Berta Isla – Javier Marías

We sterven met hen die sterven: ziet, zij vertrekken en wij gaan met hen mee. We worden geboren met de doden: ziet, zij keren terug en brengen ons met zich mee. – T.S. Eliot, The Four Quartets

Berta Isla en Tomás Nevinson ontmoeten elkaar in Madrid en besluiten al snel, jong en verliefd als ze zijn, de rest van hun leven samen door te brengen.

Tomás, half-Spaans en half-Engels, vertrekt naar Oxford om er te studeren. Daar trekt hij met zijn aangeboren gevoel voor talen en accenten de aandacht van een mysterieuze overheidsinstantie die zijn talent goed zou kunnen gebruiken. Maar Tomás ziet een andere toekomst voor zichzelf en verzet zich tegen deze lotsbestemming. Totdat hij op een dag een stomme fout maakt die gevolgen zal hebben voor de rest van zijn leven en dat van zijn geliefde Berta. Als hij naar Madrid terugkeert om met haar te trouwen, weet hij dat het leven dat ze voor zich zagen, voorgoed verloren is.

In Berta Isla onderzoekt Marías met onfeilbare kennis van de menselijke geest een relatie die gedoemd is tot heimelijkheid, schijn, wrok en hopeloze loyaliteit.

Javier Marías (1951) wordt gezien als de belangrijkste Spaanse schrijver van zijn generatie. Hij won ontelbare literaire prijzen en wordt alom gezien als kandidaat voor de Nobelprijs voor de Literatuur. Zijn werk is in veertig talen vertaald. Bij Meulenhoff verschenen onder meer Een man van gevoelAller zielenEen hart zo blankTerwijl zij slapen en Zo begint het slechte (bekroond met vijf sterren door de Volkskrant, NRC en Het Parool). – bron: Europese literatuurlijst – longlist 2019

De openingszinnen van Berta Isla, treffen doel, ze raken meteen aan de kern van het boek, die gevat in een cirkelstructuur, afwisselend vanuit het vrouwelijke standpunt van Berta, het mannelijke van Tomás en het auctoriële van auteur/ verteller Marías wordt uitgerold in een lijvige, stilistisch karakteristieke (lange zinnen) roman:

Een tijdlang was ze er niet zeker van of haar man wel haar man was, min of meer zoals je, in de halfslaap, niet weet of je denkt of droomt, of je je geest nog stuurt of die door oververmoeidheid bent kwijtgeraakt. Soms geloofde ze van wel, soms van niet, en soms besloot ze niets te geloven en gewoon verder te leven met hem, of met degene die op hem leek, die ouder was dan hij. blz. 9

Het verhaal overspant een periode van zowat twintig jaar van het Franco- en Thatcher-regime, over de IRA, de ETA en de oorlog om de Falklands tot de Val van de Muur en de instorting van de Sovjetunie.

Tomás, op het einde van de roman, als veteraan tot bewustzijn en inzicht gekomen over deze woorden die destijds tegen hem gezegd waren en die in zijn geheugen gegrift stonden:

‘We staan nergens geregistreerd, niet officieel en niet officieus. We zijn er, maar we bestaan niet, of we bestaan maar zijn er niet. We doen maar we doen niet, Nevinson, of we doen niet wat we doen, of wat we doen, doet niemand. We gebeuren gewoonweg.’ De zinnen hadden hem aan Beckett doen denken en hij had ze nauwelijks begrepen. Nu deden ze hem niet meer aan Beckett denken en bovendien begreep hij ze, want ook hij had dat doorgemaakt. Het was meerdere malen gebeurd. Nu zou er daarentegen een eind aan komen. blz.551

Javier Marías graaft diep in deze roman via het eerder oppervlakkige thema van de geheimagent maar werpt existentiële vragen op die tot nadenken stemmen.

Vaak ben ik gelukkig – Jens Christian Grøndahl

‘Vaak ben ik gelukkig’, zegt de vertelster in de nieuwe roman van Jens Christian Grøndahl, ‘gelukkig van binnen, ook al kan ik het niet altijd laten zien. Dat zijn allemaal gewoon dingen die voorbij komen. Je wordt geduwd en getrokken, soms verdrukt, en je kunt uit koers worden geslagen, maar van binnen ben je nog steeds dezelfde.’

Verdrongen worden, bedrogen en weggemoffeld – daar weet Ellinor alles van. Eindelijk, voor het eerst in haar leven, vertelt ze het hele verhaal, zonder iets weg te laten, aan haar vriendin Anna. Die vriendin is al meer dan veertig jaar dood, verpletterd onder een lawine in de Alpen, tijdens een skivakantie. ‘Nu is jouw man ook dood, Anna’, schrijft ze. ‘Jouw man. Onze man.’

Achter die paar zinnen schuilt de kern van vier mensenlevens – precies het suggestieve, het mysterieuze en het diep menselijke dat het schrijverschap van de Deen Grøndahl (1959) karakteriseert. Hoe doet hij dat toch, vraag je je bij iedere nieuwe roman af – wat is het dat je iedere keer weer grijpt?

In deze nieuwe roman, Vaak ben ik gelukkig, schuilt het geheim in de compositie. Grøndahl koos voor de jij-vorm, waarbij de verteller zich direct tot iemand richt. Wij, de lezers, zijn niet degenen die de schrijver in het vizier heeft, maar we worden op die manier wel ingewijden, wij worden van buitenstaander deelgenoot van een geheim, een levensverhaal.

Onder de douche

De eerste cryptische zin (‘Jouw man. Onze man’) zet ons al meteen op scherp: hoezo? Wat volgt zijn een paar zinnen over een graf, ‘jij had al buren’, over kalksteen of graniet, over wie je van waaruit kunt zien. Dan blijkt dat ‘Jouw man. Onze man’ onder de douche in elkaar is gezakt, dat hij 78 was, dat hij ‘het je nooit helemaal heeft vergeven’ en dat ‘ik jouw plaats nooit helemaal had kunnen innemen’.

Langzaam, stap voor stap, flard bij flard wordt ons duidelijk welk drama er schuilt achter ‘Jouw man. Onze man.’ Die doses informatie krijgen wij mondjesmaat, tussen de regels door toegeschoven, vrij meanderend, quasi-achteloos. Uiteindelijk leggen we de stukjes aan elkaar: twee jonge stellen gaan op wintersport, de man van de één krijgt een verhouding met de vrouw van de ander, samen worden ze vermorzeld door een lawine. De andere twee brengen de rest van hun leven met elkaar door, de vrouw zorgt voor de kinderen van haar overleden, overspelige vriendin. Als haar man, ‘jouw man, onze man’, sterft, maakt de vertelster de balans op en keert ze terug naar de buurt waar ze opgroeide.

De plot is snel verteld, al onthult de vertelster ook nog haar eigen verrassende afkomst, waarover ze nooit met iemand heeft gesproken. Ook schetst ze hoe haar innige relatie met de kinderen van haar vriendin met de jaren, na hun huwelijk en nadat ze zelf ouders waren geworden, veranderde, scheuren ging vertonen. Het enige dat onveranderd is, is de diepe vriendschap die ze voelt voor haar vriendin, die ondanks alles geen krasje heeft opgelopen.

Suggestief en spannend

Maar in wezen staat de plot, hoe leidend ook, bij Grøndahl altijd op het tweede plan, is hij suggestief en daarom zo spannend. Ook in deze vertaling blijven zijn toon en timbre behouden, resoneert de emotie, de psychologie mee, zonder ook maar een moment de overhand te krijgen. Als de vertelster uiteindelijk terugkeert naar de buurt waar ze is opgegroeid, een wijk met beduidend minder status dan die waar ze met haar man heeft gewoond, schrijft Grøndahl dat het voor haar ‘twee foto’s lijken die over elkaar heen zijn genomen omdat je bent vergeten het filmpje door te draaien. De lijnen worden verdubbeld, het perspectief verschuift een beetje en in die afstand, in die verschuiving van onscherp licht, heb ik opeens het grootste deel van mijn leven geleefd.’

Dit soort observaties maken Vaak ben ik gelukkig tot een schitterende vintage Grøndahl.

Met dank voor deze recensie aan NRC en Margot Dijkgraaf

Het Belgisch huwelijk – Marc Reugebrink****

Ik las Het Belgisch huwelijk, De Bezige Bij, 2014 van Marc Reugebrink. Het hoofdpersonage, Max Herder, wil gaan huwen met de mooie Gentse, vijftien jaar jongere, Isabelle Fabry, die hij via haar moeder Liliane Hofmans galeriehoudster in Gent, leert kennen. Max is uit het Nederlandse Groeze na twee spaak gelopen relaties, naar Gent afgezakt waar hij door Liliane aan een baan als cultuurrecensent bij de gazet wordt geholpen. Giorgio Simeone, een Gentenaar van Italiaanse afkomst, wordt zijn compagnon straniero, zijn kassante anti-Vlaamse spreekbuis wiens woorden en gedachten hij – ten voordele van zijn persoonlijke imago – voortdurend probeert te temperen. En dan is er nog Jean-Luc Fabry, Isabelles gescheiden, onlaafbare alcoloverslaafde vader, die niets anders voor handen heeft dan alle Gentse cafés af te schuimen.  Als Nederlander die al meer dan een decennium in Gent woont, weet Reugebrink de taal van de Gentse burgers en hun houding tegenover niet-Vlaamse burgers raak te typeren. De voortdurende confrontatie met onze zogenaamde belgitude  geeft de aanzet tot de groeiende zelfreflectie van Max. In Het Belgisch huwelijk worden de Vlaams-Waalse controverse, de tegenstelling autochtoon-allochtoon de algemeen maatschappelijke  achtergrond voor een meer persoonlijke controverse nl. die tussen Max en Isabelle.

Enkele bedenkingen uit recensies:

‘Een triomf van het cynisme is dit boek zeker niet, daar doen de spaarzame oprispingen van defaitisme die Max uitbraakt geen afbreuk aan. Reugebrink duwt hem na die buien waarin hij de volksaard van de Vlaming, die hij ironisch genoeg in zekere zin benijdt, verguist, steeds terug in de richting van de begeerte. En daarmee geeft hij aan zijn verhaal een pamflettaire draai, alsof hij de Vlaming suggereert een ander register te kiezen als de discussies over de inspanningen die we dé immigrant (als die al bestaat) wensen op te spelden, weer eens de rekbaarheid van de redelijkheid lijken te tarten. […] En dan blijft de zwier waarmee Reugebrink de waanzin van de liefde zo heerlijk beschrijft hier nog schromelijk onderbelicht.’ – Wim Huyghebaert voor Cutting Edge

‘Reugebrinks Gent is bevolkt met herkenbare mensen. Sommigen figureren onder hun echte naam, zoals ene Herman, ‘een beroemd schrijver’. Als het gaat over de leden van de Gravensteenclub is Reugebrink voorzichtiger. Er is een ‘bejaarde professor’ die vroeger ‘zo politiek correct tegen de tsjeven van leer trok’. Het personage dat hier aan het woord is, herinnert zich ’s mans naam niet: ‘Hoe noemt hij? Verbiest? Verlaet? Vermeylen?’ (Hij bedoelt Vermeersch, Etienne.) En die andere Gravenstener, Jean-Pierre Rondas, wordt verborgen onder een fictieve naam: Jean-Jacques Pertus. Reugebrink loopt hier allicht op eieren, omdat “Pertus” geen aangename figuur is. De kunstkenner en radiomaker wordt geportretteerd als een blaaskaak en een onbetrouwbaar type, wiens oordelen als recensent opvallend vaak bepaald worden door zijn Vlaams-nationalistische politieke oriëntatie. ‘Ge moet toch echt potdoof en stekeblind zijn om niet te verstaan dat het bestaansrecht van de kunstenaar hier afhankelijk wordt gemaakt van de vraag of hij politiek gesproken wel de juiste kunst maakt’, zegt Liliane, Isabelles moeder. Een interessant verwijt, waar Reugebrink best wat dieper op had mogen ingaan.
[…]
‘Reugebrink [vergt] te veel van mijn suspension of disbelief : met wat Max gedaan heeft, beland je achter de tralies.’ – Mark Cloostermans voor De Standaard.

‘Waar die Vlaming steevast zegt: jij bent anders (en zo vul je het gat in mijn identiteit), zegt Max steevast: ik ben anders (en zo vul ik het gat in mijn identiteit).’ -Sven Vitse voor De Reactor

%d bloggers liken dit: