hier en nu.

De vraag is niet alleen wat jij met hoop kunt, maar ook wat de hoop met jou doet. Hoop kan je ook iets ont­nemen: de gelegenheid om echt na te ­denken over de situatie waarin je je ­bevindt. Welke normale toestand moet bijvoorbeeld terugkeren na de pandemie: hetzelfde hectische leven, dezelfde consumptiepatronen, dezelfde intru­sieve houding tegenover de natuur?”

Bron: “Hoop neemt een loopje met je denken”, column DS, 18 febr. 2021 | Tinneke Beeckman

De schepping een boek …

foto: frie peeters
De schepping is als het ware 
een boek waarin men 
over de Drieëenheid kan lezen.

Bonaventura (1221 - 1274)
Italiaans filosoof en theoloog 

Maria is een sympathisante

Het korte essay in het naar het Nederlands vertaalde werk Sympathie van de luthers-protestantse theologe Dorothee Sölle vangt als volgt aan: Maria – het eerste beeld, dat ik voor me zie is de gipsfiguur, in de grot van Lourdes; neergeslagen ogen, het lichaam omhuld zodat het niet meer herkenbaar is: ontsexualisering plus deemoed, het vrouwelijke ideaal. Een symbool dat geschapen is om de onderdrukten te leren zichzelf te onderdrukken, de onzekeren te leren zelfcensuur toe te passen, de dubbel uitgebuiten te leren zichzelf uit te buiten. blz. 48

Ze vervolgt met een schets van het Mariabeeld waarin ze argumenteert op basis van Bijbelse en andere teksten dat deze alles behalve een ‘gipsfiguur’ was. ‘Was het deze Maria, die aan het boerenmeisje Jeanne d’Arc verscheen en haar het mannelijkste toevertrouwde, dat mannen bezitten, het zwaard? Is onderwerping werkelijk het thema van het lied waarmee Maria in de bijbel haar zwangerschap bezingt? (Magnificat, BK)

Ze herinnert eraan dat de ontmenselijking van het beeld een erfenis is die in de kunstgeschiedenis begint in de renaissance en haar hoogtepunt vindt in de 19de eeuwse burgerlijke maatschappij. De middeleeuwse Maria werd ‘zinnelijker en vrolijker uitgebeeld ‘. Als de Maria uit de legenden en de volksverhalen een neiging tot moraalloze figuren heeft (cfr. Beatrijslegende, een kloosterlinge die ‘valt’ en voor wie Maria plaatsvervangend optreedt, BK) is ze onder klerikale invloed tot in de late Middeleeuwen niet meer geliefd in de liturgie en de literatuur. Sölle stelt dat de Mariafiguur dubbelzinnig is, dat ze ‘fungeert ten dienste van een religieus verheerlijkte onderworpenheid, maar ook ten dienste van troost, bescherming en het redden van slachtoffers. Maria is submissief, onderworpen. Maar ze is ook subversief, in de betekenis waarin de politie in Zuid-Amerika (cfr. de Zuid-Amerikaanse dictaturen van die dagen, BK) dat woord gebruikt. Ze ondergraaft de macht van heersers. […] Maria is een sympathisante. De kleine madonna, die eens het lied van de bevrijding zong, is niet van gips en plastic. Ze is zeer levend. Levend in de geschiedenis van alle onderdrukten, levend in de geschiedenis van de vrouwen.’ En in datzelfde essay lezen we:

‘Daarmee kom ik uit bij een nieuw en veel beter beeld van het meisje Maria: brutaal als Johanna van Orleans, die een aartsbisschop midden in het gezicht durfde te zeggen, dat wat hij zojuist gezegd had ‘zelfs voor hem een ongewoon domme opmerking’ was. In dit licht is Maria niet meer alleen de getemde vrouw, maar ook de rebelse meid. In haar verenigen zich strijdbaarheid en barmhartigheid en worden tot een beeld van hoop voor hen, die men het leven ontstolen heeft. Maar tegelijkertijd was ze ook altijd een repressief voorbeeld, dat bewust ingezet werd om de vrouwen deemoedig en klein te houden. Daarom is men in katholieke kringen snel geneigd een zo dubbelzinnige figuur op te geven en te vergeten. Ik sta echter persoonlijk zeer sceptisch tegen ieder soort wegwerpmaatschappij. Ik vertrouw een zogenaamd bestaan zonder beelden en mythen niet. Het is gebleken, dat waar de oude beelden afgeschaft werden, er nieuwe voor in de plaats komen, die in geen enkel opzicht vrijzinniger zijn: waar vroeger de onbevlekte Madonna in de nis stond, neemt nu mevrouw ‘Schoon en Netjes’ haar plaats in – en deze beide ideologieën dwingen beide vrouwen een rol op, die hen verzwakt en verminkt. Ik ben – evenals veel Christenen in bevrijdingsbewegingen niet bereid Maria aan anderen af te staan. Ik vind de raad, dat we Maria en de religie maar zo snel mogelijk moeten vergeten, te voorbarig en te simpel. Ook de bevrijdingsbewegingen van vandaag hebben beschermelingen en voorbeelden nodig, ook zij hebben wortels in de geschiedenis van node. Als we de Madonna van Lourdes zomaar afschaffen, is daarmee nog niets gebeurd.

Ik vind het moeilijk aan te nemen, dat de miljoenen vrouwen voor mij, die van Maria hebben gehouden, alleen maar blind en bedrogen zouden geweest zijn. Er moet ook verzet geleefd hebben. Verzet, waarvan wij kunnen leren.’

uit: Dorothee Sölle: Sympathie. Theologisch-politische Traktate. Kreuz, Stuttgart 1978 – Dorothee Sölle: Sympathie. Gedachten over geloof en politiek. ten Have/Baarn, 1979

Op 27 april 2003 is Dorothee Sölle overleden in een ziekenhuis in het Zuid-Duitse Göppingen aan de gevolgen van een hartinfarct. Halverwege de jaren negentig was reeds kanker bij haar vastgesteld. Sölle stierf ‘in het harnas’, vlak nadat ze op haar eigen indringende manier nog een volle zaal had toegesproken. Ze werd drieënzeventig jaar.

Dorothee Steffensky-Sölle, geboren Nipperdey (geboren 30 september 1929 in Keulen, † 27 april 2003 in Göppingen) was een Duitse protestantse theologe en dichter. In de academische wereld werd haar erkenning ontzegd. Ze was wereldwijd bekend als theologische schrijver en spreker. Sölle was een van de meest prominente vertegenwoordigers van ‘een ander protestantisme’. Ze bekritiseerde de Almachtsidee over God en probeerde in haar geschriften dagelijkse levenservaringen – vooral lijden, armoede, achterstand en onderdrukking – te koppelen aan theologische inhoud. Ze was politiek betrokken bij de vredes-, vrouwen- en milieubewegingen.

Een Franse Marialegende vertelt over een jongleur die zijn onrustige leven opgeeft en naar het klooster gaat. Maar het leven van de monniken blijft hem vreemd, hij weet noch te bidden, noch te zingen. Hij betreurt zijn lijden bij de Maagd Maria en zij vraagt hem om God te dienen met wat hij kan doen: dansen en springen! Vanaf dat moment miste hij alle koorgebeden om tijdens deze periode te dansen. 
Hij wordt echter bij de abt geroepen en gelooft dat hij zal weggestuurd worden, maar de abt zegt alleen:“In je dans eerde je God met lichaam en ziel. Maar moge hij ons alle goedkope woorden vergeven die over onze lippen komen zonder dat ze door ons hart zijn gegaan'

uit: Mystik und  Widerstand - Mit einer Einleitung von Fulbert Steffensky, Kreuz Verlag, 2014

Kleine biografie van Dorothee Sölle: Een profetische vrouw – Monique Wolf

Vacare

Rustplek – Lintbos, Grimbergen

Misschien luister je ook wel eens naar het Klara-radioprogramma Espresso en hoorde je daar Greet Van Thienen de voorbije vrijdagochtenden boeken voorstellen van wandelende schrijvers, voor wie stappen de vanzelfsprekende weg naar een soort vrijheid is/was. Na Alicja Gescinska’s tv-reeks Wanderlust op Canvas waarin ze haar geliefde denkers, kunstenaars, schrijvers opzocht, krijgen we op Klara een leeslijst geserveerd die een rist van pittige pleidooien voor en literaire verslagen van wandelervaringen en hun effecten bevat. Naast bekende schrijvers als Robert Macfarlane , Frédéric Gros, Henry David Thoreau worden ook Robert Walser, Annie Dillard, John Muir en Pieter Kikkert onder de aandacht gebracht.

Vredesbrug, Willebroek
Ook volgens George Steiner, een van de grootste essayisten en filosofen van de afgelopen decennia, kunnen we het belang van wandelen moeilijk overschatten. In zijn essay 'The Idea of Europe' (2015) betoogt hij dat het Europese continent vier pijlers heeft; vier wezenskenmerken van de Europese cultuur, of de Europese ziel, zo men wil. Eén van die pijlers is wandelen. Europa is een continent van wandelaars. Dit wandelen is niet louter een manier om ons van punt A naar punt B te verplaatsen. Wandelen is een existentiële aangelegenheid, soms zelfs een metafysische materie. Steiner verwijst daarbij naar verschillende fenomenen uit de Europese culturele geschiedenis waarin wandelen een centrale rol speelt: het concept van de pelgrimstocht bijvoorbeeld, of de verheerlijking van de Wanderer in de Duitse 19de-eeuwse romantische traditie. Denk maar aan Schuberts muziek of Friedrichs schilderijen: steevast is wandelen van het grootste belang, omdat het meer een geestelijke dan een lichamelijke activiteit is. Al wandelend ontvouwt zich de wil en het verlangen om de wereld te ontdekken: Wanderlust. - Alicja Gescinska

Nog zo’n begeester(en)de auteur als het over wandelen gaat, is Paolo Cognetti met zijn roman De acht bergen. Wie veel wandelt heeft de impact ervan op lichaam en geest ervaren, en kan op de duur niet meer zonder, wil zijn horizon verruimen, laat al wandelend ideeën rijpen, wordt geïnspireerd, oefent doorzettingsvermogen, ervaart de meest onverwachte gebeurtenissen, leeft met wisselende weersomstandigheden en seizoenen, beweegt in een sprekende stilte, wordt deel van zijn omgeving, kiest om vacare te zijn, vrij, open, leeg voor wat zich voor de zintuigen en de geest ontvouwt.

%d bloggers liken dit: