Artistiek, authentiek, charmant WATOU, STAY! ♥

Het bijna wanhopige vooruitzicht als zou het Kunstenfestival van Watou ter ziele gaan, werd niet bewaarheid. De hoop van vele trouwe Watou-fans bleek niet op een fantasietje gebaseerd, was geen valse hoop. De noodkreet van 2016 kreeg weerklank: er werden sponsors gevonden en de festivalzomer trok niet minder dan 24.000 bezoekers. Een record.

Dinsdag, 11 juli – Vlaamse feestdag

Met de trein uit Leuven over Mechelen, Gent en Kortrijk naar Poperinge en vandaar met de belbus naar Watou neemt drie uur in beslag. Maar de trein is altijd een beetje reizen en bovendien Dit wordt ons niet ontnomen: lezen / en ademloos het blad omslaan, / ver van de dagelijksheid vandaan. / Die lezen mogen eenzaam wezen. / Zij waren het van kind af aan. / Hen wenkt een wereld waar de groten, / de tijdelozen, voortbestaan. / Tot wie wij kleinen mogen gaan. / de enigen die ons nooit verstoten. (Ida Gerhardt). Het Watouplein staat bij aankomst om 11 uur al vol geparkeerde wagens.

Eerst naar het Festivalhuis (1) een toegangsticket halen en een catalogus want die bevat alle gedichten en de commentaren bij de kunstwerken. Een echte must have. De locatieaanwijzers van de kunstroute – in the pink (vert. uitstekend, in goede doen) dit jaar- kan je in geen geval mislopen. Van 1 tot en met 11 een ware verrassingswandeling langs even zovele en nog veel meer kunstwerken die op één of andere manier verwijzen naar of verband houden met het festivalthema ALEENIGHEID EN ONDRAAGLIJKE EENZAAMHEID.

Slapen

- Als ik te veel
bij mensen
ben

dan gaan mijn armen slapen
dan moet ik ze tot leven wekken

alleen

al doet het pijn 
als de beknelling
lost

Violante Juarez Oliveira
(pseudoniem voor Johanna Pas)
uit: De rug van een hand, 2016

In de Rode Hoed (2)

Javier Pérez, Spanje – El Espacio que nos separa, 2012

en het huis links in de Vijfhoekstraat 13 (3)

Mark Manders, Nederland – Ornament met brandpunten, 2000

de Kasteeltuin (4)

Edith Ronse, België – Bandage

en de Douviehoeve (5),

Krištof Kintera, Tsjechië – My Light is your Life, 2016
The Age of Aquarius

Elektriciteit geweest vannacht in beweging
en blauw en overal en snelheid geweest razend
door synapsen en zenuwbanen bliksem
in het stopcontact in hoogspanningsdraad brand
en lading en hitte geweest en hoogte en techno
een bloedsomloop teruggespoeld geslachtloos geweest
en rijkwijdte pupil aan scherven geknetterd
bezeten en climax en hoger nog de plek
waar de stem in boventonen breekt een sterrenstand
geweest bewogen en zomaar zonder bestemming verder
dan de kilometerteller verder dan een verte het mateloze in
van bovenaf gezien hoe in overgave auto's op de rug draaien
gezien hoe snelwegen uit de kaart sleten wie kon
reed nog naar een zomerhuis de rest verdween
eerst in de slikbeweging van sirenen later in de mond
van demagogen - hun tong spleet in voor en tegen
de literatuur heeft het ons zo geleerd:
er zijn mensen die [...] en er zijn mensen die [...]

Ik ben een mens die

Charlotte Van den Broeck
uit: Nachtroer, 2017
Chad Wright, VS – Master Plan. Phase One, 2011

de Graanschuur (6),

Katrin Dekoninck, België – Zonder titel, 2017

het Parochiehuisje (7),

Henk Visch, Nederland – Inside Story, 2015

het Brennepark*,

Woorden oogsten  …

de Brouwerij (8),

Daan den Houter, Nederland – Money Floor, 2017

het Klooster (9),

Braco Dimitrijevic, Sarajevo – This could be a place of historical importance, 1972
Zaventem

Afgerukt been bot bloed
laaiend vuur in de vlieghal
zij zit met het hoofd van haar kind in handen
schedel beroofd van dromen
hij merkt in een tel van eeuwigheid
dat zijn benen ontbreken
en sterft

bommengordels aangegord
bliezen de baarden zich rechtvaardig op
puur en genadeloos in hun jacht op maagden

zullen wij ook zo paradijsgericht zijn?
god ontferm u
en schaf religie af

Remco Campert
uit: Zaventem, 2016

en tenslotte de Kerk (10)

Javier Pérez, Spanje – Rosario / Memento Mori, 2008 -2009

Sergent-major Marsjèn? Non, mon commandant. Je m’appelle Martien, pas Marsjèn, à vos ordres.

Over Stefan Hertmans’ roman Oorlog en terpentijn.

Dat een mens dagelijks voorbij de plekken fietst of wandelt waar voor ons land de Groote Oorlog begon,  brengt hem nog nauwelijks in de sfeer van het gruwelijke armageddon dat zich daar een eeuw geleden afspeelde. De onverschillige natuur ging er sindsdien ongestoord zijn gang en zeer weinig, behalve de graven op de kerkhoven, herinnert aan de slachting van soldaten en burgers in de strijd tegen de Duitse bezetting van die dagen.  In 2014 zette Toerisme Vlaams Brabant echter fiets-, wandel- en autoroutes uit die de gebeurtenissen met betrekking tot deze oorlog weer onder de aandacht brengen. In datzelfde jaar kwam bij De Bezige Bij ook de meermaals gelauwerde roman Oorlog en terpentijn van Stefan Hertmans uit, onlangs ook genomineerd voor de Man Bookerprijs 2017.

Het boek lag al lang op lezing te wachten maar iets hield me tegen. Uit filmfragmenten in het Flanders Fieldsmuseum, foto’s en ook verhalen van een grootouder, jongste telg van 13 kinderen en in 1915 twaalf geworden, wist ik van de verschrikking van die oorlog voor hem en zijn ouders, broers en zussen. Dochters krijgen was voor hem het geluk hebben om geen kinderen als ‘kanonnenvoer’ te moeten afstaan. Bovendien wist ik uit een vorige roman van Hertmans met welke esthetische zwier hij de wreedheid van afgrijselijk geweld kan vatten. Ik aarzelde dus, maar dit monument niet lezen, was geen optie.

De lezers ontvankelijkheid voor gruwel en ontmenselijking is echter niet eindeloos. De volop in de verteltijd uitgesmeerde oorlogsmassacre die grootvader, Urbain Martien, ziet en doormaakt, beklijft maar wordt naar het einde door hem ook ervaren als ‘Mijn verhaal wordt eentonig zoals de oorlog eentonig werd, zoals het leven zelf eentonig werd en ons uiteindelijk ging tegenstaan’ (blz. 252). Zijn cahiers en het schilderen op het opkamertje maken voor Urbain de verwerking van het oorlogstrauma mogelijk. Hertmans weet gelukkig het evenwicht te vinden tussen het uit de verf laten komen van de manmoedige soldaat en de romantisch-gevoelige kunstenaar. Zijn verteltechniek is daarbij te vergelijken met de schilderstechniek van Rembrandt in het schilderij De Os. Het afzichtelijke wordt verheven kunst. Zo roepen de beschrijvingen van de arbeid in de ijzergieterij en de gelatinefabriek reminiscenties aan het naturalisme van Streuvels’ De Oogst en Het leven en de dood in de Ast op. Een postmoderne knipoog.

Doordat de militaire oorlogsterminologie van howitsers, granaten, obussen, mitraillettes, mitrailleurs, bajonetten, brandbommen, artillerie, genietroepen, garnizoenen, regimenten, brisantbommen, shrapnels, mortiervuur, mosterdgas, vuurkruisers niet van de lucht is, en de ontbering, de fysieke uitputting en ‘het godsgericht zonder God’ dat zich voltrekt, zo levensecht wordt beschreven, beland je als lezer met je emotie midden in deze afzichtelijke loopgravenoorlog die door duizenden Waalse en Vlaamse jongens maar vooral door de Vlaamse, met onverzettelijk patriottisme wordt gestreden, ondanks de gebrekkige uitrusting en ravitaillering. Dan begrijpt de lezer ook waarom juist daar door de discriminerende, vernederende houding van de Franstalige legerleiding tegenover de Vlaamse soldaten het latere flamingantisme kiemde.

Zijn militair pensioen bleef zo minimaal omdat hij voor zijn oorlogsverdiensten nooit een hogere graad dan sergeant-majoor had gekregen. Dat heeft hem met bitterheid vervuld; alle Waalse sergeanten, zo beweerde hij, waren bevorderd tot luitenant vanwege hun verdiensten, zelfs zijn eigen Vlaamse schoonbroer die in Wallonië woonde, een man die volgens hem zelfs niet werd gewond; hij echter, ondanks zijn eretekenen zijn kwetsuren (hij sprak soms een van een vierde en zelfs vijfde verwonding, waarover hij niets vermeldt in zijn memoires), bleef sergeant, ‘zoals zovele Vlaamse jongens’. (blz. 281)

Het andere aspect van de roman nl. terpentijn of het schilderstalent van Urbain Martien die als jonge tiener opkijkt naar zijn vader Franciscus, de frescoschilder, die relatief jong aan tering sterft, voert de lezer binnen in de niet van crisismomenten gespeende relatie tussen grootvader en kleinzoon-verteller.

“Dit is de tijd waarin het hopeloos te laat is voor de spijt waarin ik daar hopeloos verdronken sta.” (blz. 69-70)

Het horloge van zijn betovergrootvader dat zijn grootvader hem bij zijn communie overhandigt, valt uit de ik-vertellers handen.

“ … het heeft zijn roemloze dood gevonden in mijn stompzinnige jongenshanden, op mijn twaalfde verjaardag, de dag die, nu ik zijn memoires heb gelezen, voor altijd in mijn geheugen gegrift staat als een dag waarin ik een onuitwisbare schuld tegenover hem heb opgelopen.”( blz. 70)

Een paar maanden later begint de grootvader aan de memoires die de auteur Hertmans worden overhandigd in 1981, enkele maanden voor de dood van de grootvader. Pas dertig jaar later vormen ze de aanzet van een indringende familiegeschiedenis en een teder portret van de man.

Bij het einde komt de auteur-verteller, na fijzinnige analyse van diverse schilderijen – voortreffelijke kopieën van bekende meesters als Velázquez en Van Dijck – en na vergelijking van een paar zelfportretten van zijn grootvader met de kopie van de pseudo-Rembrandt of de man met de gouden helm, tot de volgende vaststelling:

“De waarheid van het leven verbergt zich vaak op plekken die men niet met authenticiteit verbindt. Het leven is subtieler in die dingen dan de moraal van mensen en hun rechtlijnigheden. Het leven werkt als deze kopiërende schilder, met schijn die waarheid zal verbeelden. Zo was deze paradox de constante van zijn leven: de militair die hij noodgedwongen was geweest en de kunstenaar die hij had willen zijn. Oorlog en terpentijn ” (blz. 332).

Dit boek is inderdaad een meesterwerk door de subtiele, emotioneel intelligente analyse van een familiegeschiedenis die naadloos aansluit bij een nationaal en internationaal verleden en daardoor voor menig lezer van Hertmans’ generatie herkenbaar is, zoals de passage waarin Urbain Martien een obushuls mee naar huis zeult. Onze grootmoeders hadden ze in huis:

Op onze definitieve terugtocht enkele weken later vind ik tussen alle denkbare puin, rommel en achtergelaten geschut, een ongeschonden obushuls in een sloot in de buurt van Merelbeke, het is een zwaar kaliber, 215 mm. Mijn kameraden lachen me uit omdat ik het zware ding naar huis wil zeulen. Zwetend bereik ik die middag mijn thuis en geef de koperen huls aan mijn moeder, die zegt dat ze er bloemen in zal planten. Dat heeft ze nooit gedaan; ik heb de huls later op de trapstijl van ons nieuwe huis gezet, en Gabrielle, die niet van poetsen hield, zei: Ge kunt zien dat ge dat koper zelf proper houdt, Urbain.

En waar het gaat om de Slag van Schiplaken (blz. 184) en de schrijvende schilder of schilderende schrijver zich in mijn onmiddellijke omgeving begeeft:

We liepen dieper het bos in (Schiplaken- en Steentjesbos?, BK). De avond viel, de schemer maakte het ons moeilijker om vooruit te komen. Kampenhout zouden we niet bereiken. Overal lagen een soort loden knikkers op de grond, sporen van kartetsen en brisantgranaten die erop wezen dat er in dit bos strijd geleverd was. Hier en daar viel een obus op minder dan honderd meter van ons. […] Ik zag hoe de gezichten van bij het zachte licht slapende soldaten koperkleurig leken, met een warme tint zoals je die op de schilderijen van Goya kunt zien; de beschaduwde kant van hun slapende gezichten leek zo donker als van negers. Ik pakte stil mijn tekenblok uit mijn rugtas en ik maakte enkele vluchtige schetsen, het kalmeerde mij een beetje. (blz. 181)

Maar ook de pijnlijke vaststelling van ‘No poppies at all in Flanders Fields’ of ‘No poppies anymore’ door de moderne landbouwmethodes. Klaprozen bloeiden weelderig op de door oorlog omgewoelde grond.

Met “Het is allemaal zo lang geleden, het is een eeuw geleden, ik loop hier met zijn genen in mijn lijf, eenzamer dan alleen en voor alles te laat.” (blz. 323) knoopt deze roman ook aan bij het thema van het KUNSTENFESTIVAL WATOU van dit jaar Over alleenigheid en ondraaglijke eenzaamheid.  Bovendien brengt geen ander boek in de Nederlandse literatuur je bij mijn weten dichter bij de naweeën van die oorlog en de betekenis van 11 juli voor Vlaanderen en België.

Wormelaar

Wormelaar is een historisch gehucht in de gemeente Zemst, op de oude verbindingsweg tussen Zemst-Laar en Zemst helemaal in het uiterste noorden van de provincie Vlaams Brabant. Op de Ferrariskaarten uit 1777 is te zien dat het gehuchtje toen zo’n 9 huizen had. Vandaag zijn dit er nog steeds maar 19.  Dat het achtervoegsel van de naam wijst op ‘een open plek in het bos’ weten we uit de toponymie. Over het eerste deel kunnen we onze fantasie de vrije loop geven. Lag het gehuchtje in een onbeboste kronkel (worm) van het bosgebied in het noorden van het historische Hertogdom Brabant?

Wormelaar – Kleine Linde – Kasteel Linterpoorten – Zemst (anno 1777)

Vandaag is Wormelaar een natuurgebied beheerd door Natuurpunt vzw . We maakten er een wandeling en kwamen terecht in een zomerse plensbui die maar niet ophield en hadden af te rekenen met zwermen regendazen die ons bleven lastigvallen.  We zetten echter dapper door in dit oude en mooie natuurgebied al werden we drijfnat. We hadden 27°C verwacht en slechts onweer tegen de avond. Een kawe-regenjas die lekte, een regenponcho die niet dazenproof was, een plu die alsmaar dichtviel omdat het weerhaakje niet hield, … Ongestoord wandelden we verder.  Waarom hadden we de buienradar ook niet beter geraadpleegd? Het ijssalon De Kleine Linde  werd de afsluitende troost voor de  verregende wandeling. Een superlekker ambachtelijk ijsje met aardbeien en slagroom, we hadden het verdiend, zo oordeelden we. 🙂