Orgelman. Felix Nussbaum. Een kunstenaarsleven – Mark Schaevers

Beschaving begon voor de mens met het kunnen reflecteren over zichzelf, met de zin voor creatie en schoonheid. Grottekeningen, beeldhouwwerken, monumentale gebouwen, schilderijen willen iets uitdrukken van wat de mens in een bepaalde tijd bewoog, overkwam, beangstigde, ontroerde, beoogde. Het boek dat ik de voorbije dagen las, had ik op geen betekenisvoller moment in de tijd kunnen lezen. Het vluchtelingendebat dat al enkele jaren in onze media woedt en waar ‘Fort Europa’ geen oplossing voor blijkt te vinden, lijkt wel een  grootschaliger herhaling van wat zich gedurende de Tweede Wereldoorlog in Europa afspeelde ten aanzien van de joden. Dictatoriale regimes, oorlog, religieuze conflicten, klimaatverandering met armoede tot gevolg, hebben een migratiestroom op gang gebracht waar de Europese Unie geen blijf mee weet. Andermaal staan dus mensen aan de grenzen van verschillende Europese landen en vragen om asiel.

Omslagbeeld wv 293 – Selbstbildnis mit grüner Kopfbinde, 1936 – Felix Nussbaum

Het boek van Humo-journalist Mark Schaevers Orgelman. Felix Nussbaum. Een kunstenaarsleven, Bezige Bij, A’dam, 2014 – waarvoor hij in 2015 de Gouden Boekenuil in ontvangst mocht nemen – maakt aan de hand van het leven van de Joodse kunstenaar Felix Nussbaum uit Osnabrück, Nedersaksen, Duitsland, duidelijk hoe minutieus, doelgericht en meedogenloos het nazi-regime  ‘de oplossing’ voor de uitroeiing van de Joden orchestreerde. Nussbaum verbleef behalve in Rome, Parijs en de Italiaanse Rivièra ook geruime tijd in Oostende en Brussel op steeds weer andere onderduikadressen samen met zijn levensgezellin Felka Platek. In Duitsland werd zijn oeuvre in de jaren 30 van vorige eeuw volledig vernietigd, maar hij bleef als exilkunstenaar verwoed verder schilderen in het bewustzijn en de existentiële angst dat als hij deze nazi-waanzin niet zou overleven, zijn schilderijen dat hopelijk wel zouden doen en komende generaties duidelijk maken in welke barbarij  de wereld terecht was gekomen.

Ik laat hier verder Kurt De Boodt aan het woord in zijn recensie voor Ons Erfdeel:

Schilderijen willen gezien worden. Ze snakken naar kijkers. In duisternis verschrompelen ze tot een herinnering die gaandeweg vervaagt. Zonder licht op hun verfhuid én de weerspiegeling in onze ogen bestaan ze hooguit materieel. Niet “werkelijk”. Niet als beelden die iets losmaken. Niet als verf die kleuren uitdraagt naar de buitenwereld of als een getuigenis van een schildersleven, een tijdgeest, de condition humaine. Zonder kijkers vinden schilderijen geen weerklank in het zichzelf voortdurend updatende web dat beeldende kunst heet.

Het overkwam Felix Nussbaum (Osnabrück, 1904) een kwarteeuw lang nadat de nazi’s in september 1944 in Auschwitz-Birkenau zijn laatste levensspoor hadden uitgewist. Pas in 1970 begonnen schilder en oeuvre aan een revival, nadat 117 schilderijen die Nussbaum in 1942 had ondergebracht bij een Brusselse kunsthandelaar, waren vrijgeven. Steeds meer werken kwamen aan het licht. Ontstellende schilderijen van een ontredderde mens in een ontmenselijkende tijd. Hoe langer hoe meer werd Nussbaums werk naar waarde geschat, met alle materialistische bijverschijnselen: veilingprijzen die de hoogte ingaan, vervalsingen, dubieuze verkopers, bedroevend gesjacher met tijdens de Tweede Wereldoorlog ontvreemd erfgoed. Het wolvengedrag kon er blijkbaar nog bij. Het allerbelangrijkste blijft de slotsom: vijfhonderd werken zijn weer aan het licht gekomen. Voor de Joodse gemeenschap en al wie met de twintigste eeuw in het reine wil komen, liet Nussbaum als slachtoffer en schilder van de Holocaust (en veel meer dan dat) een onschatbaar symbolisch kapitaal na.

Nussbaum is geen beeldenstormer, geen avant-gardist maar een stille nabeschouwer. Net als René Magritte is hij bovenal een beeldenmaker die het atelier – de eigen leefkamer – schoon achterlaat. Als ze eenmaal zijn gezien, komen de beelden los van de drager en prenten ze zich in ons geheugen. Vandaag maakt Nussbaums oeuvre deel uit van de twintigste-eeuwse schilderkunstige canon. Mark Schaevers schreef over deze wonderlijke wederopstanding een spannend boek dat de schilder en diens oeuvre stap voor stap tot leven wekt.

Gemaskerde schilder

Mark Schaevers laat Nussbaums schildersleven aanvangen in Oostende, op 4 maart 1935 tijdens carnaval. De ‘intrede in Oostende’ roept meteen Ensors meesterwerk voor de geest, De intrede van Christus in Brussel: zelfportret, lijden, satire én verzet tekenen Ensor en Nussbaum ten voeten uit. Het is een gelukkige vooruitblik. Nussbaum treedt gemaskerd zijn biografie binnen. In Oostende wordt de schilder de Nussbaum zoals we hem ons vandaag (opnieuw) herinneren. Op het podium van de maskerwedstrijd schouwt niemand minder dan James baron Ensor de gemaskerden: “de maskerschilder neemt notitie van de gemaskerde schilder”. Hier en nu legt een schildersleven zich in een bepalende vorm. De schilderijen met maskers uit het “maskerjaar” 1935, die Schaevers ons overigens pas op bladzijde 140 laat zien, vormen een eerste scharnierpunt. Een jaar later laat Nussbaum de maskers als rekwisiet vallen. De twintig zelfportretten die hij in 1936 maakte, peilen niet zozeer naar de binnen- als wel naar de buitenwereld.

Hoe sta ik in dit leven? Hoe tekent dit leven mij? Het gelaat is een leeg canvas waarop de schilder uit een breed palet emoties aanbrengt, als een acteur voor de spiegel. Het gezicht is een rembrandteske tronie. Ik is telkens weer een ander. In de vertekening en uitvergroting schuilt de waarheidsgetrouwe weergave van groteske jaren.

Nussbaum wordt pas in exil Felix Nussbaum. Hij is als Duitse Jood zijn land uitgejaagd. Hij moest zijn verblijf aan de Duitse academie in Rome – de zonnige Villa Massima waar elke kunstenaar over een eigen atelier beschikte, een ongeziene luxe – in 1933 onverhoeds afbreken nadat Hitler tot Rijkskanselier was benoemd. Bittere speling van het lot: de beeldhouwer Arno Breker huist in Rome in het atelier pal naast dat van Nussbaum. Breker werd tijdens de oorlog Hitlers hofkunstenaar. Het nazisme maakte de ene kunstenaar en kraakte de andere. Het nationaalsocialisme ontnam Nussbaum uiteindelijk zijn nationaliteit, zijn identiteitsbewijs, zijn bestaan én de herinnering aan dat bestaan. Heeft de oorlog de schilder soms ook niet gedeeltelijk gemaakt?

Zeker. Maar het is geenszins de verdienste van de nazi’s, die moderne kunst juist “ontaard” verklaarden, maar louter van Nussbaums bewonderenswaardige weerbaarheid. De schilder die uitmunt in (zelf)portretten van een bewogen tijd, overtreft zichzelf naarmate de toestand heikeler wordt. Dat is terugblikkend het godswonder: hoe meer de mens ten onder gaat, hoe sterker de kunstenaar groeit.

Ontnuchterende schilderijen

In 1939 schildert Nussbaum vier schilderijen die zijn emigrantenbestaan oproepen. Kijk maar, het is zoals Schaevers noteert: “Het oorlogsgevaar focust zijn werk, elk doek is goed.” De ontnuchterende schilderijen die Nussbaum na zijn verblijf achter het prikkeldraad van het Vichy-concentratiekamp in Saint-Cyprien maakte, dat cynische onderkomen op het strand aan de Middellandse Zee, hakken erin als scènes uit de hel van Jheronimus Bosch. Ziehier de mens: een schijtend hol boven een verroeste ton. Een tweede breuklijn, na Oostende, tekent zich in het schildersleven af: “Saint-Cyprien, zeggen die schilderijen, is een scheur in zijn bestaan, een stuk vrolijkheid is voorgoed weggelekt. Het prikkeldraad zal nooit meer uit zijn gedachten en zijn werk verdwijnen. Saint-Cyprien was zijn intrede in de wereld van de vernedering, zonder recht van retour.” En toch: bij zijn terugkeer in Brussel werkt Nussbaum het ene meesterwerk na het andere af. Op een Brusselse binnentuin toont hij trots zijn Jodenpas. Het “notenboompje” (koosnaam door zijn vrouw Felka, een complexe figuur in de schaduw) is geknakt, maar nog lang niet geveld. Op zijn laatste zelfportret, in ontbloot bovenlijf achter de schildersezel, kijkt Nussbaum ons – en de voortmalende oorlogsmachine – verbeten aan. Zie mij schilderen. Zie mijn enige verweer. Dit breekbare verzet waarin ik uitmunt. Alleen mijn kunst kan nog mijn wereld redden.

De wandelende jood

Op Nussbaums laatste schilderij, het breugeliaanse Triomf van de dood (1944), is het vlees verdwenen. Skeletten musiceren op opgestapeld puin. De herinnering aan de beschaving ligt aan flarden. Maar ook op dit geschilderde slotakkoord klinkt in een verfrommelde partituur onderaan links Nussbaums onstilbare verzet door. Mark Schaevers spaart het verhaal achter dit muziekstukje 46 bladzijden op, tot het bitterzoete einde. Ook over de dood van Nussbaum zet Schaevers ons even op het verkeerde been. Alleen al voor die prikkelende passages moet u het boek lezen. Maar nog meer om in stukjes en brokjes het bestaan en het glorieuze oeuvre van Nussbaum leven in te blazen. Opnieuw en opnieuw.

De beelden van Arno Breker liggen in puin. Felix Nussbaum verrees als een feniks uit diezelfde oorlogsas. Op zijn doeken duikt geregeld een straatmuzikant op aan een draaiorgel. Mark Schaevers ziet in de man de wandelende Jood, de opgejaagde zwerver die Nussbaum werd. Net als die muzikant wilde de kunstenaar een echo nalaten, in de openbare ruimte maar ook in de tijd. Mark Schaevers laat in zijn boek het triomferende oeuvre in alle toonaarden resoneren.Wie zijn magistraal gecomponeerde Orgelman leest, zal het levenswerk van Nussbaum niet licht vergeten.

Joodse cultuur: wij levende Joden | DIE ZEIT

Duitse derde generatie Joden over identiteit en verwerking

Das Judendenkmal (Berlin) – foto : frie peeters

Terwijl ik nog steeds volop in Knausgårds essayistische beschouwingen zit over de gruwel van de Holocaust die het nationaal-socialisme als een doodgewone, stille, onopvallende en door onschuldige volksmensen nagebauwde en geaccepteerde  ‘zuivering’ wist uit te voeren; over de taal die spraak werd die niets anders dan bezweren kon; over het ‘wij’ dat geen ‘jij’ meer kende en slogans bezigde als ‘Jij bent niets, jouw volk is alles’ aldus appellerend aan een uitzinnige offerbereidheid; over hoe dat alles langzaam groeide en uit controle raakte. Terwijl ik dus al lezend in Vrouw  volop in de reflectie over die periode uit de geschiedenis zit, vind ik vandaag deze artikelenreeks in DIE ZEIT. Ik deel ze graag want ze zijn teken van grote weerbaarheid en van dialoog.

Deutschland vermisst jüdische Kultur? Hier sind wir und so denken wir. Ein Gruppenporträt der Dritten Generation, der Enkel von Holocaustüberlebenden in Berlin – DIE ZEIT

In deze reeks hebben de kleinkinderen van de Holocaust het over wat het betekent om vandaag Jood of Joodse te zijn in Duitsland. Het zijn stuk voor stuk zelfbewuste jongeren die geleerd hebben met een dubbele identiteit/nationaliteit te leven en met een moeilijk verleden. Ze kanaliseren hun woede en frustratie in hun kunst. Het zijn wereldburgers. De rekensom van verleden en heden is voor hen de toekomst. Ze zijn niet zo burgerlijk, saai of schijnheilig als Maxim Biller beweert en weerleggen zijn aantijging. De artikels zijn een reactie op wat schrijver en literatuurcritcus bij Das Literarische Quartett (ZDF) Maxim Biller (° 1960) in Jüdischen Allgemeine,  in een interview over zijn recente roman Biografie, over deze jongeren  zei:

Wissen Sie, warum ich Ihrer Zeitung so gern ein Interview gebe? Weil ich hier – und nur hier – wirkungsvoll die Frage stellen kann: Wo sind die anderen jüdischen Leute in Deutschland, die wie ich versuchen, den nächsten großen Roman zu schreiben? Müssen die alle wirklich Ärzte, Anwälte oder Springer-Journalisten sein? Kann da nicht einer dabei sein, der eine geniale Sinfonie komponiert, ein verrückt teures Bild malt oder ein Buch schreibt, über das sich Juden und Nichtjuden gleichzeitig aufregen? Müssen die Kinder und Enkel der seit 1945 in Deutschland lebenden Juden wirklich alle so bürgerlich, langweilig und scheinheilig sein? Müssen die wirklich jeden Freitagabend bei ihren Eltern sitzen und so tun, als hätten sie noch nie in ihrem Leben einen Joint geraucht?

In gedachten was ik ook weer bij Watou 2016 waar in de laatste, de elfde locatie in de Kerk de installatie van Moniek Toebosch (NL), Les Douleurs Contemporaines V , 1998 stond. Een onregelmatige rij van grijs-zwarte geluidsboxen van verschillende hoogte waarin gejammer, gehuil, gesnotter, geschreeuw van vrouwen en kinderen wordt geactiveerd wanneer je er voorbijgaat. Ik maakte onmiddellijk de associatie met bovenstaande beklijvende Berlijnervaring.

Sestrata na Zigmund Frojd – De zus van Freud – Goce Smilevski****

Goce Smilevski (Skopje, 1975°) debuteerde in 2002 met de roman Razgovor so Spinoza, in 2006 in het Engels vertaald als Conversation with Spinoza. Sestrata na Zigmund Frojd – De zus van Freud , Ambo/Anthos (2012) verscheen in 2010 in Macedonië en won in datzelfde jaar de European Union Prize for Literature van de Europese Commissie. De auteur werkte zeven en een half jaar aan deze roman die in meer dan dertig talen werd vertaald.

Cobra in gesprek met de auteur: “Zelfs al weten we intussen dat sommige bevindingen van Freud niet kloppen, dan nog kunnen we niet om hem heen. Hij was de eerste die het onbewuste definieerde en die stelde‘Ik ben niet wie ik denk dat ik ben’, misschien wel het belangrijkste wat over de menselijke aard is gezegd”.

Jan Stevens haalt met de titel Het lijstje van Freud in zijn artikel in Knack meteen de oorzaak aan van de tragedie in Smilevski’s roman. ‘Toen Sigmund Freud in 1938 met vrouw, kinderen, kleinkinderen, dokter en hondje naar het veilige Londen vluchtte, liet hij zijn bejaarde zussen bewust achter in het door de nazi’s bezette Wenen. Goce Smilevski vertelt in ‘De zus van Freud’ de kant van de achterblijvers.’ Stevens concludeert ‘Met De zus van Freud schreef de Macedonische auteur Goce Smilevski een knappe, aangrijpende roman tegen ‘het grote vergeten’. Tezelfdertijd graaft hij ongenadig diep in de psyche van Adolphine Freud en schetst hij een beeld van een getormenteerde vrouw die van het leven en van haar familie niets cadeau kreeg. – Knack 22/02/2012 ****

The challenge for the writer of fictitious history/biography is to create a “voice” that is both original and appropriate—in this case, the voice of a virtually unknown person who is used, by the author, as a kind of lens, at times a virtual rifle scope, with which to view Sigmund Freud in a way that is sure to be provocative.- in A very sad Freud | The NY Review of Books 06/12/2012 with a later reply by Goce Smilevski

Freud’s influence continues in the 21st Century. But today he is as likely to turn up as a character as a theoretical catalyst. Recently we’ve seen postmodern feminist novels such as the European Union Award-winning Freud’s Sister  by Goce Smilevski, translated from the Macedonian by Christina E Kramer (2012). This novel fictionalises the melancholy tale of Freud’s youngest sister Adolfina, who perished in the Theresienstadt concentration camp (four of Freud’s five younger sisters died in the Nazi death camps). Karen Mack and Jennifer Kaufman’s historical romance Freud’s Mistress (2013) spins a tale out of Freud’s alleged affair with Minna, his wife Martha’s younger sister. The producers of Downton Abbey have a TV series in the works called Freud: The Secret Casebook, set in fin de siècle Vienna, positing Freud as the first “profiler”, and delving into his own “tangled and provocative personal life” – BBC Culture | Does Sigmund Freud still matter? 22/04/2014

Anna Luyten, Stijn Vanheule and Goce Smilevski praten over De zus van Freud op Passa Porta, Brussels (recorded 06/06/2012). Intro: Ilke Froyen.

Een boeiende, indringende en met grote vaart geschreven roman die je amper terzijde kunt leggen. Bevat zeer diep peilende filosofische en psychologische wijsheden. Bekijkt de situatie van de psychiatrie in de tweede helft van de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw in Wenen vanuit een vrouwelijk perspectief.

Hannah Arendt – Margarethe von Trotta – ARD****

 

Met deze biopic zette Margarethe von Trotta haar serie grote portretten van vrouwen verder. Na “Rosa Luxemburg” en “Vision – Uit het leven van Hildegard von Bingen” wijdde zij een prachtig portret aan de provocerende denker Hannah Arendt die een van de felste controverses over de Holocaust veroorzaakte. Door de integratie van originele filmbeelden uit het proces tegen Eichmann in Jeruzalem, kan de kijker de basisstelling van deze argumentatieve filosofie onmiddellijk controleren. De film overtuigt door de sfeervolle weergave van de New York ‘ballingschap en het niet verdonkeremanen van de ambivalente relatie tussen Hannah Arendt en de nazistische filosoof Martin Heidegger. Barbara Sukowa’s sympathieke benadering van de filosofe maakt een abstract intellectueel debat lijfelijk voelbaar.

Over Die Kunst, das Denken zu filmen vertellen regisseur Margarethe von Trotta en actrice Barbara Sukowa in een interview in Zeit-Online. ARD maakte gisterenavond mogelijk dat vele kijkers kennis konden nemen van de buitengewone ‘denkkracht’ van Hannah Arendt. De Amerikaanse controverse bestempelde haar, die zelf Jodin in ballingschap was geweest, in 1963 als ‘jodenhaatster’ nadat ze stelde dat de Judenräte mede verantwoordelijkheid droegen voor de feiten. Haar Ein Bericht von der Banalität des Bösen  werd als naïef beschouwd met betrekking tot Eichmanns optreden destijds gedurende het proces. En die controverse duurt nog voort. Het interview dat Günter Gaus in 1964 in de reeks ‘Zur Person’ van haar afnam waarin ze zegt geen filosofie te bedrijven maar politieke theorie – al studeerde ze filosofie, theologie en Grieks – maakt op indringende wijze duidelijk waarom deze ‘icoon’ werd wie ze was: een vrije geest.

 

Elijahova stolica – De stoel van Elijah – Igor Štiks ****

downloadDestiny is the most powerful coincidence of all’, zou ze aan het eind van die dag zeggen toen ik haar vroeg of ze vond dat mensen door het lot of door het toeval met elkaar werden verbonden. blz 142

Terwijl Bosnië-Herzegovina deze dagen het nieuws haalt met de rampzalige overstroming van de Sava-rivier en de immense schade die de wateroverlast heeft aangericht en je militairen op het journaal  brood en drinkbaar water ziet bedelen en de nieuwslezers hoort verklaren dat de door de modderstroom verplaatste oorlogsmijnen een ernstig gevaar gaan opleveren, lees ik de roman Elijahova stolica (2006) / De stoel van Elijah (2008) – De Bezige Bij, 314 blz. van de Kroatische auteur Igor Štiks.  

Balkanliteratuur dus. Eerder dit jaar waarschuwde Igor Štiks ook in een artikel images (1)in The Guardian: Bosnia presents a terrifying picture of Europe’s future. Sarajevo en de feiten van 1914 waarop dit jaar toch extra licht wordt geworpen, zouden Europa nog steeds niet wijzer gemaakt hebben. Het dreigt slaapwandelend op dezelfde catastrofe af te stevenen. Ook in zijn roman, legt Štiks de oorzaak van het Balkanconflict bij het Westen dat maar geen oor heeft naar de roep om participatieve democratie, gelijkheid, sociale rechtvaardigheid, minder privatisering maar dat het lot van gewone mensen in de handen legt van dubieuze etno-nationalistische-elites die precies verantwoordelijk zijn voor het conflict.

De stoel van Elijah speelt dus hoofdzakelijk in het Sarajevo, dat minder dan een kwarteeuw geleden het toneel werd van een bloedig conflict waar het Westen door het oog van het ‘journaille’ naar keek. ‘Journaille’ is de denigrerende term die de hoofdpersoon van de roman, Richard Richter, gebruikt voor het circus van de Westerse media dat de oorlog voor de thuisbasis verslaat en waarvan hij gedurende een korte tijd voor een Weens persagentschap deel uitmaakt – een alibi voor een andere persoonlijke missie – voordat hij zich definitief aan Bosnische zijde schaart.

Het verhaal zit bijzonder goed in elkaar: Richard Richter, gerenommeerd Oostenrijks schrijver en voor de gelegenheid oorlogsverslaggever, schrijft na een verblijf van twee maanden in Sarajevo nl. juni en juli 1992, bij zijn terugkeer naar Wenen, ondergedoken in een hotelkamer, een manuscript waarin hij tot in de kleinste details probeert duidelijk te krijgen wat hem sinds zijn scheiding en terugkeer uit Parijs naar Wenen in april 1992, door het lot of het toeval overkomt. Serendipiteit trekt het verhaal op gang: bij de verbouwing van zijn pleegtantes flat in Wenen, stoot hij op een klein blauw notitieschriftje van zijn moeder – overleden kort na zijn geboorte – dat verstopt in een ijzeren doos in de muur iets vreemds over zijn afkomst, zijn identiteit onthult. De titel De stoel van Elijah bevat de sleutel tot het grote geheim  dat in deze roman zo zorgvuldig tot het einde wordt bewaard. Štiks bezit de gave om de spanning, de nieuwsgierigheid hoog op te drijven door telkens weer het geven van de nodige informatie om iets van het enigma te onthullen ‘op wacht’ te zetten. Ondertussen krijgt de lezer een bijzonder realistisch en beklijvend beeld van de belegering van Sarajevo door de Serviërs; krijgt hij de Bosnische visie op het conflict en bij uitbreiding op het historisch en wereldomvattend gegeven van religieuze zuivering en rassenzuivering;  wordt er in de persoon van Richard Richter een brug geslagen tussen het Nationaal Socialistische Wenen van 1942 en het multiculturele Sarajevo van 1992 en wordt de lezer duidelijk gemaakt waarom de inwoners van Sarajevo collectief en massaal in de meest penibele oorlogsomstandigheden theatervoorstellingen blijven bijwonen en waarom Sartre, Camus en Max Frisch gelezen en bediscussieerd worden. Via Max Frisch’ Homo Faber, door Alma Filipović, een aimabele, jonge actrice, als theaterstuk opgevoerd, krijgt de lezer een eerste glimps van wat het noodlot voor Sarajevo en de protagonist Richard en antagoniste Alma in petto houdt. De klassieke mythen van Oedipoes en Odysseus zijn in deze tragedie nooit ver weg. Richard Richter stevent immers, verblind door de liefde, en verteerd door schaamte en schuld op de absolute ondergang af.  Zijn manuscript komt in 1996 in handen van Ivor, zijn Bosnische tolk en Sarajevo-vriend die de vrijheid krijgt om ermee te doen wat hij goed vindt en uiteindelijk het laatste puzzelstukje op zijn plaats drukt.

De stoel van Elijah is een erudiete, prachtig klassiek geconstrueerde, meeslepende roman die kritische kanttekeningen maakt bij het Nationaal Socialisme, de Holocaust, het communisme, de afzijdigheid van Europa in het Balkanconflict en deze weet te verbinden met een persoonlijk en intrigerend intiem gegeven als afkomst en identiteit. Igor Štiks kreeg voor deze roman  de prijs van het beste Kroatische boek van 2006.

%d bloggers liken dit: