Den tid det tager – De tijd die nodig is – Jens Christian Grøndahl

In De tijd die nodig is, Meulenhoff, 2008 kijkt Jens Christian Grøndahl naar drie generaties vrouwen door de ogen van de 48-jarige Ingrid Dreyer, single moeder en succesvolle architecte. Haar oma, moeder en zijzelf blijken allen een aperte weerstand tegen geluk te hebben. Oma Ada (schrijfster), moeder Berthe (literair journaliste) en dochter Ingrid breken uit een huwelijksrelatie waarin ze ‘schijnbaar’ alles hebben. Toch vallen ze voor de  passionele liefde, de begeerte of het verlangen ernaar. Het is Ingrid die haar leven reconstrueert in een tijdspanne van vier dagen (Donderdag, Vrijdag, Zaterdag en Zondag) nadat ze op zakenreis in Stockholm het bericht ontvangt dat haar 15-jarige zoon Jonas op het politiebureau zit omdat hij een allochtone jongen een hersenschudding schopte.

Als ze op die jaren terugkijkt, is het net of ze haar ogen tegen een telelens houdt, die een beperkte uitsnede vergroot door de tussenliggende afstand samen te persen en onherkenbaar te versluieren. Blz. 21

Als haar de vrije loop wordt gelaten, vormt de liefde zich naar haar eigen zin en geen banaal detail dat er door wordt verzacht en vertederd. Blz. 21

Ze had Anders misschien nooit verlaten als ze Frank niet had ontmoet, of misschien ook wel. Ze had het misschien wel in zich, als een holte, een onontdekte lege ruimte waar dat wat er was meer ruimte had moeten innemen dan het bleek te doen. Blz. 22

Niet de perfecte of harmonieuze liefde is JCG’s  werkterrein,  maar de onmogelijkheid tot liefde, de beschadigde liefde, of op zijn minst de onvolkomen liefde.  [Ze is] een stabiele kracht – niet alleen als ankerpunt in de chaos van het leven, maar ook, en misschien wel vooral, in haar willekeur.[…] Zijn personages ervaren een afstand tussen de wereld en henzelf, en doorvoelen dat de mens in essentie alleen is. […] De mens is meer dan alleen: hij is ook bijzonder gebrekkig.

In interviews erkent Grøndahl de betrekkelijke monomanie in zijn werk. In november 2008 liet hij optekenen: ‘Hoewel ik voor iedereen schrijf, ga ik er niet van uit dat iedereen iets aan mijn boeken heeft. Ik geloof niet dat ik mezelf voortdurend kan heruitvinden als schrijver. Ik schrijf om bepaalde redenen – redenen die ook voor mij deels verborgen zijn. Door te schrijven en steeds terug te keren naar mijn obsessies, ga ik naar die redenen op zoek. Ik kies in dat opzicht niet echt mijn thema’s – ze zijn daar. En ze zijn basaal: mannen en vrouwen, herinnering, tijd, verlangen’ (DSL 2008).

Altijd beschrijft Grøndahl, net als Proust, een specifieke aanleiding voor het verzinken in herinneringen. Er is een litteken of een wonde die door een bepaalde gebeurtenis wordt opengereten – de geur van het wondvocht werkt precies als een in een kop thee gesopt koekje en zet het onvrijwillige geheugen in gang. Aan de basis ligt altijd een trauma: een ongeconsumeerde liefde, een verkeerd uitgedraaide keuze, een ondraaglijk moment van willekeur, of, een favoriet onderwerp van Grøndahl, overspel.

In De tijd die nodig is, de overspelroman bij uitstek, pleegt iedereen het. De oorzaak is soms overduidelijk soms ook helemaal niet.

Ingrid en Frank: Ze kan het nog niet voelen. Zoals ze naast hem in de schemering ligt, leeft ze nog steeds in de hoop [dat hij zijn vrouw Lise verlaat, BK]. Die omgeeft haar als de draaiingen van een schelp. De hoop dat die dag komt. Dat het gewoon een kwestie is van het de tijd geven die het duurt. Blz. 234

Over Ada en Per en Norman en Berthe: Heel de droom van een provinciale kunstsnob over een symfonisch leven op het Kopenhaagse Parnas [de ouders van Ada ambieerden een muzikale carrière voor haar, BK]. Het was niet chic genoeg om bij je man weg te lopen omdat je nodig geneukt moest worden. Dat is overigens een uitstekende reden, maar jij zou dat ook niet chic genoeg hebben gevonden, hè moeder? Dan liever jezelf vinden, hè? Blz.305

Ada, Berthe en Ingrid: Drie vrouwen in een veel te groot appartement op een veel te grijze, stille zondag. Drie stadia van verwaand, overmoedig egocentrisme. ‘Bedankt voor de thee,’ zegt ze en staat op. Blz. 306

Interessant in bovenstaand verband leek me JCG’s idee over de constructie van een identiteit zoals hij die verwoordde op de viering van 10 jaar Het Beschrijf in de KVS in 2010 :

Odysseus, die ‘ver van Ithaka en van zijn rol van koning […] werkelijk niemand’ is, had misschien wel een verborgen reden  ‘voor al die omwegen op zijn thuisreis, naast de evidente dat er zonder de omwegen geen verhaal zou zijn gekomen. Misschien had hij ingezien dat het interessanter is om onderweg te zijn dan aan te komen. Het kan zelfs zijn dat hij onderweg, tijdens de bochtige onvoorspelbaarheid van de reis, ervaren heeft dat een mens nooit te reduceren is tot de vraag “waar” of “wat” je bent’.

Als schrijver, die bovendien geworteld is in een Europese canon, beseft [JCG] als geen ander dat, ‘tijdens de fasen van vluchtigheid en metamorfose in de levensreis’ de identiteit muteert van een statisch naar dynamisch fenomeen. Zijn is een illusie; ‘men is bezig te worden wat men in de eigen voorstelling nooit zou kunnen worden’. Grøndahl kan dan ook concluderen dat je identiteit precies het verhaal is dat ooit, op een bepaalde dag, valt te vertellen over wie je was, en wat je hebt meegemaakt. Iemand is wat hij vertelt.

Identiteit is voor Grøndahl bij uitstek een activiteit – het overkomt je niet, je maakt het. Het vormen van een identiteit is een recht, uiteraard, maar wellicht ook een plicht van de mens – zoals vroeger, toen iedereen met een identiteit werd geboren, wordt het niet meer.

Precies dat is wat deze drie generaties vrouwen en hun ‘schepper’ doen: zichzelf een identiteit geven en voor de oudste van de drie was dat alles behalve evident:

De rest van het gezelschap was al naar de auto’s, maar Per bleef staan. Hij had het over de vrouwelijke Einzelgänger uit die tijd, over hun eenzaamheid, hun wildheid en hun rauwe verlangen om uit te breken. De vrouwen van Ibsen die in onzekerheid verkeerden als Nora of in het duister als Hedda die zich een kogel door het hoofd schoot. Ingeborg Stuckenberg die met de tuinman naar Nieuw-Zeeland  was vertrokken en haar dichter en de kinderen achterliet. Alleen om in diepe ellende weg te zinken en tenslotte de uitweg van Hedda te kiezen. De tuinman had wel voor een retourticket gezorgd maar alleen voor zichzelf. Blz. 291

De tijd die nodig is om het verhaal van deze drie vrouwen te vertellen is ook thematisch een reis door de tijd waarin ze leefden, liefhadden en zichzelf een identiteit gaven in een relatief statische buitenwereld:

Ingrid, bewust van haar individuele metamorfose, alleen in het park van kasteel Rosenborg in Kopenhagen:

Ze vraagt zich af hoe vaak ze in de loop der jaren op één van de banken onder de krans van geknotte boomkruinen naar de hals van de zwaan heeft zitten kijken, die uitliep in een schuimende, verwarde pluim. Ze weet het niet, maar dit is zo’n plek die verandering aangeeft omdat hijzelf niet verandert. Blz. 120

Ingrid op bezoek bij oma Ada: Er is niets veranderd, dat is juist de verandering. Blz. 265

Er zijn dingen die verteld moeten worden zolang er nog tijd voor is, denkt Ingrid, en ze heeft het nu eens niet druk.[…] Zij tweeën samen in de tijd die het duurt. Blz. 267

De tijd die nodig is legt de pijn van het zijn of beter het worden op ongewoon indringende wijze bloot. De roman confronteert, verrast, schetst heel precies de wisselende tijdsgeest waarin een vrouwelijk emancipatieproces op gang kon komen maar idealiseert dat proces geenszins. Of je ‘iemand’ wordt, kun je zelf bepalen maar slechts ten dele. Grøndahl laat verstaan dat omstandigheden, leefomgeving en familie je eveneens onbewust sturen.

Met dank aan A. Van Caeneghem en Streven

 

 

The Green Road – Het groene pad – Anne Enright*****

Anne Enrights  ontroerende zesde roman keert terug naar het thema van haar Bookerprijswinnende The Gathering: een Ierse familie wordt door de omstandigheden gedwongen tot confrontatie met conflict, verlies en verandering.

het-groene-pad-anne-enright-boek-cover-9789023492092The Green RoadHet groene pad (2015)  –  vertaald naar het Nederlands voor De Bezige Bij door Molly van Gelder – speelt zich af in het graafschap Clare. De auteur heeft gekozen, zo vertelt ze in een nawoord, om de stad waar haar personages wonen, niet te noemen: ” Hiermee wil ik benadrukken dat dit een fictief verhaal is, bewoond door fictieve personages”  Het geeft  de lezer de mogelijkheid een rijkelijk opgeroepen landschap te bewonen, dat van het Ierland uit het recente verleden en daaronder het Ierland van de mythe.

Enrights saga confronteert de lezer met de matriarch Rosaleen Madigan, geboren Considine, en wellicht genoemd naar de heldin uit een populair Iers volkslied. Ook de groene weg van de titel van de roman is zowel een bestaande track over de Burren in County Clare  als een rotsachtig pad dat Rosaleen moet betreden in haar eigen ziel.

De vorm van de roman belichaamt perfect het thema van barsten en kloven in de (familie)relaties.  De roman begint met ons Rosaleen Madigans ruzieënde kinderen voor te stellen  naar rato van een hoofdstuk voor elk.  In het eerste fragment, Ardeevin 1980, wordt de jongste dochter Hanna door haar grootmoeder Madigan om een boodschap naar oom Bart Considine, apotheker, gestuurd. Haar moeder ligt dan al een paar weken in bed nadat ze van haar oudste zoon Dan te horen kreeg dat hij priester-missionaris wil worden. Later in de roman wordt Hanna, nu een mislukte actrice in Dublin, voorgesteld als in de war gebracht door haar eigen moederschap. Haar manier van ontsnappen is depressief worden, vluchten in de drank en in rond geduwd worden door haar ruwe partner.

Enright tovert een verdwenen tijd terug  in scherpe close-ups van details. Hanna onderzoekt haar stadje met de intensiteit van een visionair: “Daarna kreeg je de winkels: de manufactuur met de grote ruit, omrand met geel cellofaan; de slager met zijn vleesbakken, omlijst met bebloed kunstgras; en na de slager de zaak van haar oom, en van haar grootvader vóór hem: Apotheek en Drogisterij Considine.” (blz. 10) Ze bereikt de apotheek, met  “flesjes 4711 en badzeep van Imperial Leather in crème en donkerrode doosjes.” (blz. 12) Er heerst een vete tussen de Considines en de Madigans: “Emmet [Hannes jongste broer] zei dat opa Madigan in de Burgeroorlog was neergeschoten en dat opa Considine toen geweigerd had hem te helpen.”(blz. 29). Rosaleen Considine  is in de ogen van haar familie beneden haar stand getrouwd.

Het tweede hoofdstuk, New York in 1991, onthult Dan als een gerateerde priester in de New Yorkse gay scene. Het vertelperspectief wisselt van derde persoon naar een eerste persoon meervoud “wij’, waarbij een roddeltoon wordt aangeslagen die typisch is voor de freewheelende en opschepperige New Yorkse gay subcultuur van die tijd.

Dans broer, Emmet, die we ontmoeten in 2002, heeft een vluchtweg van ouders en familie gevonden die leidt tot Ségou in Mali, waar hij een zelfbewuste hulpverlener wordt , vol zelfspot: “Met een opgelucht gevoel reisde hij af naar de hoofdstad voor een week lang opgestopt verkeer en een enigszins beschermd verblijf met de mannen van de regering en de VN en de Voedsel- en Landbouworganisatie. Bamak was niet bepaald het vliegveld van Genève, maar het was evengoed een hele overgang. Emmet dacht soms dat hij een mooi kantoor zou willen met airco, Nespresso en Skype, maar dan dacht hij weer dat zijn zenuwinzinking door een mooi kantoor met airco haar kans schoon zou zien.” (blz. 115) Emmet probeert zijn koel te bewaren wanneer hij zich bezighoudt met de complicaties van het postkoloniale leven en wordt daarbij niet bepaald geholpen door zijn vriendin Alice, wanneer die een  schurftige hond adopteert die meer te eten krijgt dan het huispersoneel.

In tegenstelling tot haar broers en zussen, leidt Constance een ogenschijnlijk gewoon leven. Werk, echtgenoot, kinderen lijken haar te bepalen. We ontmoeten haar eerst in 1997, ze moet een mammogram ondergaan voor een verdachte tumor. Zij heeft een plichtsgetrouwe haat-liefde relatie met haar moeder Rosaleen, staat open voor het vreemde in alle mensen die ze ontmoet, koestert de eigenaardigheden van het dagelijks leven en het geheim van de echtelijke erotiek. Ze is de stille heldin-martelares.

In een tweede deel worden dan al deze diasporaleden van de Madiganfamilie samengebracht rond de kerstdis omdat ze vernomen hebben dat hun zesenzeventigjarige moeder besloten heeft de ouderlijke woning te verkopen en bij haar dochter in te trekken. Het traditionele familiefeest veroorzaakt echter een uiterst onaangename komische climax die dreigt uit te draaien op een catastrofe. Elk familielid ziet nadien op zijn manier de realiteit in en de onvolkomenheid van moederliefde. Bij hun zoektocht naar een andere woning voor Rosaleen tekenen Constances woorden de realiteit van die relatie: “ Toen Constance haar voor de laatste keer van het ziekenhuis in Limerick ophaalde, reden ze terug over de boogbrug langs Ardeevin. De ramen aan de voorkant waren dichtgetimmerd en het hek hing open, maar Rosaleen leek het huis niet te zien, het leek wel alsof het nooit had bestaan. Die avond ging Constance terug om wat rozen te plukken uit de verwaarloosde tuin en ze kwam doodmoe en alleen terug. Het ideale huis bestond niet, hoe zou het ook? Je kon het Rosaleen immers nooit naar de zin maken. Iedereen sloofde zich uit om haar tevreden te stellen, maar iedereen schoot tekort.”(blz.312)

Het groene pad bracht me terug naar de buitengewone en unieke natuur van county Clare, waar Anne Enright deze roman schreef op een moment dat ze zichzelf, in een midlife crisis, probeerde terug te vinden. Lange wandelingen langs het groene pad met de Atlantische Oceaan in haar blikveld, inspireerden haar. De onopgesmukte, vaak rauwe realiteit van haar proza ademt de Ierse ziel.

%d bloggers liken dit: