Vrouw en moeder

Het verhaal van Maria of hoe volgens Roger Burggraeve ‘het goddelijk oneidige in het menselijk onooglijke zijn inwoning zoekt’.

Gosin-kapel – Nodebais, Waals-Brabant

Aanvankelijk verschijnt Maria in de christelijke traditie als de Moeder-Maagd aan wie volgens Lucas de geboorte van een goddelijke Zoon is aangezegd. Drie eeuwen later zijn maar liefst vier Mariafeesten bekend: Maria Boodschap op 25 maart, Maria ten Hemelopneming op 15 augustus, Maria Geboorte op 8 september en Maria Lichtmis op 2 februari. De oorsprong van deze feesten ligt grotendeels in de apocriefe evangeliën (bepaalde boeken die aanspraak maken om als onderdeel van de Bijbel te worden beschouwd, maar die niet in de canon van de Bijbel zijn opgenomen). Apocriefe auteurs interesseren zich van meet af aan voor de ondergewaardeerde Moeder. Ze staat altijd op het achterplan, wordt onrechtvaardig bejegend en aan het graf van Jezus draait alles om ene Maria van Magdala.

De indruk dringt zich op dat de ontstane Mariafeesten voorzien in de behoefte aan een ‘godin’ naast de zo mannelijk georiënteerde kerk van Rome. Waar blijft de vrouw tenslotte in deze mannenwereld? Waar is het ‘gevoel’ tussen al dat ‘verstand’ en ‘intellectuele geweld’? Het lijkt erop dat het volk de bisschoppen op een bepaald moment tot de orde heeft geroepen en uiteindelijk zijn zin heeft gekregen. Dit terwijl haar bijbelse positie niet overweldigend is. We ontmoeten Maria in de Schrift op haar driedaagse zoektocht naar de zoon, die onder de tempeldienaars verkeert en leert. Fel stelt hij haar onwetendheid aan de kaak. Eerst omdat ze niet schijnt te beseffen dat hij de werken van zijn Vader doet en later als hij haar toeroept: ‘Wat wilt u van me? Mijn tijd is nog niet gekomen’, omdat zij niet weet dat hij in staat is water in wijn te veranderen. Als volstrekt onbelangrijk verdwijnt zij tussen de coulissen van de bijbel, een pretentieloze figurant op het zijtoneel van de godsdiensthistorie. Maar is zij werkelijk zo nietig? De loop van de geschiedenis heeft ons geleerd dat Maria zich niet laat wegretoucheren. Met zachte drang is zij door een achterdeurtje het theologisch bouwwerk binnengekomen en heeft ze de kerkvaders gedwongen hun mannenverbond ook voor vrouwen toegankelijk te maken.

Met zachte drang is zij door een achterdeurtje het theologisch bouwwerk binnengekomen en heeft ze de kerkvaders gedwongen hun mannenverbond ook voor vrouwen toegankelijk te maken.

In de ogen van velen is Maria eerder een hinderpaal dan een hulp voor de eigentijdse geloofsbeleving. Haar naam evoceert beelden van God, Christus, spiritualiteit en vroomheid die eerder irriteren dan stimuleren. Maria roept iets op van een zoetsappige en wereldvreemde vroomheid; van een enkel voor ingewijden gekende ruimte waarbinnen een wondergeloof de boventoon voert; van een weeïge romantiek die niet met beide benen op de grond kan staan; van een wereld vol van vreemde wensdromen en fantasieën. In deze context is Mariadevotie de ontmoetingsplaats van frustraties en complexen. Haar figuur wekt naast verwondering ook vervreemding. Haar maagdelijkheid heeft iets kwezelachtigs, haar onbevlektheid iets wereldvreemds, haar goddelijke moederschap iets fantastisch, haar lichamelijke tenhemelopneming iets van een verouderde kosmologie. Op deze manier lijkt Mariaverering een geloofsbeleving uit de voortijd, ontsproten uit volksdevoties vol verdachte sentimenten, verlangens en verdringingsmechanismen die thuishoren in een kerk die goedkope doekjes voor het bloeden aanbiedt (zie: Wiel Logister, Maria een uitdaging, Averbode, 2009). Anderzijds is Maria heel actueel een mede-arme en lotgenote voor verdrukten over gans de wereld. Met name in Latijns-Amerika heeft de Mariaverering een duidelijk emancipatorische kracht en daagt ze de kerk uit tot bevrijdend handelen. Feministen en bevrijdingstheologen herinneren eraan dat de zoon van God geboren is uit een jonge Palestijnse vrouw, die geen dak boven haar hoofd had. Ze doorprikken de geromantiseerde beeldvorming rond de kerststal en roepen de kerk op tot solidariteit met de armen in hun strijd tegen onderdrukking. Maria is hierbij hun metgezellin.

Bron: kuleuven/thomas.be

Geborgen und frei – Pierre Stutz

Mystik als Lebensstil

Voor Pierre Stutz is mystiek geen andere levensvorm dan het “normale” dagelijks leven. Hij is ervan overtuigd dat “een mystieke manier van leven een verrijkende levensondersteuning kan zijn, om de weg van zelfcreatie te gaan, om liefdeskracht te kunnen ontwikkelen en zinvol samen te werken met anderen voor een tederdere wereld. We kunnen allemaal mystieke mensen worden, mensen die in het hier en nu blijven hangen met de ogen van de eeuwigheid.”

Zelf heeft hij in het leven crises ervaren die hij herkent in mystieke teksten “geaarde wijsheden” die hem sindsdien elke dag hebben vergezeld. Deze teksten herinneren hem eraan dat “het van mij afhangt, maar nooit van mij alleen afhangt. Ze maken me duidelijk dat ik meer ben dan mijn verwondingen, mijn angstpatronen, mijn succes en mijn falen.”

De stijl van het boek verraadt een “passie voor schrijven, mystiek, film, en vele momenten van worstelen met twijfel.”

De afzonderlijke hoofdstukken behandelen de volgende levensaspecten: DASEIN-STAUNEN-SELBSTWERDUNG-WIDERSTAND-STILLE-FRIEDEN-EROTIK-TANZ-SCHREI-ALLTAG-TOD-LIEBE. Ze beginnen telkens met uitleg over een film die geschikt is voor het onderwerp, gevolgd door de voorstelling van mystici uit verleden en heden, hun strijd, zoektocht, hun teksten en vaak ook de wederwaardigheden die zij ten gevolge van die keuzes moesten doorstaan. Hun ervaringen en inzichten waren vaak onverenigbaar met de eisen van de georganiseerde religie “die veronderstelt dat ze in staat is om de mens God bij te brengen.”

Pierre Stutz toont parallellen met het heden en eindigt elk hoofdstuk met een korte samenvatting die begint met de woorden “Mystieke mensen zijn …”. Daarin condenseert hij zijn wensen en ideeën voor een “christelijk-mystieke” manier van leven.

“Geborgen und frei” maakt herhaaldelijk duidelijk dat een mystieke levensstijl niets is voor het rustige kamertje, ver weg van de wereld, maar één die de eisen van het dagelijks leven onder ogen ziet en tegelijkertijd zijn eigen antwoorden daarop vindt, antwoorden waarin paradoxen kunnen worden waargenomen, geleefd of overwonnen.

Pierre Stutz’ taal is duidelijk en daarom gemakkelijk te begrijpen. Terwijl je leest, moedigt het boek je aan om te pauzeren, stil te staan en te zien hoe je door je eigen leven trekt, hoe je omgaat met de eisen die het stelt en welke antwoorden je voor jezelf hebt gevonden.

In de bijlage vindt de lezer naast de filmlijst ook verwijzingen naar aanbevolen inleidende boeken over mystiek en een indrukwekkende literatuurlijst die Pierre Stutz raadpleegde bij het schrijven van het boek.

Het is bij uitstek een boek dat traag en gefocust gelezen wil worden.

Mystiek en verzet – Dorothee Sölle

De religie van het derde millennium zal óf mystiek zijn, óf zal afsterven.

In 1998 schreef Alma Dewalsch in MO* over Dorothee Sölles boek “Mystik und Widerstand”, dat net een Nederlandse vertaling had gekregen: Dorothee Sölle samenvatten is haar oneer aandoen. Eigenlijk zouden we u gewoon haar boek ‘Mystiek en Verzet’ moeten toesturen. Dat kon natuurlijk niet en dus werd aan Alma Dewalsch een interview toegestaan waarin Dorothee Sölle een blik wierp op de eeuw die voor ons lag. De KU Leuven nodigde haar toen eveneens uit – de aula Maria-Theresia zat afgeladen vol – en ik ging luisteren. Het heeft dan geduurd tot de voorbije lockdown wegens de coronacrisis voor ik haar opus magnum ben gaan lezen in de Duitse uitgave uit 2014, met een voorwoord van haar man en tochtgenoot Fulbert Steffensky, eveneens theoloog.

Het boek Mystiek en verzet: Gij stil geschreeuw (1997) van ruim vierhonderd pagina’s noemde Sölle zelf haar opus magnum. Hierin tracht zij haar centrale these duidelijk te maken dat mystiek aanzet tot politiek verzet en persoonlijke verandering. Het model van geestelijke ontwikkeling, als een innerlijke en uitwendige reis, in eerdere werken door haar geïntroduceerd, werkt zij in Mystiek en verzet verder uit tot een beweging in drie stappen, bestaande uit ‘zich verwonderen – loslaten – in verzet komen’.

Voor Sölle bestaat mystiek, die zij in de grond van de zaak gelijkstelt aan ‘Godsverlangen’, niet uit bijzondere religieuze ervaringen of uit een ontmoeting met God die zich alleen of vooral in het innerlijk van mensen afspeelt. Mystiek heeft betrekking op het inoefenen van een geloofshouding die tegelijk een levenshouding is: de heenreis (naar het eigen innerlijk) die onlosmakelijk verbonden is met de terugreis (naar de werkelijkheid van alledag). Verder benadrukt Sölle dat deze spiritualiteit individueel wordt vormgegeven en in principe ook voor iedereen toegankelijk en uitvoerbaar is: ‘Wij zijn allen mystici’ zei zij dan ook. Deze democratisering en in zekere zin ook moralisering van de mystiek is een belangrijk onderdeel van Sölles theologische herwaardering van zowel de openbare als de persoonlijke of innerlijke betekenis van het christelijke geloof. Zij wilde de mystiek ontdoen van haar elitaire en naar binnen gekeerde imago, en affectieve en introspectieve elementen toevoegen aan de sterk gerationaliseerde protestantse theologie.

Zes jaar na het verschijnen van Mystiek en verzet overleed Dorothee Sölle op 73-jarige leeftijd op 27 april 2003 aan een hartinfarct. Kort na haar dood verscheen een boek met haar laatste teksten, gewijd aan de omgang met het einde van het leven: Mystik des Todes: Ein Fragment (2003), waaraan ze ook in Mystiek en Verzet een subhoofdstuk wijdt.

Komm doch zu mir engel der schlafenden
in dieser stunde liegen die gefolterten wach
kühl ihre wunden streck die verrenkten glieder
lieber stummer engel der schlafenden ...
leg deine dunkle decke über meine verwachten augen
komm doch zu mir
und grüss den anderen engel
deinen dunkleren bruder

Dorothee Sölle
Ausschnitt aus dem Gedicht "Nachts um vier", in: Dorothee Sölle,
Verrückt nach Licht, Gedichte 1984, © Wolfgang Fietkau Verlag Kleinmachnow

Dorothee Sölle was een omstreden theologe, geliefd bij het grotere publiek doch minder onder theologen. Zij groeide op in Duitsland, voor en tijdens WOII en Auschwitz en trok de conclusie: God is niet almachtig maar heeft mensen nodig. Sölle combineerde een zeer geëngageerde politieke theologie met een mystieke geloofshouding en werd vooral bekend door haar publieke optredens en haar opmerkelijke initiatieven. Zo was zij oprichtster van het ‘Politiek Avondgebed’, gedreven vredesactiviste, charismatisch spreekster bij acties en politieke manifestaties, en kritische opponente van kerkleiders en academische theologen. Ze schreef vele toegankelijke en enthousiasmerende boeken over politieke en bevrijdingstheologie en over lijden en mystiek. Sölle beschreef zelf het ‘democratiseren van mystiek’ als haar belangrijkste doel.

Enkele citaten die me bij het lezen bijbleven:

Je mehr wir die Natur zerstören, desto mehr sehnen wir uns nach ihr.

Wasser, Luft, Wärme und Erde sind den lebendigen Erdbewohnern gemeinsam. Eine Verwandtschaft mit allen Lebewesen zu spüren gehört in die Mystik eines tat tvam asi, er ist wie du, einer anderen Beziehung zur Natur.

Slavenhandel: Die Rolle des Menschen, genauer: des weißen Mannes, in diesem System war die Benutzung und Ausbeutung der Objekte, zu denen keine Verwandtschaft empfunden wurde.

Over de almacht van God maar ook van de mens: Aber Omnipotenz und Mystik schließen sich aus.

Die Schöpfungsmacht der Gottheit verstehen wir richtig, wenn wir sie aus den Bildern patriarchaler Kommandomacht ablösen und vielleicht besser mit Hildegard von Bingen als viriditas oder Grünkraft erfahren, als die Lebensenergie, die sich verteilt. Sie bewirkt, dass alle Geschöpfe in der Schönheit ihrer Vollkommenheit erstrahlen.

Die mystische Empfindlichkeit kennt theistische, atheistische und pantheistische Formen.

Over Franciscus van Assisi: Das Motiv des Nackt-Werdens, des Sich-Entkleidens, der Schutzlosigkeit ist ein Grundmotiv mystischer Freiheit, das sich wie ein roter Faden durch das ganze Leben des Poverello zieht.

Mystisches Denken wurzelt in einem Nicht-unterschieden-Sein von den »Anderen«, den Besitzlosen und den Rechtlosen, den Andersfarbigen oder dem anderen Geschlecht.

Der Widerstand, der aus dem Ekel vor der Reduktion des Lebens auf ein »gut Verdienen und unbegrenzt Konsumieren« kommt, entwickelt neue Formen, in denen ich, auch wenn sie ganz säkular daherkommen, eine Mystik des mittleren Weges entdecke. Dieser Widerstand braucht nicht notwendig die Gestalt radikaler Besitzlosigkeit anzunehmen, aber die Erinnerung an die Verrücktheiten der mystischen Tradition hilft dabei, Wege aufzuspüren, die zumindest ein Verständnis dafür offen halten, dass einiges im Leben nicht besessen, gekauft oder verkauft werden kann.

Die Schöpfung selber ist auf Zusammenspiel, auf gegenseitige Hilfe angewiesen. Wie Ernesto Cardenal seit dem großen »Canto Cosmico« (1989) immer wieder in einer Synthese von Naturwissenschaft, Poesie und Mystik betont hat, hat diese Zusammenarbeit »immer bestanden, auf allen biologischen Ebenen, sie ist so alt wie das Leben selbst«.

Andere Wünsche zu haben als die verordneten ist eine Vorbereitung, eine Art Schule des Gebets, die wir brauchen. Ein mystisch-ökologisches Bewusstsein versteht sich eingebunden in alles, was existiert. Alles, was ist, kann nur in der Koexistenz der Beziehung leben und überleben. Diese Koexistenz verbindet uns mit den Jahrmillionen der Evolution und zugleich mit dem Wasser unserer Enkelkinder. Sie ist nicht ignorierbar, niemand hat das Recht, sie zu kündigen. Sie braucht eine andere Weltfrömmigkeit.

Das Bild vom Leben spricht in schöner mystischer Übertreibung und zugleich durchaus realistisch von drei Qualitäten, die allen offen stehen: grenzenlos glücklich, absolut furchtlos, immer in Schwierigkeiten. Es gibt Menschen, die das »stille Geschrei«, das Gott ist, nicht nur hören, sondern es auch hörbar machen als die Musik der Welt, die den Kosmos und die Seele auch heute erfüllt.

Het is een prachtig boek dat overvloedig zijn licht werpt op “le mystique vécue”, de mystieke ervaring en deze niet als elitaire en besloten navelstaarderij presenteert maar midden in het dagelijkse leven van de betrokkenheid, van het mede-leven, van de compassio, die moeilijkheden met zich brengt, maar die daar zonder angst weerstand aan biedt, er doorheen gaat in volle overgave, ‘ohne warumbe’. ❤❤❤

De schepping een boek …

foto: frie peeters
De schepping is als het ware 
een boek waarin men 
over de Drieëenheid kan lezen.

Bonaventura (1221 - 1274)
Italiaans filosoof en theoloog 

Verzet en overgave – Dietrich Bonhoeffer

Vandaag 9 april is het vijfenzeventig jaar geleden dat Dietrich Bonhoeffer werd opgehangen. Dat gebeurde op persoonlijk bevel van Hitler, die een aantal gevangenen absoluut wilde liquideren voor hij zelfmoord pleegde. Wat was Bonhoeffer dan wel voor een bijzonder mens, dat hem deze ‘eer’ te beurt viel?

En wilt Gij ons de bitt’re beker geven
met gal gevuld tot aan de hoogste rand,
dan nemen wij hem dankbaar zonder beven
aan uit uw goede, uw geliefde hand.

Maar wilt Gij ons nog eenmaal vreugde schenken
om deze wereld en haar zonneschijn,
Leer ons wat is geleden dan herdenken,
geheel van U zal dan ons leven zijn.

Dietrich Bonhoeffer (1906-1945)

uit: Von Guten Machten, Berlin, 1944

Een zondagskind

Dietrich Bonhoeffer en zijn tweelingzus Sabine kwamen op 4 februari 1906 in Breslau – nu het Poolse Wroclaw – ter wereld als zesde en zevende kind van een hoogleraar in de geneeskunde en Paula, geboren von Hase. In het ruime huis met vijf bedienden herinnerde alles aan het allerbeste en mooiste wat de Duitse protestantse cultuur te bieden had. Overgrootvaders en grootvaders hadden als verdienstelijke burgers de adelstitel verdiend, één grootmoeder was gravin, een andere oma was van huis uit een democratische voorvechtster en trotseerde nog, 91 jaar oud, Hitlers knokploegen tegen joodse winkels. In 1912 was het gezin naar de hoofdstad Berlijn verhuisd, waar vader Karl gevraagd was voor de belangrijkste Duitse leerstoel voor psychiatrie en neurologie. De kinderen Bonhoeffer kregen àlles mee van thuis: het eerste onderricht van hun moeder, zodat ze ras een paar leerjaren oversloegen, muziek, liefde voor de natuur, theater- en operabezoek, warmte met gedroomde vakanties op buitenverblijven, huisfeestjes met eigengemaakte toneelstukken, én godsdienst in de vorm van bijbelverhalen, liederen en avondgebed – géén kerkbezoek. De eigenzinnige keuze van Dietrich, 17 jaar oud, om aan de universiteit geen fysica, geneeskunde of rechten te gaan studeren, zoals vader of broers, was in dat milieu een kleine bom. Maar in de theologie is Dietrich even briljant als aan de vleugelpiano: hij is maar 21 jaar oud, wanneer hij afstudeert als doctor in de theologie. Een universitaire carrière lijkt vanzelfsprekend.

Wars als men in zijn milieu was van grote woorden, weten we niet goed wat Dietrich naar de theologie dreef. Als kind al was hij bezig met God, bidden, de dood. Hij is 12 wanneer een broer sneuvelt nabij Ieper, een heel zware slag voor het gezin. In de humaniora, hij is dan 15, studeert hij Hebreeuws als keuzevak. Zoals zo vaak was ook bij hem ‘roeping’ ­ maar van kerkelijke dienst was nog geen sprake – een intuïtie die gaandeweg bevestiging kreeg. Als student herkent hij met vreugde in de toen als een komeet oprijzende theoloog Karl Barth, een aparte passie van de theologie: God eerst. Neen, theologie is niét geschiedenis, géén tekstkritiek, géén filosofie – hoe goed Dietrich in die dingen ook is. Het tekent zijn openheid en zelfstandigheid dat hij, nog zo jong, op een Romereis afstand weet te nemen van het anti-rooms protestants gevoel en in Rome méér weet te zien dan oude cultuur. Hij voelt hier voor de eerste keer, erkent hij, wat kérk is, gemeenschap, erbij horen. Want de jonge theoloog is nog altijd een individuele universitair met als thuisbasis zijn eigen familie- en relatiekring. Hij besluit voorlopig de academische carrière te laten staan, te gaan aankloppen bij het district van zijn lutheraanse regionale kerk en voor één jaar als stagiaire-pastor te vertrekken naar de Duitse ‘kolonie’ in Barcelona.

Terug in Duitsland is het weer de universiteit die het haalt: assistent, professoraatsthesis, toch ook de kerkelijke dominee-examens, waarna hij voor een schooljaar vertrekt naar het fameuze Union Theological Seminary in New York. Daar ontluikt zijn oecumenische roeping. Maar vrienden merken op dat hij niet eens trouw naar gebedsdiensten gaat. In augustus ’31 wordt hij docent in Berlijn. Studenten komen graag les volgen bij hem, niet alleen om het fenomeen van een 25-jarige docent mee te maken.

De theoloog wordt christen

Bonhoeffer leeft snel en intensief, op vele fronten tegelijk, maar doorheen alles wordt een diepe ernst voelbaar: hij heeft een nieuwe thuis gevonden, de zaak van God die zijn Woord heeft gesproken in Jezus. Hij gaat ook tijd maken voor confirmatie- of vormselonderricht in een sociale wijk in Berlijn. Hij heeft het in de vingers om jongeren te boeien en te doen open bloeien. Hij huurt op het platteland een barak voor hen. De internationale oecumenische beweging verkiest hem tot één van haar secretarissen. Thema’s zijn daar werkloosheid, vrede, het Duitse vraagstuk. En Bonhoeffer bevreemdt zijn angelsaksische vrienden omdat hij ook in dié kwesties theologisch blijft doorvragen. Al is theologie voor hem nooit een doel op zichzelf: het gaat om God, het gaat om de wereld.

Wanneer heel Duitsland – ook de meeste kerkleiders – in 1933 juicht om het aantreden van Hitler, reageert Dietrich, vanuit zijn uitstekend geïnformeerde kring van familie en vrienden, doodnuchter: dat wordt oorlog. Eerst kerk-oorlog. Met de regionale lutheraanse kerken doet het nazisme als met de deelstaten, politieke partijen, sociale bewegingen en organisaties: ‘gelijkschakelen’. (Voor de katholieke kerk gebeurt dat in de vorm van een concordaat.) ‘Duitse christenen’ noemen zich de protestanten die Hitler begroeten als een heiland. Zij identificeren naïef kerk en nationalisme. Dietrich en gelijkgezinden reageren trefzeker. De meeste gevechten in synoden en kerkvergaderingen verliezen ze, zodat ze uitwijken in een half ondergrondse Bekennende Kirche, de ‘belijdende kerk’. Opvallend is dat Dietrich, als één van de weinigen, reeds in dat heel vroege stadium de joden­kwestie als een breekpunt ziet. Twee jaar pastoraat in Londen, van 1933 tot 1935, geeft hem de kans om de buitenwereld goed te informeren en voor later nuttige contacten te leggen, zijn oecumenisch werk voort te zetten en de groeiende stroom van Duitse politieke vluchtelingen te helpen. Van dan af leidt Dietrich een zwerversbestaan, met talloze reizen terug naar Berlijn – omwille van de kerkstrijd ­ maar ook naar Genève, Scandinavië, enz. De kerkstrijd wordt ook internationaal: wie vertegenwoordigt op internationale bijeenkomsten voortaan de Duitse kerken, de collaborateurs of de belijdende kerk? Het antwoord op die vraag is vaak ontgoochelend.

Dietrich, die zelf alles had gedaan om het saaie kerkelijk seminarie te ontlopen, wordt in 1935 ver weg in Pommeren, nu Polen, directeur van een alternatief seminarie, waar kandidaat-pastores na hun universitaire theologie een jaar praktische opleiding krijgen. Hier gaat hij voor een protestant nieuwe wegen: bijbelmeditatie die niet wakker ligt van wetenschappelijke exegese, persoonlijk stil gebed, gemeenschapsleven. Die ‘monnikenaanpak’ krijgt kritiek, maar van vrome wereldvlucht is hier geen sprake. Zijn critici zijn het die compromissen sluiten met het regime. Hijzelf en zijn ‘seminaristen’ vormen de harde kern van de belijdende kerk. Hier ook valt dat bekende woord van hem: ‘Alleen wie voor de joden opkomt, mag ook gregoriaans zingen’. Van dan af is Bonhoeffers naam in kerkelijke kringen alom bekend. Hij is nog geen dertig wanneer hij een programma en een symbool is geworden.

Het regime en zijn kerkelijke knechten weten in 1935 de clandestiene vormingscentra van de belijdende kerk te doen verbieden. Toch gaan de vormingscyclussen een tijdlang verder, door stagiaire-pastores bijeen te brengen in een grote pastorie. Een keur van jonge afgestudeerde theologen blijven zich melden voor dit risicovol bestaan, zonder uitzicht op een aanstelling, omdat zij intuïtief aanvoelen dat de hakenkruisvlag naast het altaar niet kàn. En Dietrich zelf blijft, temidden van dit onmogelijk druk en spannend bestaan, theologisch actief. Een vrij uurtje tussendoor is voor hem de gelegenheid om verder te schrijven aan boeken zoals Navolging en Theologische ethiek, wat hem niet weerhoudt van grote wandelingen en gezelschapsspelen met zijn studenten.

Lotgenoot

Zoals hij in 1933 naar Londen ging, vertrekt hij in ’39 naar New York. Maar na een zware gewetensstrijd meent hij te moeten terugkeren naar zijn land, uit solidariteit, om ten einde toe de weg te gaan van zijn volk. Bij hem groeit de overtuiging dat hij desnoods ook het regime zelf moet bestrijden. Die strijd heeft hij als ingewijde – wat op zichzelf al een groot gevaar was – sinds ’38 kunnen volgen. Over de opeenvolgende samenzweringen van de legerleiding om Hitler aan de dijk te zetten, samenzweringen die telkens mislukken door de onverwachte militaire en politieke successen van de dictator, weet hij alles van zijn broer Klaus en vooral zijn schoonbroer Hans von Dohnanyi, die als hoge regeringsambtenaren mee in het complot zitten. Dietrich is ook de gewetenstoevlucht voor deze hoogstaande mensen, die in de knoei zitten met hun eed van trouw aan het staatshoofd. Een kern van het verzet is de top van de militaire geheime dienst, één van de zeer weinige machtscentra die tot in ’44 niet in handen waren van de nazi’s. Officieel gaat Bonhoeffer nu werken als koerier met ‘nuttige internationale contacten’, nl. zijn oecumenische relaties. Daaronder is de invloedrijke anglicaanse bisschop Bell, die toegang heeft tot de Britse regering. In feite stelt hij deze contacten ten dienste van de samenzwering tegen Hitler, niet van de militaire spionage. Dat werk behoedt Bonhoeffer tevens voor mobilisatie.

Zijn taak is veelvoudig: de buitenwereld – de oorlogsvijand! – laten weten dat in Duitsland plannen bestaan om Hitler omver te werpen, aan het buitenland vragen welke z’n houding in dat geval zou zijn tegenover de Duitse staat en het Duitse volk, onder welke voorwaarden over vrede zou kunnen gesproken worden, aan het buitenland telkens weer uitleggen waarom de opeenvolgende pogingen tot staatsgreep niet doorgaan of mislukken, en ten laatste: het Duitse thuisfront van samenzweerders, vooral enkele twijfelende generaals, door betrouwbare boodschappen uit het vijandelijk kamp, overhalen tot actie. Bonhoeffer leidt nu een dubbel, zoniet driedubbel bestaan. Hij werkt nog halftijds voor de belijdende kerk en preekt waar hij kan en mag, want hij is al enkele keren in aanvaring gekomen met de Gestapo. Hij woont overal uitgenomen op zijn officieel adres. Zo verblijft hij o.m. regelmatig in de benedictijnenabdij van Ettal, waar later pater Mayer een verplichte verblijfplaats toegewezen krijgt (zie Het Teken van april ’94) en waar hij het katholiek verzet tegen Hitler leert kennen. En hij blijft nadenken en schrijven over wat hij doet, want het gaat tenslotte om landverraad.

In 1942 wordt Dietrich verliefd op de 18-jarige Maria von Wedemeyer, een voor beide zijden delicaat gebeuren wegens het leeftijdsverschil. Er zijn aanwijzingen dat hij rond ’35, omwille van het werk, zo’n relatie in zijn leven niet toegelaten had. Begin ’43 verloven ze zich, met het voornemen om elkaar wederzijds veel tijd te gunnen. Maria’s vader is net gesneuveld aan het oostfront. Hun verloofdentijd zal uiteindelijk niet meer zijn dan een dikke brievenbundel – ‘innig, smartelijk, haast niet te lezen, nu nog, een halve eeuw later’, schrijft een recensent over het in ’94 verschenen boek – want op 5 april 1943 wordt Dietrich gearresteerd. De aanleiding is een relatief kleine fout in het raderwerk van de militaire geheime dienst. Meer dan een jaar lang slaagt men er niet in Dietrich en diens schoonbroer op een echte overtreding te betrappen en te doen veroordelen voor landverraad. Van dat bijna anderhalf jaar denken en bidden binnen een min of meer normaal gevangenisregime, biedt de overbekende bundel Verzet en Overgave een neerslag. ‘Ik heb hier vaak zitten nadenken over waar de grens ligt tussen het noodzakelijk verzet tegen het ‘noodlot’ en de even zo noodzakelijke overgave’, schrijft hij. En zijn bedenkingen over ‘de niet-religieuze’ interpretatie van bijbelse begrippen in een mondig geworden wereld’ zullen in de jaren ’60 door menig theoloog op veel verschillende manieren verder doordacht en uitgewerkt worden. Maar nooit zullen die latere studies, gissingen soms, over deze korte, aangrijpende teksten de dramatische echtheid van Bonhoeffers leven bereiken.

Met God over de muur

Want de mislukte aanslag op Hitler, op 20 juli’ 44, leidt niet alleen tot de ontmanteling van de militaire geheime dienst – die mee achter de aanslag zat – maar ook naar de ontdekking van de wàre rol die Bonhoeffer sinds oktober’ 40 speelde. Hij wordt overgeplaatst naar een cel in de Gestapo-kelder, later naar Buchenwald getransporteerd, nog later naar Flossenburg waar hij op persoonlijk bevel van Hitler wordt opgehangen, samen met topfiguren als admiraal Canaris. Al de gevangenismaanden door is Dietrich voor zijn medegevangenen én zijn cipiers een toevlucht, een voorbeeld, een morele en religieuze kracht. Net voor hij de galg opstapte knielde hij nog neer en zijn stil bidden was zo aangrijpend, dat allen die het meemaakten, ook zijn beulen, er onder de indruk van waren. Hij zei: ‘Dat is het einde – voor mij het begin van het leven’. Al in ’43 had hij in zijn cel geschreven: ‘In geloof kan ik alles verdragen, ook een veroordeling, ook de andere gevreesde gevolgen’ – versta: de dood. Dat was toen zijn commentaar bij psalm 18,30: ‘Ja, met u bestorm ik een bolwerk, met mijn God spring ik over een wal’.

In enkele dagen tijd verliezen vader en moeder Bonhoeffer in april’ 45 door executie twee zoons, Klaus en Dietrich, en twee schoonzoons. Vader Bonhoeffer schreef na de oorlog naar een naar Amerika gevluchte collega: ‘U weet intussen dat wij veel erge dingen hebben meegemaakt en twee zoons en twee schoonzoons door de Gestapo hebben verloren. (…) Maar omdat wij het allen eens waren over de noodzaak om te handelen en zij wisten wat hen te wachten stond als het complot mislukte, zijn wij bedroefd maar ook fier op hun rechtlijnige houding. Wij hebben van beide zonen mooie gevangenisherinneringen… ‘De Bonhoeffers hebben mee de eer van Duitsland en van de lutheraanse kerk gered. En dank zij Dietrich, dank zij zijn weg van theoloog naar christen, en van christen naar lot- en tijdgenoot, is christen zijn en het denken daarover definitief anders geworden. Hij is één van de hele groten van onze eeuw. Laten we daar op 9 april om danken.

Geert DELBEKE

bron: Het Teken, 67e jaargang, nr. 9, April 1995

Nu het leven nieuw wordt om ons heen …

Claude Monet – Le jardin japonais à Giverny
Wenn ich ein Kind sehe, das einen Hund mit überwältigtet Freude wahrnimmt, dann befrage ich das Leben nicht mehr. Ich tauche ein ins Staunen. Ich höre das Singen des Kindes, ich sehe am klaren Frühlingshimmel einen Zug Kraniche nach Norden fliegen; all das gehört zur Askese im Sinne des Ich-los-Werdens. Die Dinge selber haben einen Gesang und eine Sprache, sie weisen über sich hinaus und loben Gott in seinen versteckten Namen. Das ichlos gewordene Ich sieht im Staunen, dass im Leben ein Stück Güte liegt. Schönheit heilt und Schönheit macht fromm. Und um sie wahrzunehmen, muss ich das Ego fortschicken, muss ich mit Claude Monets Augen zu sehen lernen.

Als ik een kind zie dat met opperste vreugde naar een hond kijkt, dan stel ik geen vragen meer aan het leven. Ik dompel me onder in het verwonderen. Ik hoor het zingen van het kind, ik zie aan de heldere hemel een vlucht kraanvogels naar het noorden vliegen. De dingen zelf hebben een gezang en een taal, ze wijzen boven zichzelf uit en loven God in zijn verborgen namen. Het ik-loos geworden ik ziet in het verwonderen, dat in het leven veel goedheid besloten ligt. Schoonheid heelt en schoonheid maakt vroom. En om ze te kunnen zien moet ik het ego wegzenden, moet ik met Claude Monets ogen leren kijken.

uit: Dorothee Sölle: Mystik und Widerstand, Kreuz Verlag, 2014

Van alle dingen waarover het geloof of de geloofsbelijdenis spreekt, is voor mij de gemeenschap van de heiligen het belangrijkst. Dat betekent niet dat ik die altijd zie. Dat geldt evenzeer voor andere zaken uit de geloofsbelijdenis. Die zijn niet zomaar aanwezig, ik heb geloof nodig om ze te zien.

Het is een centrale ervaring om met elkaar te leren bidden omdat je ergens voor hebt leren strijden. Ik kan niet beloven dat het gauw beter gaat met de aarde of dat de honger ophoudt. Juist daarom heb ik broeders en zusters nodig, heb ik troost in de nederlagen nodig.

Ik heb ook de traditie nodig omdat die mij verhalen vertelt over bevrijding, omdat het van belang is dat je je kunt beroepen op zoiets als dat al eens een verlamde is gaan dansen, of dat al eens een volk uit de verschrikkelijke consumptie -terreur van Egypte is weggetrokken, dit Egypte achter zich heeft gelaten. Ik herinner mezelf aan dat wat er was voor mijn, voor onze toekomst. Ik heb de hoop (cursief, BK) nodig die groeit uit deze vorm van herinnering. Er is al eens iemand uit de doden opgestaan.

uit: Dorothee Sölle: Wie zich niet weert: gesprekken en toespraken, ten Have/Baarn, 1981

%d bloggers liken dit: