Il ragazzo selvatico – De buitenjongen – Paolo Cognetti****

Il ragazzo selvatico, 2013 van Paolo Cognetti naar het Nederlands vertaald voor De Bezige Bij door Y. Boerke en Patty Krone als De buitenjongen, 2018 sluit aan bij de roman Le otto montagne of De acht bergen, onlangs verfilmd door Felix Van Groeningen en Charlotte Vandermeersch. De film sleepte in mei van dit jaar op het 75ste filmfestival van Cannes de prijs van de jury in de wacht

De buitenjongen is eigenlijk een dagboek dat verhaalt, filosofeert over wat een eenzaam verblijf in een afgelegen, gerestaureerde almhut in de bergen van Val d’ Aosta met een mens doet. De verteller draagt zijn boek op aan Gabriele, locale vacher of koeherder,  en Remigio, verhuurder van de berghut, zijn leermeesters in de bergen en hij schrijft ter nagedachtenis van  Chris McCandles, zijn inspiratiebron.

Winter

Seizoen van de slaap

Ik was dertig en voelde me futloos, verloren en ontgoocheld, zoals je je voelt wanneer iets dat je onderneemt op niets uitloopt.(…) Romans stonden me in die dagen tegen, maar ik voelde me wel aangetrokken tot verhalen van mensen die de wereld hadden afgewezen en de bossen waren ingegaan om de eenzaamheid te ervaren.

Lente

Seizoen van afzondering en beschouwing

Aankomst eind april in de almhut en eerste verkenningstochten van het gehuchtje Fontane waar nog drie andere onbewoonde, vervallen almhutten iets hogerop staan.

Ik vertegenwoordigde tegelijkertijd de meest vooraanstaande en de tot armoe vervallen bewoner, de adelijke grondeigenaar en de trouwe opzichter, de waard de dronkenlap, de rechter, de dorpsgek: ik zat opgescheept met zoveel ik’s dat ik soms ’s avonds een ommetje door het bos ging maken om alleen te zijn.

Hij wil een moestuin aanleggen en moet daarvoor een stuk wilde weide omwoelen. Bij nader beschouwing vindt hij … in bebouwde velden rust de vrijheid.(…) Daar lag mijn vrijheid begraven.En de vrijheid van de reeën. En zelfs de vrijheid van het veld.

Slapen lukt niet goed

Hij leest Walden van Thoreau: Ik heb nooit een kameraad gevonden die zo kameraadschappelijk is als de eenzaamheid. (…) Zo kunnen wij ook dankzij lichamelijke en geestelijke  gezondheid en kracht, voortdurend worden opgebeurd door een soortgelijk maar normaler en natuurlijker gezelschap, en aan de weet komen dat we nooit alleen zijn.

Hij krijgt in juni buren nl. Gabriele, de koeherder, die wat hogerop woont en dagelijks de koeien naar de weide brengt. Omdat hij een paar verdwaalde kalveren weer bij de kudde weet te brengen nodigt Gabriele hem uit op het avondeten.

Ik was niet veel waard als kluizenaar: ik was naar Fontane gekomen om alleen te zijn maar deed niets anders dan gezelschap zoeken. Misschien was het wel mijn situatie die elke ontmoeting zo welkom en zo waardevol maakte. Na twee maanden in de almhut liep tegelijk met de lente ook mijn seizoen van de afzondering op zijn eind.

Zomer

Seizoen van vriendschap en avontuur

Samen koken voor en eten met Gabriele en het Petrus vreugdevuur eind juni aansteken smeedt vriendschap tussen beide ‘subversievelingen’.  Remigio en zijn moeder worden geholpen bij het hooien: Zij bijna tachtig, broodmager, onvermoeibaar, verweerd als boomschors, en ik, stedeling van goede wil met een tere huid, vormden een merkwaardig stel achter de door haar zoon bestuurde tractor.

En Renzo, de alpengids en kliminstructeur, aan wie hij tijdens het hooien terugdenkt, die hem als knaap vertrouwd maakte met het bergklimmen en aan wie hij de mooie herinnering bewaart van ‘onze eigen Himalaya’.

Op een avond wordt hij door Remigio uitgenodigd en ontdekt hij een oude schrijfmachine: Er zat een vel papier in en op het vel één zin: Wie weet of ik ooit weer zo zal kunnen schrijven als vroeger. Het zat er als rwintig jaar en was van zijn vader die daarna overleed. Paolo/ik-verteller herkent zijn eigen twijfel , ik schreef al maanden niet en was bang dat ik nooit meer een letter op papier zou krijgen.

Remigio erft de ouderlijke almhut en restaureert ze helemaal eigenhandig, kan er echter niet wennen zelf en verhuurt ze. Beter het behekste huis te laten aan iemand die dat allemaal niet wist.

In deze almhut belandt Paolo/ik-verteller in de hoop zijn schrijverschap terug te vinden.

Op dagelijkse tochten de gemzen observeren, bivakeren in het wild en Primo Levi lezen en in augustus verblijf krijgen in de afgelegen berghut van Davide en Andrea, twee huttenwaarden, omdat je het trekken beu bent; op zoek gaan naar het meer dat er niet is en vervolgens met Andrea een top beklimmen die de naam van zijn familie droeg en dan met een groepje DE BERGEN IN.

Sommigen vinden het fijn om met een groep te lopen, anderen splitsen zich daar bijna zonder het te willen meteen van af: ik wilde graag naar de kam die ik al een keer had verkend, en ging dus die kant uit. Maar de ik-verteller maakt een inschattingsfout en een harde confrontatie met zichzelf is het resultaat. En dus kwam ik, languit op die steen, tot de conclusie dat mijn onderneming was mislukt.

Herfst

Schrijfseizoen

De ik-verteller komt terug naar de almhut en als lezer komen we heel wat over de verhuurder Remigio te weten; ze maken samen veel avondwandelingen. De ik-vertellers vader duikt op  en nadat hij vertrokken is, begint hij te schrijven. Hij  krijgt gezelschap van de hond, Lucky en geleidelijk aan vertrekken alle almbewoners terug naar het dal. De eerste sneeuw valt, het is oktober en alles valt uit in de almhut: gas , elektriciteit, … het leven in één klap gereduceerd tot de absolute essentie.

‘Het einde is belangrijk in alle dingen’ volgens Hagakure. Er volgt een afscheidsdronk met Gabriele en Remigio.

‘Ik had drie stoelen in mijn huis’, schreef Thoreau ‘één voor eenzaamheid, twee voor vriendschap, drie voor gezelschap.’

Als ik daarboven iets goed heb gedaan, als ik één ding moet uitkiezen waar ik trots op ben, dan is het dat ik voordat ik vertrok mijn vrienden aan dezelfde tafel heb laten aanzitten, dat we het samen fijn hebben gehad.

Wie graag De acht bergen las, zal ook deze novelle erg appreciëren.

Het geknetter in de sterren – Jón Kalman Stefánsson

Het geknetter in de sterren is een roman die Ijslands bekendste auteur Jón Kalman Stefánsson reeds in 2003 schreef maar die pas in de lente van 2021 door uitgeverij Ambo|Anthos in het Nederlands werd uitgegeven in een vertaling van Marcel Otten.

Wanneer een zevenjarige jongen zijn moeder verliest, is het verdriet groot. Op een dag stapt er een vrouw uit de slaapkamer van zijn vader en maakt ontbijt voor hem. De vrouw gaat niet meer weg en wordt zijn stiefmoeder. De band tussen de twee verloopt stroef. De stiefmoeder is een autoritaire vrouw van weinig woorden. De jongen is vaak eenzaam, maar vindt troost bij zijn tinnen soldaatjes. Een bont gezelschap aan vrienden en bekenden rondom de flat waarin hij woont zorgen voor de nodige spanning in zijn leven. In deze roman wordt de lezer meegenomen in het leven van vier generaties van een IJslandse familie. De jeugd van de jongen, de markante overgrootvader die door zijn overmatige alcoholgebruik zijn gezin regelmatig naar de rand van de afgrond loodst en een bijzonder liefdesverhaal voeren de boventoon.1

Het is een roman die om slow reading vraagt omwille van de poëtische, fantasierijke taal en die hoofdzakelijk vanuit het vertelperspectief van een zevenjarige jongen wordt verteld. Over vier verhaaldelen lopen achttien hoofdstukken die elk uit korte subhoofdstukken zijn samengesteld met titels die de lezers aandacht en nieuwsgierigheid op scherp stellen (De schaar, Overgrootvader, Alsof iemand haar vergeten heeft, De macht van het zwijgen, …). Door de verschillende Ijslandse plaats- en persoonsnamen wordt het soms wel moeilijk om zowel plaatsen als personen – slechts buitenstaanders dragen namen, familieleden steevast ‘de moeder’,’de stiefmoeder’, ‘de overgrootmoeder’, ‘de opa’, ‘de oud-tante’ … – uit elkaar te houden. Dat de roman autobiografische trekken heeft, wordt ook duidelijk als Stefánsson op zijn persoonlijke familie-en voornaam toespelingen maakt in het verhaal (hij heet natuurlijk Jón, een onbeduidender naam kun je nauwelijks hebben). Hij kruipt helemaal in de gevoels- en gedachtenwereld van de jongen en weet op treffende wijze de emotie door het verlies op jonge leeftijd van ‘de moeder’ weer te geven. De tinnen soldaatjes, de Britse en de Duitse, worden regelmatig in stelling gebracht, zijn helpers bij huiswerk, troosters wanneer die emoties zich aandienen vb. bij het verschijnen van ‘de stiefmoeder’ op een ochtend uit vaders slaapkamer. Van deze noordelijke Ijslandse weet de auteur heel nauwkeurig de zwijgzame ingekeerdheid en stugheid via de gedachten van de jongen ‘in de taal te trekken’.

Rode draad is de verhaallijn van de overgrootouders, en van de overgrootmoeder die een verhouding begint met een kapitein waar grootvader, -oom en -tantes pas ten volle weet van krijgen op het ogenblik dat overgrootmoeder overlijdt.

In het twaalfde hoofdstuk, wanneer de verteller in 2002 inbreekt in de flat waar hij opgroeiede, vindt hij alles veranderd. De vader en de stiefmoeder zijn afwezig. Op een blaadje schrijft hij hen over zijn bezoek en dat hij op zoek was naar zijn thuis maar ‘ik vond alleen maar een appel, whisky en een cd.‘ En hij geeft zijn interpretatie van het woord thuis en vraagt of die klopt. ‘Ik weet het niet maar naar alle waarschijnlijkheid is thuis het meest duistere maar tevens het meest heldere woord van onze taal. We zouden het woord voorzichtig moeten gebruiken.

Het sterrenmotief doorspekt het hele verhaal. Ze verschijnen en verdwijnen aan de hemel. Zo worden ‘de vader’ en ‘de zevenjarige’ ‘twee sterren en ertussen een oceaan van duisternis’ zittend op de ‘knorrige’ rode sofa destijds door ‘de moeder’ aangeschaft.

Zes levens, hondervijftig jaar en een roodharige zeeman. Ik heb natuurlijk de hele taal uit de kast moeten halen om zo goed als het ging over hen te vertellen‘ zegt de verteller op het einde. En dat heeft Jón Kalman Stefánsson op poëtisch gevoelige, soms geestige maar vaak melancholische ondertoon (Het voelt als een vage maar diepliggende pijn) virtuoos gedaan.

  1. NBD Biblion L. Kester

Mijn lieve gunsteling – Marieke Lucas Rijneveld

De wreedheid van Marieke Lucas Rijneveld is gegroeid, recensie van Marie-José Klaver in Neerlandistiek

Marieke Lucas Rijneveld kan het. Ze kan het echt. Mijn lieve gunsteling is vele malen beter dan haar debuut waarvoor ze de International Booker Prize won. Rijneveld is voor haar tweede roman in de hoofden van een 49-jarige veearts en een 14-jarige boerendochter gekropen die elkaar bij de wekelijkse koeiencontrole op de boerderij van de vader van het meisje hebben leren kennen.

Omslag Mijn lieve gunsteling

Onlangs werden de Grote Drie, zoals criticus Kees Fens Harry Mulisch, Gerard Reve en Willem Frederik Hermans noemde, in de media ten grave gedragen, zonder enige discussie over de kwaliteit van hun werk. Jan Wolkers hoorde eigenlijk ook bij de Grote Drie. Over Wolkers kun je ook moeiteloos beweren dat hij een egocentrische, witte man was die seksistisch schreef. Maar zonder Wolkers zouden we geen Rijneveld hebben. Rijneveld is gaan schrijven toen ze Wolkers ontdekte op de lerarenopleiding Nederlands. Ze werd geraakt door ‘de natuur, het geloof, de seksualiteit, de dieren en vooral zijn prachtige taal’, zei ze in een interview met NRC Handelsblad. De echo van Wolkers klinkt ook in Rijnevelds nieuwe roman door. Dat beperkt zich niet tot de inhoud, het omslag van Mijn lieve gunsteling lijkt veel op dat van De walgvogel (1974) van Wolkers. De onmogelijkheid van de liefdes en de rol van de vaders in Mijn lieve gunsteling en De walgvogel tonen ook overeenkomsten. Mijn lieve gunsteling is met het vele malen voorkomende ‘praaldier’ en de verwijzingen naar ‘lieve jongens’ ook een ode aan Reve, wiens werk de veearts aan zijn ‘lieve gunsteling’ voorleest om haar ervan te overtuigen dat onmogelijke en verboden liefdes de mooiste zijn.

Mijn lieve gunsteling is prachtig geschreven. Rijnevelds stijl en en haar beeldrijke taalgebruik, kenmerkend voor De avond is ongemak (2018) en haar dichtbundels Kalfsvlies (2015) en Fantoommerrie (2019), zijn nog veel beter geworden. De vergelijkingen in Mijn lieve gunsteling zijn subliem. Kwets nooit het leven en snijd nooit in levend vlees, leerde de veearts tijdens zijn opleiding. Toch schendt hij het jonge meisje dat hij vergelijkt met een zweer die hij met een ‘hoefmes uit de klauwlederhuid’ had moeten verwijderen en misschien slechts had moeten ‘reinigen en droogwrijven’. Later omschrijft de veearts het meisje als ‘een kalf in stuitligging in de kraamkamer van mijn verziekte verlangens’. De  manier waarop Rijneveld over koeien schrijft, is ongeëvenaard. De blaarkoppen spelen op vrijwel elke bladzijde een rol, en dat wordt nooit saai.

Rijneveld vertelt een wreed verhaal dat wordt ingeleid door drie regels uit psalm 139, in een vertaling van Anton Korteweg.

Ken me dan maar

weet wie ik ben

en doe maar

-Psalm 139

Psalm 139 staat bekend als een pleidooi van onschuld waarin om vrijspraak wordt gevraagd. Tegelijkertijd kan dit citaat gelezen worden als de wens van de 14-jarige boerendochter om vleselijk gekend te worden door de veearts en zich aan hem over te geven.

Uit de innerlijke monologen van de verliefde pedofiel blijkt dat hij al jaren geobsedeerd is door het meisje. Hij is aan het groomen en rechtvaardigt zijn seksuele obsessie door steeds te wijzen op de door hem waargenomen seksuele behoeftes van het kind, dat nog Roald Dahl en Harry Potter leest en een buitenboordbeugel en een ringetje met een lieveheersbeestje heeft. Hij denkt dat zij voortdurend met seks bezig is. De veearts denkt vaak voor anderen: voor de boerenknechten die het meisje met rust laten en voor de vader.

Waar het allesoverheersende kindperspectief mij in De avond is ongemak soms iets te veel werd, snakte ik in Mijn lieve gunsteling naar de visie van het kind. Wat de veearts wil, is duidelijk, maar wat wil zij? En wie vertelt wat zij wil?

Mijn lieve gunsteling is niet alleen een gruwelijk goed boek, het is ook gedurfd. Bij de introductie werd aangekondigd dat het boek snel in het Engels vertaald wordt. Je vraagt je meteen af hoe dit buitengewoon expliciete boek over pedofilie vol wreedheden jegens mens en dier op de Angelsaksische markt zal worden ontvangen. Het relatief onschuldige De avond is ongemak vormde al een probleem voor de sensitivity readers die Engelse en Amerikaanse uitgevers inhuren om te voorkomen dat lezers overstuur raken door fictie. Hopelijk gaan Rijneveld en haar uitgever pal staan voor een ongecensureerde vertaling van Mijn lieve gunsteling. Iedereen verdient het dit boek in zijn geheel te lezen.

bron: Neerlandistiek – Online tijdschrift voor taal- en letterkunde, 5 november 2020

Zonder meer virtuoos in taal en stijl!

Il nero e l’argento – Het zwart en het zilver – Paolo Giordano*****

Als de tijd me ontbreekt om kleppers van romans te lezen, grijp ik naar verhalenbundels, novelles of miniromans. In elk geval een verhaal dat in een eerder korte tijdspanne gelezen kan worden zodat ik de namen van de personages of het verloop van de verhaallijn niet opniew moet proberen te achterhalen nadat ik het boek noodgedwongen een tijd ter zijde heb gelegd. Dat is één van de redenen dat ik Il nero e l’argento (2014) van Paolo Giordano vertaald voor De Bezige Bij als Het zwart en het zilver (2014) meenam. En dat was een gelukkige keuze want ik werd in het verhaal gesleept als in een niet te ontwijken stroomversnelling waarin ik mee moest, geen ontkomen aan.

Een ware ode aan Signora A. , weduwe, huishoudster en later ook nanny  bij het jonge moderne gezin van  Arno en Nora. Arno, academisch natuurkundige, en Nora,  interieurarchitecte, hebben een tamelijk druk leven. Signora A. wordt in het gezin gehaald wanneer Nora het bed moet houden vóór de bevalling van hun eerste kind Emanuele. Nadien blijft ze als de bijzonder toegewijde nanny van Emanuele en degene die op pragmatisch, zelfverzekerde wijze het evenwicht in dit jonge gezin weet te bewaren. Deze steun en toeverlaat, wiens invloed groter is dan door haar werkgevers wordt vermoed, wordt echter ongeneeslijk ziek.  Signora A. trekt zich terug en de gevolgen voor de relatie van Arno en Nora zijn desastreus. Toegewijd tot haar laatste ademtocht, roept ze hen nog een laatste maal bij zich.

Het zwart en zilver van de titel slaat op de verschillende persoonlijkheden van Arno en Nora

‘Ik sta stil bij de door Galenus geopperde overeenkomst tussen kanker en melancholie, die beide veroorzaakt worden door een teveel aan zwart levenssap. Terwijl ik lees, is het net of ik het kleverige sap, een stroom teer, door mijn lymfatisch systeem voel stromen, waardoor het verstopt geraakt.’ (blz.94)

“Ik denk dat de stewardess geen idee  heeft van het zwarte levenssap, zoals trouwens ook Nora, die tegen mijn schouder gevlijd ligt te slapen, er weinig van weet. Ik kijk naar haar weifelend tussen tederheid en jaloezie. Haar levenssap is licht, helder en ondanks alles overvloedig. Ik ben ervan overtuigd dat haar vitaliteit onuitputtelijk is, dat niets, ook niet het meest onherstelbare verdriet, zelfs niet de diepste rouw, haar tegenhoudt. Uiteindelijk zijn we bijna nooit gelukkig of ongelukkig door wat ons overkomt, we zijn het een of het ander afhankelijk van het levenssap dat in ons stroomt, en het hare is vloeibaar zilver, het witste van alle metalen, de beste van alle geleiders, het metaal dat het felste weerkaatst. De troostrijke gedacht dat zij zo sterk is, vermengt zich met de angst dat ik niet echt onmisbaar voor haar ben, en dat een van de talloze manieren waarop ik aan haar vastzit die van een bloedzuiger is, die het leven uit een ander zuigt, een enorme parasiet.” (blz.95)

“Ik wist zeker dat nora’s zilver en mijn zwart langzaam met elkaar vermengd raakten en dat er uiteindelijk dezelfde bruine, metaalachtige vloeistof door ons beiden zou stromen.[…] En we waren er samen van overtuigd geraakt dat het vuurrode levenssap van Signora A. aan het onze nog een schakering zou toevoegen, waardoor de soortgelijke dichtheid ervan zou toenemen en wij sterker zouden worden. Ik vergiste me. We vergisten ons.[…] In weerwil van wat we hoopten waren we niet in elkaar op te lossen.” (blz 144 -145)

Maar Signora A. speelt nog mee en dat verwoordt Giordano in een beklijvende metafoor: “Ze behoorde tot het soort struiken waarvan de wortels in de scheuren van de muren kruipen, langs de randen van het trottoir, tot het soort klimplanten dat genoeg heeft aan een spleetje om zich vast te hechten en de hele gevel van een gebouw te bedekken. Ze was onkruid, Signora A. maar van het edelste soort.”(blz.154)

Het moet een autobiografische ervaring geweest zijn die Giordano in staat stelde om dit verhaal van liefde en eenzaamheid in de liefde, van verlies en de verwerking ervan zo herkenbaar en puntgaaf te verwoorden zonder pathetisch sentimenteel te worden. Het is een doorleefd, warm relaas dat blijk geeft van een groot psychologisch inzicht. Giordano heeft een meesterlijk oog voor detail, voor het evoceren van ingehouden verdriet en verlangen, voor katalyserende momenten in het fluïdum van de liefde, voor de realiteit dat een overledene in haar afwezigheid intens aanwezig kan zijn. Een kleinood van een roman.

How to Love | Intimiteit | Legendarische zenboeddhistmonnik en leraar Thich Nhat Hanh over “Interzijn” | Brain Pickings

9200000015511660Bij Brain Pickings ontdekte ik onlangs hoe Maria Popova Thich Nhat Hanhs boekje FidelityHow to love – naar het Nederlands vertaald als Intimiteit voor BBNC uitgevers, Amersfoort, 2013 – voorstelde als een must read. Een advies dat ik alleen maar kan onderschrijven. Het is een kleinood van mindfulness-lering. Ik wil in dit verband meteen ook melding maken van de Stichting Leven in Aandacht. Zij bevordert studie en beoefening van het boeddhisme, met name in de traditie van zenleraar Thich Nhat Hanh, Vietnamese zenmonnik, in het Nederlandse taalgebied.

Wat betekent liefde precies? We hebben er definities aan gegeven; we hebben haar psychologisch onderzocht en beschreven in filosofische context; we hebben er zelfs een wiskundige formule voor bedacht. En toch, iedereen die ooit van ganser harte deze sprong in vertrouwen heeft genomen, weet dat de liefde een mysterie blijft – misschien hét mysterie van de menselijke ervaring. Leren om te voldoen aan dit mysterie met de volle authenticiteit van ons wezen – ervoor opkomen met de absolute helderheid van intentie – dat is de dans van het leven. Dat is wat de legendarische Vietnamese Zen Boeddhistische monnik, leraar, en vredesactivist Thich Nhat Hanh (b 11 oktober 1926.) onderzoekt in How to LoveIntimiteit – een dunne, eenvoudig geformuleerde verzameling van zijn onmetelijk wijze inzichten over het meest complexe en meest lonende menselijk potentieel.

Immers, volgens de algemene praktijk van boeddhistische leringen dient Nhat Hanh gedestilleerde infusies van helderheid toe, duidelijkheidshalve gebruik makend van eenvoudige taal en metaforen die de meest elementaire zorgen van de ziel vatten. Een actieve inzet is de belangrijkste vereiste zonder te bezwijken voor het Westers pathologisch cynisme, ons gebrekkig mechanisme van zelfbescherming  dat gemakkelijk alles wat oprecht en waar is afdoet als simplistisch of naïef – zelfs als, of juist omdat we weten dat alle waarheid en oprechtheid juist eenvoudig is op grond van haar waarheids- en oprechtheidskarakter. (vertaling, BK)

What does love mean, exactly? We have applied to it our finest definitions; we have examined its psychology and outlined it in philosophical frameworks; we have even devised a mathematical formula for attaining it. And yet anyone who has ever taken this wholehearted leap of faith knows that love remains a mystery — perhaps the mystery of the human experience.Learning to meet this mystery with the full realness of our being — to show up for it with absolute clarity of intention — is the dance of life.That’s what legendary Vietnamese Zen Buddhist monk, teacher, and peace activist Thich Nhat Hanh (b. October 11, 1926) explores in How to Love (public library) — a slim, simply worded collection of his immeasurably wise insights on the most complex and most rewarding human potentiality.Indeed, in accordance with the general praxis of Buddhist teachings, Nhat Hanh delivers distilled infusions of clarity, using elementary language and metaphor to address the most elemental concerns of the soul. To receive his teachings one must make an active commitment not to succumb to the Western pathology of cynicism, our flawed self-protection mechanism that readily dismisses anything sincere and true as simplistic or naïve — even if, or precisely because, we know that all real truth and sincerity are simple by virtue of being true and sincere.*

How to Love: Legendary Zen Buddhist Teacher Thich Nhat Hanh on Mastering the Art of “Interbeing” | Brain Pickings.

%d bloggers liken dit: