“Poëzie maakt samenleving warmer; koudheid bestuur staat daar haaks op”- Antwerpse stadsdichters

Over de kritiek die al een paar maanden terecht woedt rond de weigering van Ruth Lasters’ gedicht LOSGELD.

Een stadsgedicht kan geen politiek manifest zijn.’ Met die kolderieke stelling cancelde de Antwerpse cultuurschepen Nabilla Ait Daoud een gedicht van Ruth Lasters, een stadsdichter die ze zelf had benoemd. Het ging om een lekker fel vers, over en door jongeren. Over heel ons onderwijs eigenlijk, en zijn ingebakken brandmerking van leerlingen met een B-statuut. – Tom Lanoye in Humo – 12/09/22

Hart boven Hard en EPO Uitgeverij steunen de boodschap van ‘Losgeld’, het gedicht dat Ruth Lasters samen met de leerlingen van de Spectrumschool schreef om de discriminatie van niet-ASO-leerlingen aan te kaarten.

bron: Ruth Lasters/fb

Het gedicht werd geweigerd als stadsdichter gedicht door het Antwerpse bestuur. Wij vinden dat gedichten met maatschappijvisie wél een plek verdienen in de openbare ruimte, aldus Sara Eelen, Hart boven Hard en EPO

Nadat Ruth Lasters zich terugtrok als één van de vijf stadsdichters van Antwerpen (1/09/2022) volgde nu ook het ontslag van de vier anderen:

Stadsdichters Antwerpen nemen collectief ontslag: “Poëzie maakt samenleving warmer; koudheid bestuur staat daar haaks op” – VRTNWS – 5/11/2022

vlnr: Cleo Klapholz en Yves Kibi Puati Nelen (Proza-K), Ruth Lasters, Lotte Dodion, Lies Van Gasse en Yannick Dangre – foto: Dries Luyten

Luc Sels en Lieven Boeve over onderwijscrisis: ‘Bindende toelatingsexamens mogen geen taboe meer zijn’ – Knack

Als baas van Katholiek Onderwijs Vlaanderen en rector van de KU Leuven zagen Lieven Boeve en Luc Sels de onderwijscrisis van mijlenver aankomen. Een politiek falen? Slechts ten dele. ‘De onderwijskoepels zeggen de hele tijd wat de overheid moet doen. Maar negen van de tien maatregelen kunnen ze perfect zelf uitvoeren.’

Op de kast achter het bureau van Lieven Boeve staat een opvallend mooi Mariabeeld. Het is de sedes sapientiae, de zetel der wijsheid, uit het logo van de KU Leuven. ‘Dat heb ik gekregen toen ik afscheid nam als decaan om directeur-generaal van het Katholiek Onderwijs Vlaanderen te worden. Ze waren waarschijnlijk bang dat ik de universiteit anders zou vergeten’, lacht Boeve. ‘Alsof dat zou kunnen’, antwoordt Luc Sels. De rector van de KU Leuven is afgezakt naar de Guimardstraat, het hoofdkwartier van het Katholiek Onderwijs Vlaanderen, om het in de aanloop naar het nieuwe schooljaar over de vele beproevingen van het onderwijs te hebben.

Sels en Boeve kennen elkaar al lang. Ooit waren ze allebei decaan aan de Leuvense universiteit. Boeve van de faculteit theologie, arbeidsmarktspecialist Sels van de faculteit economie. ‘Van bij het begin konden we het heel goed met elkaar vinden’, vertelt Sels. ‘Over interne bestuurskwesties van de universiteit zaten we meestal op dezelfde lijn. We schieten nog altijd heel goed op, maar we hebben nu eerder “een samenwerking op armlengte”. Ik hecht veel belang aan de relatieve autonomie van de verschillende onderwijsnetten en -niveaus. Daarom meng ik me ook zo min mogelijk in de interne keuken van het Katholiek Onderwijs. Al wisselen Lieven en ik daarover natuurlijk wel van gedachten als we elkaar tegenkomen.’ En dat gebeurt best vaak. Zeker nu er de hele tijd moeilijkheden opduiken die zowel het leerplicht- als het hoger onderwijs aangaan. Zoals de grote uitdagingen van de lerarenopleiding en het steeds nijpendere tekort aan leerkrachten.

Ik heb geen enkel bewijs dat het niveau van onze eerstejaarsstudenten gedaald zou zijn.Luc Sels, rector KU Leuven

Net voor het begin van het nieuwe schooljaar moeten veel directies nog in allerijl op zoek naar leerkrachten. Hoe komt het dat er nu nog vacatures bijkomen?l

Lieven Boeve: Doordat er zo veel vacatures zijn, kunnen leerkrachten vaak kiezen waar en wanneer ze willen lesgeven. Het gevolg is dat ze nu ook beginnen te jobhoppen. Sommigen zeggen hun directie plots de wacht aan omdat ze, bijvoorbeeld, de kans krijgen om dichter bij huis te werken. Er zijn zelfs mensen die ontslag nemen uit een vaste benoeming om in een andere school aan de slag te gaan – wat tot voor kort haast nooit gebeurde. Zelfs nu, in de laatste dagen voor het nieuwe schooljaar, haken er nog mensen af. Dat is op dit moment misschien wel het grootste probleem voor onze directies: ze zijn niet zeker dat al hun leerkrachten er op 1 september zullen zijn.

Luc Sels: Het lerarentekort is een heel ernstig probleem. Uit de internationale PISA-studie blijkt dat scholen die ermee worden geconfronteerd lager scoren in wiskundige en wetenschappelijke geletterdheid en leesvaardigheid.

Boeve: Dat is natuurlijk dramatisch voor de kwaliteit van ons onderwijs.

Sels: Zeker. Toch vind ik het een slechte zaak dat we de hele tijd op dat lerarentekort focussen. De indruk dat het allemaal kommer en kwel is, komt het imago van het onderwijs echt niet ten goede. Potentiële leerkrachten worden er eerder door afgeschrikt dan aangetrokken. We mogen ook niet uit het oog verliezen dat het lerarentekort een gevolg is van de krapte op de hele arbeidsmarkt. Het onderwijs is niet eens de zwaarst getroffen sector. De ICT, de zakelijke dienstverlening en de horeca delen nog veel meer in de klappen. Alleen valt het daar minder op als vacatures niet ingevuld raken. Als er geen bekwame leerkracht voor de klas staat, dan merkt iedereen dat meteen. Ik ben ervan overtuigd dat het lerarentekort vanzelf zal inkrimpen zodra de arbeidsmarkt weer ontspant.

We krijgen een ander beeld als we het onderwijs met andere sectoren vergelijken?

Sels: Natuurlijk. Een derde van de startende leerkrachten stapt al na vijf jaar weer uit het onderwijs. Tel daar de mensen bij die een lerarenopleiding hebben gevolgd maar meteen daarna voor een andere sector kiezen en je kunt stellen dat na vijf jaar maar de helft van de professionele bachelors (afgestuurd aan een hogeschool, nvdr) en een vijfde van de mensen met een educatieve master (afgestudeerd aan een universiteit, met een lerarenopleiding, nvdr) in het onderwijs aan de slag is. Daar wordt dan geregeld alarm over geslagen, maar in andere sectoren is dat echt niet anders. In de eerste vijf, zes jaar van een loopbaan komt jobhoppen nu eenmaal veel voor.

Typisch voor het onderwijs is wel dat weinig mensen aan het begin van hun loopbaan van een andere sector naar het onderwijs overstappen. Dat gebeurt doorgaans pas later. Handelsingenieurs met een educatieve master beginnen hun carrière ook zelden in het onderwijs. Ze hebben keuze zat en ze krijgen in andere sectoren vaak een hoger startloon. Maar die handelsingenieur heeft vaak wel de ambitie – of toch de interesse – om later les te geven. We moeten ervoor zorgen dat we ze vasthouden voor de langere termijn.

Boeve: Dat is net waarom we willen dat zij-instromers tot twintig jaar anciënniteit vanuit een andere sector naar het onderwijs kunnen meebrengen. Met de tien jaar anciënniteit die vandaag in rekening mag worden gebracht, kunnen we wel dertigers aantrekken, maar geen veertigers en zeker geen vijftigers. Het is belangrijk dat het onderwijs op dat vlak meer marktconform wordt. In andere sectoren is anciënniteit ook een belangrijke factor bij loononderhandelingen.

Luc Sels: ‘Ik wilde dat ik in de lagere school het onderwijs had gekregen dat mijn kinderen vandaag genieten.’
Luc Sels: ‘Ik wilde dat ik in de lagere school het onderwijs had gekregen dat mijn kinderen vandaag genieten.’ © DEBBY TERMONIA

Zou het in tijden van lerarentekort ook geen goed idee zijn dat alle scholen van het Katholiek Onderwijs leerkrachten toelaten om een hoofddoek te dragen?

Boeve: In een katholieke dialoogschool zou een lerares met een hoofddoek geen probleem mogen zijn. Er zijn ook al een aantal katholieke scholen waar vrouwen met een hoofddoek welkom zijn. Sommige van onze congregaties zijn zich er maar al te goed van bewust dat ze ooit door mensen met een hoofddoek zijn opgericht. Andere schoolbesturen wachten nog af. Daar heb ik ook begrip voor. Kinderen en jongeren zijn nu eenmaal gevoelig voor sociale druk. Niet alleen wat een hoofddoek betreft, maar voor alles wat met kleding te maken heeft. In een opvoedingscontext moet je ook daar rekening mee houden.

U, als baas, zou kunnen zeggen: ‘Leerkrachten met een hoofddoek moeten op elke katholieke school welkom zijn.’

Boeve: Ik ben niet de baas van al die scholen. Het zijn de schoolbesturen die daarover beslissen. Wel steun ik elke school die hoofddoeken toelaat. Ik merk dat het onderwerp steeds meer bespreekbaar wordt en dat meningen aan het verschuiven zijn. Daar ben ik heel blij om.

Sels: Het zou toch mooi zijn als Katholiek Onderwijs Vlaanderen een krachtiger signaal zou geven. Eigen aan de katholieke achtergrond van de KU Leuven is dat je vrij je eigen religie kunt beleven zolang het met respect en in dialoog met andere religies gebeurt. De hoofddoek is dus geen punt. Bij de traditionele eucharistieviering aan het begin van het nieuwe academiejaar zal het altaar ook weer door verschillende religies worden gedeeld.

Ondertussen zetten heel wat scholen leerkrachten in die niet het juiste diploma hebben. Moeten we ons daar zorgen over maken?

Boeve: Het komt geregeld voor dat iemand die niet over de juiste vakbekwaamheid beschikt zich met veel enthousiasme aanmeldt voor een job die anders niet ingevuld raakt. Ik vind dat zulke mensen de kans moeten krijgen om te beginnen terwijl ze ondertussen een aantal didactische vakken volgen aan een universiteit of hogeschool.

Sels: Vandaag verdienen mensen die de juiste vakbekwaamheid nog niet hebben minder dan andere leerkrachten. Dat is geen goede zaak. Toen Shell in 2019 honderden banen schrapte in Nederland, werd meteen een traject uitgetekend om boventallig personeel, meestal sterke technische profielen, naar het onderwijs te leiden. Die mensen konden heel snel op een school aan de slag en kregen er het normale startloon voor iemand met hun anciënniteit. Ondertussen volgen ze ook een educatieve opleiding zodat ze na drie jaar lesgeven de vereiste vakbekwaamheid hebben. Een heel sterk model vind ik dat.

Boeve: Daarbij is het natuurlijk ook belangrijk dat er verkorte opleidingstrajecten worden opgezet zodat het doenbaar is om tezelfdertijd les te geven en te studeren.

Sels: Dat is zo. Vandaag lijkt onze opleiding voor een zij-instromer met twintig jaar ervaring in een andere sector nog te veel op die voor een twintigjarige student zonder enige werkervaring. Om meer mensen uit andere sectoren aan te trekken, is overal in het onderwijs een grotere flexibiliteit en meer maatwerk nodig. Zo zie ik ook veel potentieel in hybride loopbanen. Veel professionals zouden best een paar uur per week in het onderwijs willen staan, maar dan wel in combinatie met een job in een andere sector. Nu wordt dat heel erg bemoeilijkt en daardoor missen we een groot potentieel.

Een lerares met een hoofddoek zou geen probleem mogen zijn. Sommige van onze congregaties beseffen maar al te goed dat ze ooit door mensen met een hoofddoek zijn opgericht.Lieven Boeve, directeur-generaal Katholiek Onderwijs Vlaanderen

Er zijn andere spelregels nodig?

Boeve: Het regelgevende huis van het onderwijs is gewoon uitgewoond – van de schoolorganisatie en de financiering tot de lerarenloopbaan. In de loop der jaren zijn er zo veel koterijen bijgebouwd dat niemand er nog wijs uit raakt. Ik denk dat er in heel Vlaanderen maar vijf mensen rondlopen die écht weten hoe alles in elkaar zit. Door de regels die de overheid oplegt, wordt een modern personeelsbeleid in scholen dat de vergelijking met andere sectoren kan doorstaan zo goed als onmogelijk.

Daarom hebben we echt een soort New Deal nodig. In juli hebben de onderwijsverstrekkers aan Vlaams minister van Onderwijs Ben Weyts (N-VA) gevraagd dat er sociale onderhandelingen kunnen komen over de schoolorganisatie en de manier waarop we leerkrachten inzetten. Eigenlijk zouden we van een wit blad moeten kunnen beginnen. Wat zijn de onderliggende principes? Hoe brengen we die het best in de praktijk? Het zal natuurlijk niet lukken om helemaal van nul te vertrekken – dat besef ik ook wel – maar we moeten toch proberen zo veel mogelijk naar de basis terug te keren.

Sels: In de jaren negentig heb ik onderzoek gedaan naar taak- en functiedifferentiatie in het onderwijs. De suggesties die we toen formuleerden, hoor ik nu nog altijd terugkomen. Goed 25 jaar later is daar dus bitter weinig van in de praktijk gebracht.

Boeve: Dat is net mijn frustratie! Veel van de voorstellen die we nu naar voren schuiven, stonden al in het memorandum dat we in 2019 hebben opgesteld. We zijn daar toen mee naar de regeringsonderhandelingen getrokken, maar in het Vlaamse regeerakkoord is er niets van terug te vinden. Toen kampten we nog niet met zo’n groot lerarentekort en dus lag niemand wakker van de organisatie van het onderwijs. Politici zijn de urgentie pas beginnen inzien toen het huis al in brand stond.

Sels: Nu moet ik toch even streng voor je zijn, Lieven. Alle onderwijskoepels zeggen de hele tijd welke initiatieven de overheid zou moeten nemen. Maar negen van de tien maatregelen die jullie voorstellen, kunnen jullie perfect zelf in de praktijk brengen. Onlangs nog pleitte Koen Pelleriaux van het GO! gemeenschapsonderwijs voor de mogelijkheid om in het secundair onderwijs aan grotere klasgroepen les te geven. Zo zou er meer tijd vrijkomen om leerlingen die dat nodig hebben in kleine groepjes bij te staan. Nu vind ik dat helemaal geen verstandig voorstel, maar als hij er echt in gelooft, zouden ze daar in het gemeenschapsonderwijs morgen al mee kunnen beginnen. Daar hoef je echt geen decreet voor aan te passen. De koepels en de scholen dragen zelf ook verantwoordelijkheid.

Boeve: Ik neem je kritiek zeker ernstig. Het ís zo dat er meer zou kunnen gebeuren. Maar we hebben wel al vaak initiatieven genomen – bestuurlijke schaalvergroting, bijvoorbeeld – die binnen de kortste keren om politieke redenen werden getorpedeerd. Dat is toch wel een probleem.

Lieven Boeve: ‘Er zijn in heel Vlaanderen misschien vijf mensen die écht weten hoe het onderwijs in elkaar zit.’
Lieven Boeve: ‘Er zijn in heel Vlaanderen misschien vijf mensen die écht weten hoe het onderwijs in elkaar zit.’ © DEBBY TERMONIA

Onlangs hebt u dan weer de plannen van de overheid getorpedeerd. Eerst vernietigde het Grondwettelijk Hof de eindtermen voor de tweede en derde graad van het secundair onderwijs nadat Katholiek Onderwijs Vlaanderen die had aangevochten. En nu wilt u ook van de eindtermen voor de eerste graad af.

Boeve: Dat is echt geen nieuwe stap in onze strijd voor vrijheid van onderwijs. Ze hebben ons simpelweg geen andere keuze gelaten. In de eerste graad zijn de nieuwe eindtermen nu al drie jaar van kracht. Wij hebben ze vertaald in leerplannen die door de leerkrachten van het Katholiek Onderwijs worden gebruikt. Maar onlangs hebben we de boodschap gekregen dat die leerplannen volgend jaar niet meer worden goedgekeurd omdat ze niet genoeg op de eindtermen afgestemd zouden zijn. Als we nu alternatieve eindtermen indienen is dat dus om ervoor te zorgen dat onze leerkrachten met dezelfde leerplannen kunnen blijven werken en hun voorbereiding en materiaal kunnen behouden. Wat is het alternatief? Dat die leerplannen in mei worden vernietigd en er aan het begin van volgend schooljaar chaos heerst in alle katholieke scholen, die nog altijd 70 procent van het Vlaamse onderwijs uitmaken?

Sels: Ik sta erbij, ik kijk ernaar en ik slaak een diepe zucht. Ik begrijp de logica wel, maar die heisa over de eindtermen in de eerste graad is wel het laatste wat we nu nodig hebben. Al dat gekissebis komt het imago van het onderwijs echt niet ten goede. De eindtermen voor de eerste graad zijn onder minister Hilde Crevits (CD&V) door iedereen goedgekeurd. Ook door Katholiek Onderwijs Vlaanderen. Dat daar nu op wordt teruggekomen, vind ik droevig. Ik zeg niet dat jullie een in- schattingsfout maken. Want de onderwijsinspectie had zich tijdelijk wat soepeler kunnen opstellen. Zo hadden jullie tijd kunnen kopen en konden leerkrachten de huidige leerplannen blijven gebruiken tot de discussie over de eindtermen in de tweede en derde graad zijn afgerond. Hoe dan ook heb ik maar één boodschap voor alle onderwijsspelers, van het beleid tot de koepels en de inspectie: get your act together.

Boeve: Ik vind die hele situatie ook intriest. Na de uitspraak van het Grondwettelijk Hof over de eindtermen voor de tweede en derde graad heb ik de inspecteur-generaal van de onderwijsinspectie gevraagd of de inspectiedaar rekening mee zou houden bij het beoordelen van onze leerplannen voor de eerste graad. Tevergeefs. Dus hebben we voor de veiligste weg gekozen en laten we ons nu juridisch ondersteunen. Door de KU Leuven trouwens.

Sels: Door professoren van de KU Leuven! (lacht)

De eindtermen in het secundair onderwijs hebben ook impact op de instroom in de universiteiten en hogescholen. Hoe is het met het gesteld met het niveau van de eerstejaarsstudenten?

Sels: Ik heb geen enkel bewijs dat het niveau van de studenten gedaald zou zijn, al zal een achteruitgang in de PISA-resultaten zich ongetwijfeld ook bij ons laten voelen. De slaagcijfers in onze bacheloropleidingen verschillen ook niet zoveel van die van dertig jaar geleden. De problemen waar wij aan de universiteit mee te maken krijgen, hebben eerder met mismatchen te maken. Te veel jonge mensen kiezen na het secundair onderwijs voor een studie die onvoldoende bij hun capaciteiten aansluit. Op zich is het prachtig dat iedereen om het even wat kan studeren. Maar als we op basis van iemands voortraject weten dat hij of zij in een bepaalde opleiding nauwelijks kans van slagen heeft, lijkt het me legitiem om die keuze wat meer te sturen.

Op zich geloof ik wel dat iedereen recht heeft op zijn mislukking, maar het totale volume aan verloren jaren wordt zo wel erg groot en dat kost de samenleving veel geld. In sommige opleidingen in de menswetenschappen slaagt vandaag maar 6 tot 10 procent van de eerstejaars meteen voor alle vakken. In mijn domein, de economie en bedrijfswetenschappen, is dat 9 procent. Nu al hebben we aan de KU Leuven de regel ingevoerd dat studenten die in het eerste jaar geen 30 procent van hun studiepunten hebben verworven het jaar niet mogen overdoen. We weten namelijk dat wie onder die grens blijft, ongeveer nul procent kans heeft om ooit zijn diploma te behalen. In sommige opleidingen geldt dat voor 40 procent van de eerstejaars. Door die studenten wat vroeger richting te geven, hadden we hen die mislukking kunnen besparen.

Hoe wilt u de studiekeuze van jonge mensen dan sturen?

Sels: Op dit moment worden er gestandaardiseerde proeven uitgewerkt die de leerlingen van alle Vlaamse scholen, over alle koepels en netten heen, zullen moeten afleggen. Daarop zouden wij dan onze systemen voor toegang tot het hoger onderwijs kunnen bouwen.

Boeve: Op zich ben ik niet tegen gestandaardiseerde proeven. Binnen Katholiek Onderwijs Vlaanderen hebben we zelf al zo’n systeem: de interdiocesane proeven. Alleen gebruiken we die louter om de kwaliteit van de scholen te meten. Er worden geen stringente gevolgen aan gekoppeld voor de leerlingen zelf. Ik zie niet in waarom er één systeem voor de scholen van alle netten moet komen. Bovendien vind ik het geen goed idee om de resultaten ervan te gebruiken om jonge mensen in hun studiekeuze te beperken. Hoe meer directe gevolgen je aan toetsresultaten geeft, hoe meer de resultaten worden scheefgetrokken, dat leren we van ons omringende landen. Uit onderzoek blijkt dat klassenraden doorgaans wel heel betrouwbaar studieadvies geven. Die raden bestaan dan ook uit leraren die de leerling langere tijd hebben opgevolgd.

Sels: Ik ontken niet dat het oordeel van de klassenraad erg belangrijk is, maar ook dat oordeel zou mee gevoed kunnen worden door de resultaten van gestandaardiseerde proeven. Als én de klassenraad ontraadt, én de resultaten van de gestandaardiseerde proef tegenvallen, én ook de ijkingstoets niet goed was, dan zou een leerling nog veel krachtiger de boodschap moeten krijgen: ‘Het spijt ons, maar met al deze informatie is het een slecht idee om, bijvoorbeeld, aan een opleiding tot burgerlijk ingenieur te beginnen.’ Dat is een gewaagde uitspraak – dat besef ik – maar we moeten volgens mij echt naar een dergelijk systeem evolueren.

Boeve: Nu al gebeurt het geregeld dat een klassenraad een leerling afraadt om aan een bepaalde studie te beginnen. Het enige minpunt is dat scholieren en hun ouders dat advies perfect naast zich neer kunnen leggen. De vraag is dan: zijn we bereid om op de vrije keuze van onderwijs in te boeten omdat een aantal mensen daar misbruik van maakt?

Sels: Voor een aantal opleidingen aan de universiteit mogen bindende toelatingsexamens geen taboe zijn. We hebben die nu al voor geneeskunde. Naargelang we over meer informatie beschikken en over valide toetsen, moeten we dat ook voor andere opleidingen durven te bespreken.

Deze week begint het nieuwe schooljaar. Wordt het even woelig als het vorige?

Sels: We moeten echt ophouden met zo veel nadruk te leggen op de problemen in ons onderwijs. Er gebeuren ook heel veel mooie dingen. Ik heb zelf nog jonge kinderen. Acht en twaalf zijn ze. Elke dag weer sta ik in bewondering voor wat de leerkrachten op hun school allemaal doen. Die zijn niet alleen bijzonder gemotiveerd, ze nemen ook heel wat taken op die eigenlijk bij de gezinnen thuishoren. Ik wilde dat ik in de lagere school het onderwijs had gekregen dat mijn kinderen vandaag genieten. Dat moeten we blijven benadrukken, want anders maken we het probleem almaar erger.

Boeve: Ik erger me mateloos aan die dramatisering. Als je de berichtgeving mag geloven, lijkt het soms alsof niemand in het onderwijs zijn werk nog naar behoren doet. Onzin, natuurlijk. In Vlaanderen hebben we nog altijd heel degelijk onderwijs. Wel is de maatschappelijke realiteit veranderd. Er zijn steeds meer leerlingen die extra zorg nodig hebben – om maar iets te noemen. Vandaag zitten er in het buitengewoon onderwijs alweer evenveel leerlingen als voor de invoering van het M-decreet, maar toch blijft de zorgvraag in andere scholen exponentieel toenemen. Als ik dan de zoveelste analyse lees van iemand die vindt dat de nadruk in ons onderwijs te veel op welzijn ligt en te weinig op leren, denk ik: ‘Ja jongens, ga zelf maar eens voor de klas staan.’ Ik ben het dus helemaal met Luc eens. In plaats van de hele tijd uit te leggen wat er allemaal misgaat, zouden we beter benadrukken dat er in onze scholen prachtig werk wordt verricht. Dan zullen misschien ook meer mensen zin krijgen om er daar te werken.

Luc Sels

– 1967: geboren in Merksem

– 1995: doctor in de sociale wetenschappen (KU Leuven)

– 2002: Francqui-leerstoel aan de Universiteit Antwerpen

– Sinds 2004: gewoon hoogleraar economie (KU Leuven)

– 2009-2017: decaan van de faculteit economie en bedrijfswetenschappen (KU Leuven)

– Sinds 2017: rector KU Leuven

– Directeur van het Steunpunt Werk en lid van de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid

– Lid van de algemene vergadering van het Katholiek Onderwijs Vlaanderen

Lieven Boeve

– 1966: geboren in Veurne

– 1995: doctor in de godgeleerdheid (KU Leuven)

– Sinds 2004: gewoon hoogleraar theologie

– 2008-2014: decaan van de faculteit theologie en religiewetenschappen (KU Leuven)

– 2012-2014: voorzitter van het Academisch Vormingscentrum voor Leraren (KU Leuven)

– Sinds 2014: directeur-generaal van Katholiek Onderwijs Vlaanderen

– Lid van de inrichtende overheid van de KU Leuven

Met dank aan Ann Peuteman en Jeroen de Preter – Knack 31/8/2022

Filosofe Tinneke Beekman over hoop in De Standaard

Over hoop die een loopje neemt met ons denken.

De onderstaande column van filosofe Tinneke Beekman over hoop ontsnapte niet aan mijn aandacht, vermoedelijk omdat ikzelf al vaak over dat thema heb nagedacht. Volgens haar zijn we best wat oplettend want hoop durft een loopje te nemen met ons denken.

“In donkere tijden lijkt hoop een ­belangrijk middel om de duisternis door te komen. Alsof uit hoop alleen het goede kan volgen. Die ­visie deel ik niet. Ik probeer hoop-vrij te zijn: gericht op wat nu wél mogelijk is. En dat betekent helemaal niet hopeloos, fatalistisch of defaitistisch door het leven gaan.

Hoop is natuurlijk verkieslijk ­boven wanhoop; in dat laatste geval geloof je niet dat iets goeds nog kan gebeuren. En natuurlijk is hoop soms onafwendbaar, als de nood hoog genoeg is. Het voorbije jaar heb ik eenmaal heel intens iets gehoopt. Alleen merkte ik vooral hoe verloren ik eigenlijk was. Het hoopvolle gevoel projecteerde me naar een toekomst die alleen in mijn verbeelding bestond. Hopen is verlangen, terwijl de vervulling van je hoop niet van jezelf afhangt. Wat biedt de hoop dan eigenlijk? Zeker geen vrijheid. De stoïcijnen, de epicuristen, filosofen als Spinoza of ­Camus keken met argwaan naar discours waarvan hoop de hoeksteen uitmaakte. Er bestaat geen hoop zonder angst en geen angst zonder hoop, aldus Spinoza in de Ethica. Aan ­beide ligt ­dezelfde onzekerheid ten grondslag. Terwijl je hoopt, vrees je dat het slecht afloopt, en als je bang bent, hoop je ­tegelijk dat je angst geen werkelijkheid wordt. Als je hoopt, ben je dus niet echt vrij. De stoïcijnen denken er net zo over: de wijze vreest niets en hoopt niets. Hij verlangt alleen wat is, en ­geconfronteerd met dingen die tegenvallen, doet hij wat hij kan om de situatie te veranderen.

Hoop kan samenhangen met een theologisch perspectief. Het is een christelijke deugd, naast ‘caritas’ (naastenliefde) en ‘fides’ (trouw); ­hopend verwachten de gelovigen Gods werking, vol vertrouwen op een eeuwig leven na de dood. Niet toe­vallig geloven de critici van de hoop niet dat er een welmenende, beschermende God is, tot wie je je gebeden kunt richten. Volgens Camus worden hoop en geloof al te vaak ingeroepen om onaanvaardbaar lijden goed te praten. Zijn afkeer van de hoop heeft precies met een woede over onrecht te maken. Hopen lijkt dan een vorm van berusting, en dat gaat tegen het leven zelf in. Wie door de omstandigheden wanhopig wordt, is laf, maar wie in de menselijke conditie hoop kan vinden, is goed gek, aldus Camus.

De theologische grondslag van de hoop is ook in de politieke verbeelding te vinden. Begin 17de eeuw leidde de puriteinse advocaat John Winthrop groepen kolonisten naar het beloofde land Amerika als ‘a city upon a hill’, een hoopvol toevluchtsoord voor christelijke gelovigen. De uitdrukking refereert aan ­Jezus’ Bergrede. Intussen ­behoort ze tot het politieke zelfbeeld: Amerika is een uitzonderlijk land (American exceptionalism), een baken van hoop voor de rest van de wereld. Heel wat presidenten – van John F. Kennedy over Ronald Reagan tot Barack Obama – verwijzen ernaar. Hope is een belangrijk retorisch middel om die bijzondere missie te onderstrepen. En praten over hoop geeft hoop. Alsof je al een stap hebt gezet in de richting van een betere wereld. Hoe kan je bijvoorbeeld niet meegesleept worden door het gedicht van Emily Dickinson, waarin ze hoop het ding met veren noemt, een ­vogeltje, dat in je ziel neerstrijkt, nooit stopt en nooit om iets terugvraagt?

Hoe krachtig dit ook lijkt, het verwijzen naar hoop komt met politieke nadelen. Vanaf het begin waren Amerikanen blind voor het leed dat ze de inheemse bevolking aandeden, voor de gevolgen van de slavernij, en later nog, voor de gevolgen van het Amerikaanse beleid ­elders ter wereld.

Heel wat politieke activisten prijzen de hoop wel als stimulerend. Katrin Swartenbroux citeert Rutger Bregmans motivatie in De Morgen om een hoopvol mensbeeld te schetsen. Hij is de zoon van een protestantse dominee, maar ­gelooft zelf niet meer. De hoop heeft hij behouden, omdat mensen de maatschappij zelf moeten verbeteren. Ze kunnen niet op een goddelijke kracht rekenen.

Dat laatste standpunt deel ik. Maar het is niet de hoop die daadkracht geeft, het geloof in daadkracht – mensen hebben een vrije wil, ze kunnen de samenleving deels vormgeven – geeft hoop. Dat is de volgorde. Hoop is mogelijk, want ik kan handelen. Maar hoop is geen voorwaarde om na te denken of te handelen. Dat lukt ook vanuit een scherpe gerichtheid op het hier en nu.

De vraag is niet alleen wat jij met hoop kunt, maar ook wat de hoop met jou doet. Hoop kan je ook iets ont­nemen: de gelegenheid om echt na te ­denken over de situatie waarin je je ­bevindt. Welke normale toestand moet bijvoorbeeld terugkeren na de pandemie: hetzelfde hectische leven, dezelfde consumptiepatronen, dezelfde intru­sieve houding tegenover de natuur?”

Bron: “Hoop neemt een loopje met je denken”, column DS, 18 febr. 2021 | Tinneke Beeckman

Dirk De Geest enthousiast over Amanda Gorman: “niet zomaar een woordje placeren, maar minutenlang kunst brengen” – Faculteit Letteren KU Leuven

Professor Dirk De Geest (KU Leuven) is blij met het verbale cadeautje van Amanda Gorman. Hij legt in Het Laatse Nieuws uit wat dit gedicht en de voordracht ervan tot kunst maakt.

foto: wikipedia

KUNST

“Wat Amanda Gorman gedaan heeft, is niet zomaar een woordje placeren, maar minutenlang kunst brengen. Bij een goed gedicht stel je vast: geen enkel woord zou zomaar vervangen kunnen worden door een ander. Dan was er nog de mimiek, het timbre… Het klééfde. De toehoorder kan zich de woorden vervolgens eigen maken door ze vanbuiten te leren, te herhalen.”

“Wat het voor ons Vlamingen verrassend maakte, was dat Gorman daar helemaal als zichzelf stond. Hier worden gedichten vaak met een zekere tongue in cheek gebracht, wat bijvoorbeeld Wim Helsen schitterend doet. Cabaret. Maar dit was ernst, verpakt in alles wat poëzie zo bijzonder maakt: herhaling, rijm… De juiste pauzes, ook.”

Die eigenschappen vindt men vaak ook terug in de speeches van politici zoals Obama. Het verschil zit hem volgens De Geest in “de gelaagdheid” en de ruimte voor interpretatie. “Een gedicht is iets dat je moet lezen en herlezen, horen en nog eens horen. Hoeveel mensen zouden de tekst van Gorman intussen al niet een tweede keer beluisterd hebben, kwestie van hem goed te doorgronden? Om dan elke keer weer iets nieuws te ontdekken?”, stelt hij. Bovendien is er een verschil in taalgebruik: “Een politicus zegt: ‘Yes we can’. Duidelijke taal, want vaagheid past niet bij politiek, je wil niet dat mensen iets achter je woorden kunnen zoeken. Een dichter wil dat juist wel. Die zegt: ‘There will always be light’. Dat is eigenlijk hetzelfde als ‘Yes we can’, maar mysterieuzer. Je hebt poëzie die daar nog veel verder in gaat, met gedichten die liegen en op het verkeerde been zetten om te prikkelen.”

WAT IS POËZIE?

Nauw is de definitie van poëzie alvast niet, zegt De Geest. “Hiphop kan poëzie zijn, een dramatische tekst kan poëzie zijn… Karamellenverzen die allemaal op dezelfde klank eindigen, zijn zeker geen must”, lacht De Geest. “Maar rijm en alliteratie zal je vaak aantreffen – ook bij Amanda Gorman, met zinsnedes als ‘belly of the beast’. Zoiets werkt bezwerend en legt extra nadruk op woorden. Die klemtonen heeft Gorman schitterend gelegd, het hele plaatje klopte, ook met die mooie kledij. Gorman heeft bovendien met een spraakgebrek gekampt, wat appelleert aan de Amerikaanse gedachte dat je alles kan overwinnen als je hard je best doet. Zoiets spreekt jonge mensen aan. Oudere mensen zijn dan weer gecharmeerd – is niet elke oma fier als een kleindochter iets moois voordraagt?”

“Met het gedicht als politiek statement hebben wij in Vlaanderen minder ervaring”, zegt Dirk De Geest. “Het dichtste dat wij recent gekomen zijn, was toen Frank Vandenbroucke zei: ‘We mogen mekaar niet meer vastpakken, maar we laten elkaar niet los.’ Grootse poëzie zou ik dat niet noemen, maar het had enkele elementen, zoals de tegenstelling tussen ‘vast’ en ‘los’. Die zin heeft een snaar geraakt: mooie woorden doen ertoe, ze troosten en inspireren. Mensen zeggen: ‘Inderdaad, zo is het, maar zelf kan ik het niet op die manier zeggen, zo schoon.’ Net daarom zijn gedichten op begrafenissen geliefd. Omdat je soms zelf geen woorden vindt.”

NIET VOOR IEDEREEN

“Mensen zonder verbeelding houden niet van poëzie. Pas op, ergens snap ik dat. Als Elton John op de begrafenis van Lady Di zong over een ‘candle in the wind’ kan je zeggen: ‘Allez, wat is nu de gelijkenis tussen Lady Di en een kaars in de wind, zeg?’ Ook over het gedicht van Amanda Gorman kan je struikelen, als je alles letterlijk neemt. ‘Dare to be the light, het licht durven te zijn, wat is dat juist?’ Zoiets valt heel moeilijk uit te leggen. Je voelt het of je voelt het niet.”

Bron: Het Laatste Nieuws (Nadine Van Der Linden)

Bron: Dirk De Geest enthousiast over Amanda Gorman: “niet zomaar een woordje placeren, maar minutenlang kunst brengen” – Faculteit Letteren

Feux, 2018 – uit Le Chagrin des Belges van Adel Abdessemed

Een opiniestuk van prof. emeritus Leo Neels op de website van de VRT Standbeelden kunnen goede symbolen worden van wat we niet meer willen, maar dan moeten ze wel zichtbaar blijven, zette me aan het denken.

Zou dit werk van Adel Abdessemed (°1971, Algerije) dat te zien was op Watou 2018 niet beter duidelijk maken ‘wat we niet meer willen’ omdat het keihard binnenkomt, omdat het ons confronteert met onze sociale handicaps: structureel geweld, racisme en discriminatie, openlijk of verdoken ?

Het is Hugo Claus’ Het verdriet van België dat de kunstenaar inspireerde om een reeks werken samen te stellen, vertrekkend van treffende verhalen over Belgisch Congo onder Leopold II, die de kolonie 24 jaar lang als persoonlijk bezit behandelde. Alle werken uit de reeks kregen de titel Feux en zijn gemaakt van houtskool, een natuurlijk element dat voortkomt uit verwoesting maar ook dient als tekenmateriaal.

Een verzameling afgehakte handen wijst duidelijk op de vreselijk grote hoeveelheid slachtoffers die destijd geteisterd werden door afschuwelijk leed en verlies.

Feux, 2018 by Adel Abdessemed – Watou 2018

Le Chagrin des Belges zet een deur open naar een waar gebeurde nachtmerrie die ons land blijft achtervolgen. Abdessemed nodigt hiermee de Belgen uit om dergelijke feiten niet te vergeten en kritisch te blijven nadenken over onze eigen terreur.

Wiskunde en corona: waarom we best een pact sluiten met onze 4 vertrouwelingen – Filip Moons in Knack

Enkele heel eenvoudige voorbeelden tonen al aan dat het snel kan mislopen als we de regels te los interpreteren’, schrijft wiskundige Filip Moons, die de moeilijkheden met de versoepelde coronamaatregelen uitlegt aan de hand van de grafentheorie.

Foto door Miguel Á. Padriñán op Pexels.com

Dit artikel bespreekt een heel eenvoudig voorbeeld van menselijk contactnetwerken. Veel verspreidingsaspecten werden noodgedwongen weggelaten om het artikel toegankelijk te houden (zoals de connecties van mensen die gaan werken, de verschillende kansen van overdracht bij een toevallige ontmoeting in een supermarkt versus structurele vriendschapsafspraken, verschillende intensiteit en frequentie van de afspraken…). Toch tonen deze sterk vereenvoudigde modellen van de werkelijkheid al aan dat het snel kan misgaan als we de langverwachte versoepeling te ruim interpreteren.

Nu we elkaar in bubbels van 4 mensen mogen ontmoeten, houden veel mensen hun hart vast: gaan we zo niet eigenhandig een tweede epidemiegolf organiseren? En welke verantwoordelijkheid dragen de belhamels die zich niet aan de regels houden? Dit soort vragen worden al jarenlang door wiskundigen bestudeerd in de grafentheorie: of het nu over de verspreiding van een vette roddel gaat, het viraal gaan van tweets, het vinden van een ideale organisatie van het openbaar vervoer of het doorgeven van het coronavirus aan vrienden, grafen bieden een intuïtieve manier om al deze situaties te modelleren. Enkele heel eenvoudige voorbeelden tonen al aan dat het snel kan mislopen als we de regels te los interpreteren.

De ideale situatie: iedereen houdt zich aan de regels.

Grafen zijn in essentie eigenlijk een verzameling knopen en bogen die we grafisch makkelijk kunnen voorstellen als een netwerk. In ons geval zijn de knopen mensen en stellen de bogen een frequent contact voor. Zelf een graaf maken van jouw vier vertrouwelingen is dus erg simpel: je schrijft je naam, evenals die van je vier uitverkorenen en vermits jullie nu met elkaar intens gaan afspreken, trek je lijntjes.

Stel, we hebben een bevolking van slechts 15 personen en iedereen interpreteert de regels erg strikt. Iedereen kiest dus 4 personen en elk groepje zweert absolute trouw aan elkaar: er wordt enkel binnen de groep afgesproken.

afbeelding: filip moons

Dat levert een onsamenhangende graaf op: er zitten drie onafhankelijke clusters in. Dat is ideaal om verspreiding tegen te gaan: stel dat Bert besmet raakt met Covid-19, dan zal hij binnen zijn eigen cluster mensen kunnen besmetten, maar het zal hoe dan beperkt blijven tot zijn bubble. Het is echter héél eenvoudig om een volledig samenhangend netwerk te bekomen: als één iemand uit het gele en blauwe groepje begint af te spreken met iemand uit het rode groepje, is het netwerk al volledig geconnecteerd. Stel dat Elio en Zohra beginnen afspreken en Sacha en Saartje doen hetzelfde, dan krijgen we dit:

afbeelding: filip moons

Hoe veilig is dit netwerk in het kader van de verspreiding van virussen? Daar zijn binnen de grafentheorie verschillende maten voor, een heel bekende is de diameter: de langste afstand die bestaat tussen twee personen. Zo is de afstand van Elio tot Zohra 1 (je moet minimaal 1 boog doorlopen om beide knopen met elkaar te verbinden), de afstand van Bert tot Sophie 3 (tussenstop via Elio en Zohra), de afstand van Raf tot Inge ook 3, maar de afstand van Axel tot Inge is 5 (tussenstop via Elio, Zohra, Sacha, Saartje).

De diameter ken je misschien al van de hypothese van de ‘zes graden van verwijdering’: moesten we niet afspraakjes in Covid-tijden aan het modelleren zijn, maar het wereldwijde netwerk waarbij er een boog wordt getrokken van zodra mensen elkaar kennen, dan luidt de hypothese dat elke willekeurige wereldburger verbonden is met elke andere willekeurige wereldburger via hoogstens 5 tussenpersonen (en dus 6 bogen).

Hoewel de diameter een interessante maat is, moeten we er vooral voor zorgen dat onze intense contacten zo geclusterd mogelijk blijven. De clusteringscoëfficiënt van een persoon kan je berekenen door te gaan kijken hoe geconnecteerd hun vertrouwelingen zijn. Bekijken we bijvoorbeeld de clusteringscoëfficiënt van Axel, dan zien we dat die 4 vertrouwelingen heeft: Bert, Elke, Elio & Ellen. Binnen zo’n groepje van 4 vertrouwelingen kan elke vertrouweling potentieel een connectie maken met de 3 andere vertrouwelingen, wat neer komt op 4*3 = 12 connecties.

We hebben echter dubbel geteld: in ons geval spreek je samen af en als Ellen pakweg een connectie maakt met Elke, dan maakt Elke ook een connectie met Ellen. We moeten dus 12 nog door 2 delen: binnen een groepje van 4 vertrouwelingen zijn er dus 6 mogelijke connecties. Als we alle bogen tussen Bert, Elke, Elio en Ellen tellen op bovenstaand schema, zijn dat ook 6 bogen. Dat is dus 6 op 6: alle mogelijke vertrouwsbanden zijn tussen de vertrouwelingen van Axel effectief gesmeed, Axel heeft een clusteringscoëfficiënt van 100%. Willen we nu de clusteringscoëfficient van Elio berekenen, dan moeten we gaan kijken hoe zijn vertouwelingen Ellen, Axel, Bert, Elke & Zohra onderling verbonden zijn.

Binnen zo’n groepje van 5 vertrouwelingen kan elke vertrouweling potentieel een connectie maken met de 4 andere vertrouwelingen. Dan komt neer op 5*4 = 20 connecties. We hebben opnieuw dubbel geteld en moeten dus nog 20 door 2 delen: binnen een groepje van 5 vertrouwelingen zijn er dus 10 mogelijke connecties. De vertrouwelingen Ellen, Axel, Bert en Elke zijn allemaal met elkaar verbonden wat 6 connecties oplevert (tel het aantal bogen in bovenstaand schema), Zohra is met niemand van de andere vertrouwelingen verbonden. In totaal zijn er dus 6 connecties op 10 mogelijke connecties, de clusteringscoëfficient van Elio bedraagt zo slechts 60%. Hij betaalt dus een zware prijs voor zijn extra connectie met Zohra.

Willen we nu naar de clusteringscoëfficiënt van het hele netwerk gaan kijken, dan nemen we gewoon het gemiddelde van alle clusteringscoëfficiënten: 4 personen (Elio, Zohra, Sacha & Saartje) hebben allen een clusteringscoëfficiënt van 60%, 11 personen houden zich prima aan de regels en gaan voor een clusteringscoëfficient van 100%. Gemiddeld hebben we dus 89% clustering. Hoe hoger deze clusteringscoëfficiënt van het hele netwerk, hoe beter: hoe dichter deze bij 100% ligt, hoe meer het netwerk verbrokkeld is in onafhankelijke clusters. Als het virus in één van deze clusters opduikt, is de kans groot dat de besmetting binnen de cluster blijft.

Merk op dat ons verhaal niet volledig is: de clusteringscoëfficiënt kan ook 100% blijven als je met meerdere mensen afspreekt die allemaal onderling verbonden zijn, ook al zijn er dat meer dan 4. Als je echter clusters maakt van 8 mensen, dan verdubbel je wel het aantal mensen dat je kan besmetten binnen een cluster, dus ook de beperking tot 4 personen is niet uit de lucht gegrepen.

Het zorgwekkende is: het is heel gemakkelijk om de clusteringscoëfficiënt van het hele netwerk verder naar omlaag te halen. Stel iedereen houdt zich nog steeds vast aan het getal 4, maar iedereen interpreteert de regel zo dat hij 4 avonden in de week met één iemand afspreekt. In het meest extreme geval houden de 4 vertrouwelingen van een persoon onderling nooit een afspraakje met elkaar en krijg je bv. volgende graaf:

afbeelding: filip moons

Ook deze graaf is samenhangend, de diameter is slechts 3 (de langste afstand tussen twee personen) maar de clusteringscoëfficiënt van iedereen is 0: niemand heeft vertrouwelingen die ook onderling afspreken! Het netwerk is zo helemaal niet meer geclusterd en ook de diameter is danig klein dat je zo virussen wel erg veel plezier doet: het virus zal niet meer binnen een cluster blijven, want er zijn er gewoon geen.

Conclusie: maak een pact met 4 mensen. Zweer trouw aan elkaar en zie elkaar zoveel als jullie willen. Probeer intense afspraakjes met mensen die daarnaast op hun beurt met andere mensen afspreken zoveel mogelijk te mijden want zo haal je zowel je eigen clusteringscoëfficiënt als die van het hele netwerk naar omlaag. De enige die daarbij iets te winnen zou hebben is het virus.

Filip Moons is FWO-aspirant in de wiskundedidactiek en lerarenopleider Universiteit Antwerpen.

Www.info-coronavirus.be: Vragen en antwooorden: Wie mag ik uitnodigen/ bezoeken?

%d bloggers liken dit: