Kunstenfestival Watou: niets te merken van besparingen – Koen Van Boxem in De Tijd

Het kunstenfestival Watou doet het met 125.000 euro minder dan vroeger. Maar daar is op een sterke editie niets van te merken.

‘Nooit komt een eind aan ons verlangen.’ De zin prijkt als een grote lettersculptuur van Maud Bekaert in het Festivalhuis, een van de elf locaties van het kunstenfestival Watou. Het is de slotregel van het poëziedrieluik ‘Whale Spotting’ van Peter Verhelst. De zin klinkt als een ontnuchterende vaststelling. Hoe groot het verzet ook, het verlangen gaat pas weg bij de laatste hartslag. Gelukkig is er troost, als het verlangen niet wordt ingevuld.

Tussen dat spanningsveld beweegt de 38ste editie van het kunstenfestivalzich. Het thema sluit nauw aan bij de staat van zijn van het festival zelf. Twee jaar geleden verloor de organiserende vzw Kunst van Jan Moeyaert haar structurele subsidie van de Vlaamse overheid. Sindsdien is het roeien met de riemen die er zijn. De stad Poperinge levert met 125.000 euro een substantiële bijdrage. Via het achterpoortje van de projectsubsidie schuift Vlaanderen het festival toch nog 135.000 toe. Sponsor- en ticketinkomsten zijn goed voor 380.000 euro. Dat levert een budget van 640.000 euro op, of 125.000 euro minder dan vroeger.

Niets te merken van besparingen

Merk je daar iets van op het parcours, dat voor één keer een afspanning in Poperinge heeft? Nee. De nieuwe editie is behoorlijk sterk. Dat hoeft niet te verbazen. Troost en verlangen vormen voor veel kunstenaars een nooit opdrogende bron van inspiratie. Als bezoeker heb je doorgaans in het leven ook wat meegemaakt aan troost en verlangen. Het inlevingsvermogen is daardoor groot.

Opvallend is het grote aantal sterke, melancholische sculpturen. Een van de beste voorbeelden staat in het Festivalhuis. Het titelloze beeld van Katrin Dekoninck stelt twee vermoeide meisjes voor die hun hoofd te rusten leggen. Je wil een arm om hen heen slaan, maar tegelijk durf je niet. Ze lijken zo kwetsbaar. Bovendien weet je niet goed hoe de relatie tussen de twee is. Het ene meisje zoekt oogcontact, maar het andere houdt de ogen gesloten. Hebben ze ruzie?

Dekoninck creëerde het beeld van het meisje in 2016. Voor de nieuwe installatie in Watou werkte ze het thema verder uit. Het creatieproces wordt op een videoscherm getoond. Het is een heikele klus om van klei een afgewerkte installatie te maken. Dekoninck vernietigde de hoofden van de meisjes vier keer voor ze de juiste gelaatsexpressie had gevonden. Bij de installatie hoort een passend gedicht van Bernard Dewulf met dit slotvers: ‘Rust wel, mijn hoofd, rust niet te snel. Het is nog lang niet straks. En wees niet bang, wij zijn het maar.’

Geamputeerde lichamen

De zolderverdieping van het Festivalhuis is dit jaar bijzonder mooi ingericht met een rist kunstwerken die op elkaar lijken in te spelen. Er hangt een prachtige foto van een meisje van Danielle Van Zadelhoff. Met een beetje verbeelding kan je je voorstellen dat datzelfde meisje heeft geposeerd voor beeldhouwer Anton Cotteleer. Hij toont vereenzaamde, geamputeerde lichamen van vrouwen, in het gezelschap van een hond. Zijn decorum voor de beelden zijn meubelen uit lang vervlogen tijden. Een oude tafel als sokkel. Het geeft aan het geheel iets erg unheimlichs. Net als bij Dekoninck vraag je je af wat met die mensen is gebeurd.

Soms is kunst ook gewoon grappig. Op de trappen van het Festivalhuis bots je op een marmeren plakkaat van Peter Mertens. ‘In memory of the works of art that did not make it into the show.’

In de Brouwerij leest Hugo Claus zijn gedicht ‘Sonnet XiV’ voor. De stem van de meester spat uit luidsprekers aan de buitenmuur. Aan de overkant kijkt een ingedoken mannetje toe. Het is een nieuw muurschilderij in acryl van Jan Vanriet, een goede vriend van Claus. ‘Raaf’ heet het. Het sonnet heeft voor de kunstenaar een bijzondere betekenis, legt hij in cataloog uit. Het herinnert hem aan de uitstrooiing van de asse in 2002 in Watou van de overleden dichter Eddy van Vliet. Vanriet en Claus waren beiden aanwezig.

Van een heel andere orde is de installatie ‘Bedroom’ van de Israëlische kunstenares Nelly Agassi. Het is niet meer dan een kamervullend bed. Troost en verlangen vallen er samen. De omvang van het bed belooft veel. Tegelijk is het een ideaal schuiloord. Aan de muur hangt een titelloos gedicht van de Nederlander K. Martin. De slotzin is verrukkelijk: ‘Waar en wanneer zei wie tegen mij – en in welk bed – maak je geen zorgen ga rustig slapen dan zie je vanzelf wel in welke eeuw je wakker wordt.’

Alles gaat goed

In een kleine stal van de Douviehoeve hangt ‘Sperma Infinitum’, een hedendaags werk van de toonaangevende Spaanse kunstenaar Bernardi Roig. Een man hangt vast aan neonlampen. Hij lijkt zich te hebben opgehangen. Of werd hij zoals een mot aangetrokken door het licht? Licht speelt een belangrijke rol in het oeuvre van Roig. Te veel licht verblindt de mens, vindt hij. Het is een verwijzing naar de overkill in de multimediale samenleving.

In de grote schuur zorgt Jan Moeyaert voor een stunt. Hij kon de Amerikaanse textielkunstenares Sheila Hicks overtuigen om een van haar installaties uit de jongste Biënnale van Venetië opnieuw te installeren. ‘Escalade Beyond Chromatic Lands’ is een veelkleurige installatie van 300 bollen uit acrylvezels. Het verhaal moet je er zelf bij fantaseren. Maar je voelt je er wel toe aangetrokken. Het textiel nodigt uit om aangeraakt te worden.

In dezelfde ruimte staat nog een gigantisch werk uit de Biënnale: ‘Living Dog Among Dead Lions’ van de Georgische kunstenaar Vajiko Chachkhiani. Het is haast nog intrigerender dan de bollen van Hicks. Chachkhiani ontwierp een houten huis, een krot zeg maar. Door de bedampte ramen kan je een beetje naar binnen kijken. Een troosteloos interieur, koppen en mokken waaruit je nog geen hond zou laten eten. Uit het plafond valt water naar beneden, als uit een gigantische douchekop. De ‘regen’ maakt het interieur kapot, terwijl de buitenkant intact blijft. De installatie schetst een beeld van de mens. Hoe hij vanbinnen wordt verteerd door al het onheil dat hem overkomt, maar aan de buitenkant blijft lachen. Niets aan de hand. Alles gaat goed.

Kunstenfestival Watou opende op 30 juni en loopt tot 2 september. Maandag en dinsdag gesloten.

www.kunstenfestivalwatou.be

Advertenties

Els Moors bij Luciano Fabro’s ‘Badenden’ in het Middelheim – A’werpen

In opdracht van Dichter bij Beeld Middelheim bij het werk ‘Badenden‘ van Luciano Fabro.

we gingen er tot aan onze witte lakens in
niet verder we vloeiden voor de wereld
zoals een steen in rimpelend water
zweeft

en telkens als het avond werd
begonnen we bloedend
te bederven
wat ons ‘s ochtends leven deed
het licht dat ons ooit tot dit spel bewoog
zelf misselijk geworden sloot de ogen nu
tot in het schuim der leegte ook
‘t fijnste licht verdween

ik zie me daar nog zitten neergezonken
in de breedte van dat water
zo somber loopt de zomer
van ons weg

ach ik zal de tijd niet stoppen
die hier elke keer opnieuw
nieuwsgierig in dit zwarte water
blikt

en ook uw gezicht dat spiegelt
wat het mijne wil
wil ik niet weren
uit mijn klein maar vastomlijnd bestaan

tot aan mijn middel blijf ik
in uw zwaarte wezen en
ik meer mij ook vandaag weer
in uw diepe vijvers staan

en zingt de eeuwigheid
dit machtig herfstlicht
een mistig lied
dat alles stoppen doet

dan ril ik
of ik laat mij door u beven
tot ik samen met u
sterven moet

Els Moors

 

Het gedicht werd ook naar  het het Frans en het Arabische vertaald.

Orgelman. Felix Nussbaum. Een kunstenaarsleven – Mark Schaevers

Beschaving begon voor de mens met het kunnen reflecteren over zichzelf, met de zin voor creatie en schoonheid. Grottekeningen, beeldhouwwerken, monumentale gebouwen, schilderijen willen iets uitdrukken van wat de mens in een bepaalde tijd bewoog, overkwam, beangstigde, ontroerde, beoogde. Het boek dat ik de voorbije dagen las, had ik op geen betekenisvoller moment in de tijd kunnen lezen. Het vluchtelingendebat dat al enkele jaren in onze media woedt en waar ‘Fort Europa’ geen oplossing voor blijkt te vinden, lijkt wel een  grootschaliger herhaling van wat zich gedurende de Tweede Wereldoorlog in Europa afspeelde ten aanzien van de joden. Dictatoriale regimes, oorlog, religieuze conflicten, klimaatverandering met armoede tot gevolg, hebben een migratiestroom op gang gebracht waar de Europese Unie geen blijf mee weet. Andermaal staan dus mensen aan de grenzen van verschillende Europese landen en vragen om asiel.

Omslagbeeld wv 293 – Selbstbildnis mit grüner Kopfbinde, 1936 – Felix Nussbaum

Het boek van Humo-journalist Mark Schaevers Orgelman. Felix Nussbaum. Een kunstenaarsleven, Bezige Bij, A’dam, 2014 – waarvoor hij in 2015 de Gouden Boekenuil in ontvangst mocht nemen – maakt aan de hand van het leven van de Joodse kunstenaar Felix Nussbaum uit Osnabrück, Nedersaksen, Duitsland, duidelijk hoe minutieus, doelgericht en meedogenloos het nazi-regime  ‘de oplossing’ voor de uitroeiing van de Joden orchestreerde. Nussbaum verbleef behalve in Rome, Parijs en de Italiaanse Rivièra ook geruime tijd in Oostende en Brussel op steeds weer andere onderduikadressen samen met zijn levensgezellin Felka Platek. In Duitsland werd zijn oeuvre in de jaren 30 van vorige eeuw volledig vernietigd, maar hij bleef als exilkunstenaar verwoed verder schilderen in het bewustzijn en de existentiële angst dat als hij deze nazi-waanzin niet zou overleven, zijn schilderijen dat hopelijk wel zouden doen en komende generaties duidelijk maken in welke barbarij  de wereld terecht was gekomen.

Ik laat hier verder Kurt De Boodt aan het woord in zijn recensie voor Ons Erfdeel:

Schilderijen willen gezien worden. Ze snakken naar kijkers. In duisternis verschrompelen ze tot een herinnering die gaandeweg vervaagt. Zonder licht op hun verfhuid én de weerspiegeling in onze ogen bestaan ze hooguit materieel. Niet “werkelijk”. Niet als beelden die iets losmaken. Niet als verf die kleuren uitdraagt naar de buitenwereld of als een getuigenis van een schildersleven, een tijdgeest, de condition humaine. Zonder kijkers vinden schilderijen geen weerklank in het zichzelf voortdurend updatende web dat beeldende kunst heet.

Het overkwam Felix Nussbaum (Osnabrück, 1904) een kwarteeuw lang nadat de nazi’s in september 1944 in Auschwitz-Birkenau zijn laatste levensspoor hadden uitgewist. Pas in 1970 begonnen schilder en oeuvre aan een revival, nadat 117 schilderijen die Nussbaum in 1942 had ondergebracht bij een Brusselse kunsthandelaar, waren vrijgeven. Steeds meer werken kwamen aan het licht. Ontstellende schilderijen van een ontredderde mens in een ontmenselijkende tijd. Hoe langer hoe meer werd Nussbaums werk naar waarde geschat, met alle materialistische bijverschijnselen: veilingprijzen die de hoogte ingaan, vervalsingen, dubieuze verkopers, bedroevend gesjacher met tijdens de Tweede Wereldoorlog ontvreemd erfgoed. Het wolvengedrag kon er blijkbaar nog bij. Het allerbelangrijkste blijft de slotsom: vijfhonderd werken zijn weer aan het licht gekomen. Voor de Joodse gemeenschap en al wie met de twintigste eeuw in het reine wil komen, liet Nussbaum als slachtoffer en schilder van de Holocaust (en veel meer dan dat) een onschatbaar symbolisch kapitaal na.

Nussbaum is geen beeldenstormer, geen avant-gardist maar een stille nabeschouwer. Net als René Magritte is hij bovenal een beeldenmaker die het atelier – de eigen leefkamer – schoon achterlaat. Als ze eenmaal zijn gezien, komen de beelden los van de drager en prenten ze zich in ons geheugen. Vandaag maakt Nussbaums oeuvre deel uit van de twintigste-eeuwse schilderkunstige canon. Mark Schaevers schreef over deze wonderlijke wederopstanding een spannend boek dat de schilder en diens oeuvre stap voor stap tot leven wekt.

Gemaskerde schilder

Mark Schaevers laat Nussbaums schildersleven aanvangen in Oostende, op 4 maart 1935 tijdens carnaval. De ‘intrede in Oostende’ roept meteen Ensors meesterwerk voor de geest, De intrede van Christus in Brussel: zelfportret, lijden, satire én verzet tekenen Ensor en Nussbaum ten voeten uit. Het is een gelukkige vooruitblik. Nussbaum treedt gemaskerd zijn biografie binnen. In Oostende wordt de schilder de Nussbaum zoals we hem ons vandaag (opnieuw) herinneren. Op het podium van de maskerwedstrijd schouwt niemand minder dan James baron Ensor de gemaskerden: “de maskerschilder neemt notitie van de gemaskerde schilder”. Hier en nu legt een schildersleven zich in een bepalende vorm. De schilderijen met maskers uit het “maskerjaar” 1935, die Schaevers ons overigens pas op bladzijde 140 laat zien, vormen een eerste scharnierpunt. Een jaar later laat Nussbaum de maskers als rekwisiet vallen. De twintig zelfportretten die hij in 1936 maakte, peilen niet zozeer naar de binnen- als wel naar de buitenwereld.

Hoe sta ik in dit leven? Hoe tekent dit leven mij? Het gelaat is een leeg canvas waarop de schilder uit een breed palet emoties aanbrengt, als een acteur voor de spiegel. Het gezicht is een rembrandteske tronie. Ik is telkens weer een ander. In de vertekening en uitvergroting schuilt de waarheidsgetrouwe weergave van groteske jaren.

Nussbaum wordt pas in exil Felix Nussbaum. Hij is als Duitse Jood zijn land uitgejaagd. Hij moest zijn verblijf aan de Duitse academie in Rome – de zonnige Villa Massima waar elke kunstenaar over een eigen atelier beschikte, een ongeziene luxe – in 1933 onverhoeds afbreken nadat Hitler tot Rijkskanselier was benoemd. Bittere speling van het lot: de beeldhouwer Arno Breker huist in Rome in het atelier pal naast dat van Nussbaum. Breker werd tijdens de oorlog Hitlers hofkunstenaar. Het nazisme maakte de ene kunstenaar en kraakte de andere. Het nationaalsocialisme ontnam Nussbaum uiteindelijk zijn nationaliteit, zijn identiteitsbewijs, zijn bestaan én de herinnering aan dat bestaan. Heeft de oorlog de schilder soms ook niet gedeeltelijk gemaakt?

Zeker. Maar het is geenszins de verdienste van de nazi’s, die moderne kunst juist “ontaard” verklaarden, maar louter van Nussbaums bewonderenswaardige weerbaarheid. De schilder die uitmunt in (zelf)portretten van een bewogen tijd, overtreft zichzelf naarmate de toestand heikeler wordt. Dat is terugblikkend het godswonder: hoe meer de mens ten onder gaat, hoe sterker de kunstenaar groeit.

Ontnuchterende schilderijen

In 1939 schildert Nussbaum vier schilderijen die zijn emigrantenbestaan oproepen. Kijk maar, het is zoals Schaevers noteert: “Het oorlogsgevaar focust zijn werk, elk doek is goed.” De ontnuchterende schilderijen die Nussbaum na zijn verblijf achter het prikkeldraad van het Vichy-concentratiekamp in Saint-Cyprien maakte, dat cynische onderkomen op het strand aan de Middellandse Zee, hakken erin als scènes uit de hel van Jheronimus Bosch. Ziehier de mens: een schijtend hol boven een verroeste ton. Een tweede breuklijn, na Oostende, tekent zich in het schildersleven af: “Saint-Cyprien, zeggen die schilderijen, is een scheur in zijn bestaan, een stuk vrolijkheid is voorgoed weggelekt. Het prikkeldraad zal nooit meer uit zijn gedachten en zijn werk verdwijnen. Saint-Cyprien was zijn intrede in de wereld van de vernedering, zonder recht van retour.” En toch: bij zijn terugkeer in Brussel werkt Nussbaum het ene meesterwerk na het andere af. Op een Brusselse binnentuin toont hij trots zijn Jodenpas. Het “notenboompje” (koosnaam door zijn vrouw Felka, een complexe figuur in de schaduw) is geknakt, maar nog lang niet geveld. Op zijn laatste zelfportret, in ontbloot bovenlijf achter de schildersezel, kijkt Nussbaum ons – en de voortmalende oorlogsmachine – verbeten aan. Zie mij schilderen. Zie mijn enige verweer. Dit breekbare verzet waarin ik uitmunt. Alleen mijn kunst kan nog mijn wereld redden.

De wandelende jood

Op Nussbaums laatste schilderij, het breugeliaanse Triomf van de dood (1944), is het vlees verdwenen. Skeletten musiceren op opgestapeld puin. De herinnering aan de beschaving ligt aan flarden. Maar ook op dit geschilderde slotakkoord klinkt in een verfrommelde partituur onderaan links Nussbaums onstilbare verzet door. Mark Schaevers spaart het verhaal achter dit muziekstukje 46 bladzijden op, tot het bitterzoete einde. Ook over de dood van Nussbaum zet Schaevers ons even op het verkeerde been. Alleen al voor die prikkelende passages moet u het boek lezen. Maar nog meer om in stukjes en brokjes het bestaan en het glorieuze oeuvre van Nussbaum leven in te blazen. Opnieuw en opnieuw.

De beelden van Arno Breker liggen in puin. Felix Nussbaum verrees als een feniks uit diezelfde oorlogsas. Op zijn doeken duikt geregeld een straatmuzikant op aan een draaiorgel. Mark Schaevers ziet in de man de wandelende Jood, de opgejaagde zwerver die Nussbaum werd. Net als die muzikant wilde de kunstenaar een echo nalaten, in de openbare ruimte maar ook in de tijd. Mark Schaevers laat in zijn boek het triomferende oeuvre in alle toonaarden resoneren.Wie zijn magistraal gecomponeerde Orgelman leest, zal het levenswerk van Nussbaum niet licht vergeten.