Het onverwachte antwoord – Patricia De Martelaere

Cover – La réponse imprévue van René Magritte

In Het onverwachte antwoord, Meulenhoff, 2004 geeft de schrijfster het woord aan zes verschillende vrouwen. Alle zes zijn ze geboeid door de dichter Godfried H. Vier hebben een relatie met de getrouwde Godfried, een man die houdt van blauwe zijden hemden, kaaskorsten eet en snurkt. Er is Esther die een portret van hem schildert, de genetica Clara, Sybille, die in therapie is bij Anna, de vrouw (psychoanalytica) van Godfried en Marina een voormalige student van hem. Ze leven verscheurd tussen hun verlangen naar hem en hun vastberadenheid om hem de rug toe te keren. Geen van hen kan hem ‘de hare’ noemen, en bijgevolg is hij ook niet langer de man die Anna ‘de hare’ kan noemen. Het zesde hoofdstuk De liefdesbrief, een overweldigende uitdrukking van verlangen, afwijzing, passie, deprivatie, wordt duister: vertrouwde stukken tekst en beeld komen in een vreemde samenhang terecht: een procedé dat doet denken aan René Magritte. De Martelaere neemt vele verwijzingen naar deze schilder op  in de roman. Vele beschrijvingen van situaties zijn indirecte referenties naar het oeuvre van onze bekendste surrealistische  schilder vb. ‘Als ze [Anna] uitademt komt een kring van rook in de vogelkooi terecht en blijft daar hangen, om de vogel heen, het lijkt op een schilderij van Magritte, een vogel in de wolken, een stuk lucht opgesloten in een kooi’ blz.80. Daarmee wil Patricia De Martelaere bewust in het voetspoor van Magritte treden en een surrealistisch beeld oproepen: de werkelijkheid is niet hetzelfde als de afbeelding van die werkelijkheid. In het zevende (!) en laatste hoofdstuk krijgt de lezer dan bij monde van G. het onverwachte antwoord : Of het de kat is, of een vorm, uitgesneden als het lichaam van een kat – en of het nog leeft en spint binnenin, of al volop dood is, opgelost en ontladen – maar dan breekt het duidelijk door de deur, en het antwoord is: ja, hoe dan ook, helemaal, volslagen: ja.

Volgens Frank Hellemans in Ons Erfdeel is het boek een poging tot synthese van westerse waarnemingsfilosofie (David Hume) en oosterse waarnemingstechniek (taoïsme). Het is denken en niet-denken tegelijk.

In 1984 promoveerde De Martelaere op de filosofie van de achttiende-eeuwse wijsgeer David Hume. Wie De Martelaeres literaire oeuvre wil begrijpen, vindt in haar fascinatie voor Hume een eerste ankerpunt. Hume’s ‘gematigd’ sceptisme: futiel of fataal?, heette het toen. Ondertussen is De Martelaere blijven publiceren over diens werk. Hume demonteerde op meesterlijke wijze de manier waarop wij mensen ons een voorstelling maken van de werkelijkheid. Hij waarschuwde ervoor dat de werkelijkheid die wij zogenaamd objectief waarnemen in feite een hoogstpersoonlijke constructie is. Het ligt nu eenmaal in de natuur der dingen, aldus Hume, dat mensen geloven dat er een objectieve werkelijkheid bestaat, maar een echt bewijs is er niet. Ons beeld van de werkelijkheid, zo De Martelaere met Hume, staat of valt met de ‘levendigheid’ van onze waarnemingen. Er bestaat geen filosofisch fundament om die ‘levendigheid’ tot waarheid om te smeden.
De Martelaeres filosofische verbeelding was echter wendbaar genoeg om een uitweg uit de impasse van Humes waarnemingsfilosofie te vinden. Als je de objectieve waarheid niet filosofisch kunt beargumenteren, kun je ze misschien wel beleven.

Ludwig Wittgenstein had immers al verkondigd dat het onuitsprekelijke, het onnoembare, kortom, de waarheid, zich uiteindelijk toont: ‘Wat men niet kan zeggen, kan men tonen.’ Via het taoïsme krijgt De Martelaere dan een paulinische ervaring die haar definitief op weg heeft gezet naar haar nieuwe, bevrijdende roman. Lao Tse sluit met zijn spreukenverzameling Tao teh King als vanzelf aan op de nogal cryptische manier waarop Wittgenstein de ‘rechte weg’ (tao) naar de waarheid ‘toont’. Het taoïsme, zoals het boeddhisme en andere oosterse meditatietechnieken, verdiept zich niet in het menselijke denken of subject, zoals Hume en de traditionele westerse filosofen. Integendeel, waar het denken stopt, daar beginnen in de oosterse visie pas het leven en de werkelijkheid. De oosterse wijzen, aldus De Martelaere in Wereldvreemdheid, willen de mens via bepaalde waarnemingstechnieken eerst helemaal leegmaken of depersonaliseren. Vervolgens kan vanuit die zo ontstane leegte de werkelijkheid als in een leeg vat in de gelouterde mens binnen stromen. Wie zijn verstand op nul zet, krijgt de kans in te pluggen in de wereld rondom zich: ‘Dichters en kunstenaars zijn zich, net als tovenaars, voortdurend en op de meest intieme wijze bewust van het immense, naamloze krachtenveld (…) dat ons beheerst en waarvan wij deel uitmaken.’

Het onverwachte antwoord is een liefdesroman zonder de klassieke psychologische of relationele perikelen. De Martelaere toont in haar roman hoe je vrouwen kunt laten liefhebben zonder te vervallen in melodramatisch of emotioneel woordgebruik. Voor een leek is er niet direct een touw aan vast te knopen. Maar de zes vrouwen op zoek naar kosmische liefde zijn zes verschillende vormen om een dergelijke liefde gestalte te geven. Ze spreken trouwens soms met dezelfde stem als gaat het om dezelfde vrouw. Het is inderdaad opvallend hoe bepaalde spreuken steeds terugkeren in een soort van mantra. Het is intrigerend om een kleine bloemlezing te maken waaruit blijkt hoe waarnemingsgericht De Martelaeres levensvisie blijft. Deze keer niet met dank aan Hume maar met dank aan het taoïsme. ‘Luisteren is een vorm van kijken’, ‘strelen is kijken met de handen’, ‘tekenen is stoppen met denken’, ‘gevoelens bestaan niet’, ‘schrijven is (…) een kwestie van kijken (…) het gaat om de hele wereld door mijn ogen’. Het is wellicht geen toeval dat het personage dat schildert en in Chinese traditie met houtskool tekent, erg vaak de vrouwelijke stem invult: ‘Schilderen is een relatie met de werkelijkheid, niet met de toeschouwer. De toeschouwer is lachwekkend – even lachwekkend en onbenullig als de voyeur die door het sleutelgat staat te loeren terwijl ik met jou aan het vrijen ben.’ Zo spreekt een modale vrouw niet in een modale Nederlandstalige liefdesroman. Het onverwachte antwoord is dan ook een uitzonderlijke roman.

Ook het object van het vrouwelijke verlangen is volstrekt apart. Godfried H. is de man op wie alle vrouwelijke hoofdpersonages verkikkerd zijn. Hij belichaamt de afwachtende manier waarop in het taoïsme het individu zichzelf leeg maakt en alles loslaat (wu wei) om zo deelachtig te kunnen worden aan een nieuwe totaalervaring. In Wereldvreemdheid typeert De Martelaere die mystieke ontvankelijkheid als volgt: ‘Het vergt een grote inspanning om te komen tot het loslaten van alle inspanningen; je moet er heel wat voor doen alvorens je erin slaagt niets meer te doen en alleen nog een antenne te zijn, een brandpunt van stralen die samenkomen en ter plekke, “vanzelf” vuur kunnen vatten.’ Godfried H. is in zekere zin De Martelaeres taoïstische professor in de liefde, de Lao Tse van het verlangen. En zoals het een leermeester betaamt, zwijgt hij liever dan uitleg te geven, tenzij in verzen van Rainer Maria Rilke of T.S. Eliot. Godfried H. is De Martelaeres rattenvanger van Hameln, de mannelijke sirene die het hoofd van de vrouwelijke personages op hol brengt en zo de kans geeft om gegrepen te worden door authentieke liefde.

De roman eindigt met een passage die een omschrijving geeft van de geconcentreerde energie van de verlichte mens die beloond wordt met een momentane levensvervulling. De Martelaere gunt haar personage dus een happy end. Zij omhelst de tao van het leven, de ‘rechte weg’ die vaak ook als ‘vormeloze vorm’ wordt aangeduid. Zij beaamt de pulserende energie van de werkelijkheid.

Het is een fascinerende roman waarvan de betekenislagen zich als een ui laten afpellen,  door de heldere schrijfstijl schijnbaar eenvoudig maar in opbouw behoorlijk complex. Vertrouwdheid met het werk en het leven van  Magritte en met het taoïsme kunnen sleutels zijn om die complexiteit te doorgronden. Vakmanschap en virtuositeit in het woord geven aan een diversiteit van emoties, verband houdend met de (grote) liefde is zeker één van de bijzondere verdiensten van deze roman. Een aanrader.

Sample of  The Unexpected Answer by Patricia De Martelaere on Flanders Literature

Advertenties

Kunstenfestival Watou: niets te merken van besparingen – Koen Van Boxem in De Tijd

Het kunstenfestival Watou doet het met 125.000 euro minder dan vroeger. Maar daar is op een sterke editie niets van te merken.

‘Nooit komt een eind aan ons verlangen.’ De zin prijkt als een grote lettersculptuur van Maud Bekaert in het Festivalhuis, een van de elf locaties van het kunstenfestival Watou. Het is de slotregel van het poëziedrieluik ‘Whale Spotting’ van Peter Verhelst. De zin klinkt als een ontnuchterende vaststelling. Hoe groot het verzet ook, het verlangen gaat pas weg bij de laatste hartslag. Gelukkig is er troost, als het verlangen niet wordt ingevuld.

Tussen dat spanningsveld beweegt de 38ste editie van het kunstenfestivalzich. Het thema sluit nauw aan bij de staat van zijn van het festival zelf. Twee jaar geleden verloor de organiserende vzw Kunst van Jan Moeyaert haar structurele subsidie van de Vlaamse overheid. Sindsdien is het roeien met de riemen die er zijn. De stad Poperinge levert met 125.000 euro een substantiële bijdrage. Via het achterpoortje van de projectsubsidie schuift Vlaanderen het festival toch nog 135.000 toe. Sponsor- en ticketinkomsten zijn goed voor 380.000 euro. Dat levert een budget van 640.000 euro op, of 125.000 euro minder dan vroeger.

Niets te merken van besparingen

Merk je daar iets van op het parcours, dat voor één keer een afspanning in Poperinge heeft? Nee. De nieuwe editie is behoorlijk sterk. Dat hoeft niet te verbazen. Troost en verlangen vormen voor veel kunstenaars een nooit opdrogende bron van inspiratie. Als bezoeker heb je doorgaans in het leven ook wat meegemaakt aan troost en verlangen. Het inlevingsvermogen is daardoor groot.

Opvallend is het grote aantal sterke, melancholische sculpturen. Een van de beste voorbeelden staat in het Festivalhuis. Het titelloze beeld van Katrin Dekoninck stelt twee vermoeide meisjes voor die hun hoofd te rusten leggen. Je wil een arm om hen heen slaan, maar tegelijk durf je niet. Ze lijken zo kwetsbaar. Bovendien weet je niet goed hoe de relatie tussen de twee is. Het ene meisje zoekt oogcontact, maar het andere houdt de ogen gesloten. Hebben ze ruzie?

Dekoninck creëerde het beeld van het meisje in 2016. Voor de nieuwe installatie in Watou werkte ze het thema verder uit. Het creatieproces wordt op een videoscherm getoond. Het is een heikele klus om van klei een afgewerkte installatie te maken. Dekoninck vernietigde de hoofden van de meisjes vier keer voor ze de juiste gelaatsexpressie had gevonden. Bij de installatie hoort een passend gedicht van Bernard Dewulf met dit slotvers: ‘Rust wel, mijn hoofd, rust niet te snel. Het is nog lang niet straks. En wees niet bang, wij zijn het maar.’

Geamputeerde lichamen

De zolderverdieping van het Festivalhuis is dit jaar bijzonder mooi ingericht met een rist kunstwerken die op elkaar lijken in te spelen. Er hangt een prachtige foto van een meisje van Danielle Van Zadelhoff. Met een beetje verbeelding kan je je voorstellen dat datzelfde meisje heeft geposeerd voor beeldhouwer Anton Cotteleer. Hij toont vereenzaamde, geamputeerde lichamen van vrouwen, in het gezelschap van een hond. Zijn decorum voor de beelden zijn meubelen uit lang vervlogen tijden. Een oude tafel als sokkel. Het geeft aan het geheel iets erg unheimlichs. Net als bij Dekoninck vraag je je af wat met die mensen is gebeurd.

Soms is kunst ook gewoon grappig. Op de trappen van het Festivalhuis bots je op een marmeren plakkaat van Peter Mertens. ‘In memory of the works of art that did not make it into the show.’

In de Brouwerij leest Hugo Claus zijn gedicht ‘Sonnet XiV’ voor. De stem van de meester spat uit luidsprekers aan de buitenmuur. Aan de overkant kijkt een ingedoken mannetje toe. Het is een nieuw muurschilderij in acryl van Jan Vanriet, een goede vriend van Claus. ‘Raaf’ heet het. Het sonnet heeft voor de kunstenaar een bijzondere betekenis, legt hij in cataloog uit. Het herinnert hem aan de uitstrooiing van de asse in 2002 in Watou van de overleden dichter Eddy van Vliet. Vanriet en Claus waren beiden aanwezig.

Van een heel andere orde is de installatie ‘Bedroom’ van de Israëlische kunstenares Nelly Agassi. Het is niet meer dan een kamervullend bed. Troost en verlangen vallen er samen. De omvang van het bed belooft veel. Tegelijk is het een ideaal schuiloord. Aan de muur hangt een titelloos gedicht van de Nederlander K. Martin. De slotzin is verrukkelijk: ‘Waar en wanneer zei wie tegen mij – en in welk bed – maak je geen zorgen ga rustig slapen dan zie je vanzelf wel in welke eeuw je wakker wordt.’

Alles gaat goed

In een kleine stal van de Douviehoeve hangt ‘Sperma Infinitum’, een hedendaags werk van de toonaangevende Spaanse kunstenaar Bernardi Roig. Een man hangt vast aan neonlampen. Hij lijkt zich te hebben opgehangen. Of werd hij zoals een mot aangetrokken door het licht? Licht speelt een belangrijke rol in het oeuvre van Roig. Te veel licht verblindt de mens, vindt hij. Het is een verwijzing naar de overkill in de multimediale samenleving.

In de grote schuur zorgt Jan Moeyaert voor een stunt. Hij kon de Amerikaanse textielkunstenares Sheila Hicks overtuigen om een van haar installaties uit de jongste Biënnale van Venetië opnieuw te installeren. ‘Escalade Beyond Chromatic Lands’ is een veelkleurige installatie van 300 bollen uit acrylvezels. Het verhaal moet je er zelf bij fantaseren. Maar je voelt je er wel toe aangetrokken. Het textiel nodigt uit om aangeraakt te worden.

In dezelfde ruimte staat nog een gigantisch werk uit de Biënnale: ‘Living Dog Among Dead Lions’ van de Georgische kunstenaar Vajiko Chachkhiani. Het is haast nog intrigerender dan de bollen van Hicks. Chachkhiani ontwierp een houten huis, een krot zeg maar. Door de bedampte ramen kan je een beetje naar binnen kijken. Een troosteloos interieur, koppen en mokken waaruit je nog geen hond zou laten eten. Uit het plafond valt water naar beneden, als uit een gigantische douchekop. De ‘regen’ maakt het interieur kapot, terwijl de buitenkant intact blijft. De installatie schetst een beeld van de mens. Hoe hij vanbinnen wordt verteerd door al het onheil dat hem overkomt, maar aan de buitenkant blijft lachen. Niets aan de hand. Alles gaat goed.

Kunstenfestival Watou opende op 30 juni en loopt tot 2 september. Maandag en dinsdag gesloten.

www.kunstenfestivalwatou.be

Wat alleen wij horen – Saskia de Coster

Wat alleen wij horen, Prometheus, 2015 van Saskia de Coster lijkt aan te vangen waar haar roman Wij en ik, Prometheus, 2013 eindigde. Sarah uit Wij en ik ontvlucht de familie en de villawijk van de de social climbers, voor wie vooral het in stand houden van hun status telt, naar de Amerikaanse metropool New York. Deze grootstad is voor haar de plek van continue vooruitgang waar een individu gered wordt van de stilstand en dus de achteruitgang en zo zichzelf het best kan ontplooien. Of dat inderdaad zo is, lijkt Saskia de Coster in Wat alleen wij horen aan een onderzoek te onderwerpen wanneer zij 120 mensen volgt in een vervallen appartementsgebouw in een niet nader genoemde groeiende Europese metropool (Brussel) die door de Firma, eigenaar van het complex, over zeven maanden zullen worden uitgezet, omdat het Atlasgebouw gesloopt wordt.

Alles woont door elkaar in dit voor de sloop bestemde gebouw: oud en jong, ongeschoold en intellectueel, autochtoon en immigrant, kunstenaar en supermarktbewaker maar anders dan in een gezin waar iedereen alles met elkaar deelt, hebben de Atlasbewoners weinig met elkaar te maken behalve de geluiden van het verval: verstopte wc’s, kapotte rioleringen, krakende vloeren, piepende deuren, versleten verwarmingsbuizen en ‘de piep’ die plots opduikt en door iedereen wordt gehoord nadat ze het bericht hebben ontvangen over de sloop van hun gebouw.

In hoofdstukken die aftellen van zeven maanden voor de afbraak tot het moment dat de springstof tot ontploffing wordt gebracht en het gebouw instort, focust De Coster op vijf personages: Anton, de eenzame, een beetje autistische conciërge en bewaker in een warenhuis; Erin, zijn zus, die aan haar tweede roman werkt en verliefd wordt op buurvrouw Lou; Melanie, die bij de openbare omroep research doet voor een praatprogramma maar wegens een mogelijke burn-out aan de kant wordt geschoven; Claus, haar zoontje, dat de veranderende wereld met reuzenogen gadeslaat; en zijn opa George, die in feite zijn opa niet is maar de dementerende buurman, die hem iedere dag van school afhaalt en die nog een keer zijn oude geliefde wil ontmoeten.

Over de aftelling  naar de sloop zegt de auteur:

“Dat was een grote uitdaging. Het aftellen legt een dwingend verloop op, als een tikkende tijdbom. Het leven is één en al aftellen. Vanaf de dag van je geboorte tel je af naar je dood en veel anders dan verval staat je niet te wachten. Een gebouw vervalt en verdwijnt ooit, samen met alle verhalen die het heeft voortgebracht. Dat is een natuurlijke, organische cyclus. Iets tegen heug en meug in stand willen houden, is niet altijd positief. Dat wijst er alleen maar op dat je de realiteit niet aankunt. Want er komt ook iets nieuws voor in de plaats. Het leven is een cyclus en ieder einde kan een nieuw begin zijn. Ik vind dat mooi en hoopvol. Voor mij is er dan ook eerder sprake van verandering dan van verval.” – in De Morgen

En over het motto ‘Go, go, go, said the bird: human kind cannot bear very much reality’  van T.S.Eliot:

“Er zijn veel mensen die zich realistisch en nuchter noemen en daar ook trots op zijn. Voor mij zijn ze maar halve mensen. Er bestaat een hiërarchie in menselijkheid, en zij die zeggen dat ze niet pessimistisch zijn maar wel realistisch, zijn voor mij mensen die iets hebben losgelaten. Ze durven niet meer buiten het bestaande te treden, en dat is jammer.” – in De Morgen

Dat doet De Coster juist wel. De verbeelding is aan de macht in de verhalen over Claus, het zoontje van Melanie, die wil leren vliegen en in de beschrijving van Melanie zelf, die  na haar scheiding haar hele appartement met ballonnen vult om te weten ‘hoe lang het zou duren voor haar verlangen zijn kracht verloor’; in de beschrijving van de dolle liefdesduik van George voor zijn Mooie Miranda en zijn escapade op het einde samen met Claus; in de typering van de Nigeriaanse Abi, de verhalenverstelster,  die zonder moeite in de fantasiewereld van haar dementerende George stapt en samen met hem hoort wat alleen zij horen; in de ‘count down’ van de sloop van het Atlasgebouw waaruit een  kanarie, als het symbool van de individuele vrijheid, op het nippertje weet te ontsnappen.

Saskia de Coster zet onze oren op scherp in deze literair vormgegeven antropologische studie naar de invloed van maatschappelijke veranderingen op het individu, gepresenteerd als een optimistisch stemmende hedendaagse soapopera. – Elsbeth Etty in Ons Erfdeel