Als het me raakt …

Wie het onwezenlijke debat tussen rector Herman Van Goethem (UA), Mia Doornaert en Minister Benjamin Dalle gisterenavond op De Afspraak zag in verband met haar column over ‘de jeugd van vandaag’ (Generatie watjes, DS) en niet in het minst over het onderstaande onderwerp, moet wel achterover gevallen zijn van verbazing. Toegegeven, professoren hebben niet altijd alle wijsheid in pacht maar wie het huldigen van een Ambassadeur van de Vrede in Kazerne Dossin een provocatie noemt, moet eerst goed weten wat de missie van dit, mij na aan het hart liggend museum, is. Ludo Abicht moest bij zijn boekvoorstelling De eeuwige kop van Jood, een geschiedenis van het antisemitisme eveneens uitwijken omdat Brigitte Herremans het nawoord schreef. Abicht waarschuwt ervoor dat dergelijke overtrokken reacties het antisemitisme juist aanwakkeren.

Waarom stapten tien wetenschappers uit de wetenschappelijke raad van Kazerne Dossin?

Maandagavond stapten negen leden uit de wetenschappelijke raad van Kazerne Dossin, het Memoriaal, museum en documentatiecentrum over Holocaust en Mensenrechten in Mechelen. Dinsdag steeg dat aantal naar tien nadat ook Dimokritos Kavadias (VUB) vertrok. De onenigheid tussen bestuursorganen over het evenwicht tussen herdenking van de Holocaust en actualisering van de mensenrechtenthematiek sleepte al even aan en zorgt nu voor een grote afvloeiing van de wetenschappelijke raad.

Waarover gaat het dispuut? Het dagelijks bestuur richt zich te veel op het herdenkingsluik, vinden de wetenschappers. Volgens de missie van de Kazerne Dossin moet er ook aandacht zijn voor het luik mensenrechten. De evenwichtsoefening tussen die twee zorgde in het verleden al voor discussie tussen de wetenschappelijke raad en het dagelijks bestuur. Bron: Knack-artikel 11/3/2020 van Dario Van Fleteren en Simon Demeulemeester

foto: pax christi

Op 12 december 2019 werden de nieuwe Ambassadeurs voor de Vrede van Pax Christi Vlaanderen in Mechelen tijdens een hartelijke huldiging in de bloemen gezet. De twintigste editie van de viering moest te elfder ure uitwijken van de Kazerne Dossin naar de nabijgelegen Predikheren-bibliotheek. In een brief die Pax Christi Vlaanderen drie uur voor aanvang van de feestelijkheden ontving, liet het bestuur van de Kazerne Dossin weten dat de huldiging niet in het gebouw van Kazerne Dossin mocht doorgaan, omdat sommigen van de laureaten niet op hun plek zouden zijn op de plaats waar vijfentwintigduizend mensen naar vernietigingskampen werden gedeporteerd.

Brief van Théas

In het inderhaast klaargestoomde huldigingsdecor las Annemarie Gielen bij haar verwelkoming een passage voor uit de brief van 30 augustus 1942 van Pierre-Marie Théas, medestichter van Pax Christi. Daarin sprak hij zich als bisschop van Montauban onomwonden uit tegen het antisemitisme van het nazi- en Vichy-regime en de gruwelijke barbaarsheid waarmee de Joodse medeburgers werden behandeld. Théas kreeg in 1969 de eretitel Rechtvaardige onder de Volkeren van Yad Vashem, voor het redden van Joden. Annemarie verwees ook naar de wake die Pax Christi Vlaanderen in 1995 hield op de binnenplaats van de Dossinkazerne, samen met de Joodse gemeenschap en in het bijzijn van kampoverlevende en bezieler van het museum Natan Ramet. Voormalig voorzitter van Pax Christi Vlaanderen Katlijn Malfliet werd ter gelegenheid van de jubileumeditie eveneens in de bloemen gezet. Zij riep de titel, die voor het eerst in 1999 werd toegekend, in het leven om rolmodellen die aan vrede werken in onze samenleving als ‘ambassadeurs’ en pleitbezorgers uit te sturen. Een mooie delegatie Ambassadeurs voor de Vrede van de afgelopen twintig jaar sloot bij de viering aan.

Radicale hoop

Journalist Peter Verlinden interviewde met professionele flair de laureaten voor een volle zaal. Brigitte Herremans schetste eerst hoe zij als 14-jarig meisje, gegrepen door de Shoah, met haar vader Israël bezocht. De nieuwsgierigheid naar Israël en Palestina leidde haar naar studies Arabisch en Bijbels Hebreeuws. De scherpe polarisering van de laatste jaren, die onder meer leidde tot haar uitwijzing uit Israël en de beslissing van Kazerne Dossin, is langzaam opgebouwd en gegroeid, zei Brigitte. “De tegenstand komt voort uit twee zaken: hoe wij kijken naar de Shoah en de herinnering eraan, en hoe wij kijken naar de situatie in Israël en Palestina. De manier waarop er met de herinnering aan de Shoah wordt omgegaan, wordt nu heel erg door Israël bepaald. Christelijke organisaties wordt vaak aangewreven dat zij in hun oproep tot recht en rechtvaardigheid te veel de Palestijnse kant zijn opgegaan, en dat zij het leed van het Joodse volk niet kunnen begrijpen.”

Kunstenfestival Watou – Taysir Batniji, Gaza – Untitled (Keys)

“Om de polarisatie die heel erg leeft te overstijgen, moeten wij teruggaan naar de fundamentele kwetsbaarheid van de mens. Ik put veel inspiratie uit Hannah Arendt. In donkere tijden kun je niet de Grote verlichting opzoeken, maar de kleine lichtjes. We moeten hoop koesteren en ons niet terugtrekken, niet uit het debat treden. Wij moeten er vanuit een zekere kwetsbaarheid en onze geschiedenis op wijzen welke lessen wij hieruit kunnen leren”. “Primo Levi kreeg in het concentratiekamp ook te horen dat niemand hem zou geloven, dat hij vergeten zou worden. Maar we lezen ‘Is dit een mens’ nog steeds, en getuigenissen zoals die van Primo Levi zorgden ervoor dat we de slachtoffers van de Shoah niet zijn vergeten. Dit bewijst dat we de radicale hoop moeten koesteren, ook in conflicten vandaag nog, dat de geschiedenis niet zal worden uitgeveegd.”

Over de rol die zij na haar uitwijzing nog kan spelen, zei Brigitte: “De verbondenheid met de mensen in Israël en Palestina blijft sterk. Het gaat ook niet over mijn persoon, maar over de mensen zelf en de transnationale verbondenheid tussen mensenrechtenactivisten. We kunnen kritiek hebben op de echokamers van sociale media, maar in mijn werk zijn sociale media vooral erg mobiliserend, ze voeden solidariteit.”

“De belangrijkste voorwaarde voor vrede in conflictgebieden – ook in Syrië bijvoorbeeld – is het respect voor de internationale basisverdragen én voor ‘de ander’. Die verdragen zijn de afgelopen vijf jaar meer en meer papier geworden. De staten moeten die verdragen ratificeren. Ontmenselijking kan je niet zomaar omdraaien, maar ik koester ‘radicale hoop’…”

Politieke onwil en menselijke waardigheid

Artsen Zonder Grenzen in België werd gelauwerd voor de redding van mensen op zee. Dr. Marc Biot, Operationeel directeur van AZG België, noemde in het gesprek met Peter Verlinden de keuze om daartoe over te gaan ’een natuurlijke keuze’, die voortkomt uit de acute nood van mensen. Hun werk op zee wordt hen door Europese landen niet in dank afgenomen, en zelfs belemmerd. Maar dat mag volgens Biot hulpverleners niet afschrikken om toch door te zetten. Hun nieuwe schip redde sinds augustus 2019 al meer dan 800 mensen uit de Middellandse zee.

Bron: Innemende huldiging van de nieuwe Ambassadeurs voor de Vrede | Pax Christi Vlaanderen

Habesura al pi Jehuda* – Judas – Amos Oz

Amos Oz geeft zijn roman Judas dit motto mee:

Daar rent de verrader aan de rand van het veld

Niet de levende maar de dode werpt naar hem de steen

Natan Alterman, ‘De verrader’, uit Vreugde der armen

Behalve de boeiende perspectiefwisselingen en vinnige politieke en filosofisch-religieuze disputen tussen de personages (Smoeël Asj, Gersjom Wald, Atalja Abarbanel), het uitvoerig uitgewerkte thema verraad (waarvan Amos Oz met betrekking tot Israël ook vaak beschuldigd wordt), de geestige karakterisering van de onhandige, komische, verliefde hoofdfiguur Sjmoeël, houdt deze roman, die speelt binnen de muren van een oud huis aan de rand van de verdeelde stad Jeruzalem, in zijn wezen, een pleidooi voor vreedzaam samenleven.

foto_1450196234Het verhaal speelt zich af in een somber oud huis in Jeruzalem in de winter 1959-1960, en wie wel eens een winter in Jeruzalem heeft doorgebracht, weet hoe deprimerend die kan zijn, met regen, wind, druipende cipressen en armzalige petroleumkacheltjes. Hoofdpersoon Sjmoeël Asj, student aan de Jeruzalemse universiteit, wordt door zijn vriendin in de steek gelaten, zijn vader is  failliet gegaan en kan hem geen studietoelage meer geven, en hij is vastgelopen in zijn zo veelbelovend begonnen scriptie, waarin hij wilde bewijzen dat Judas niet de verrader van Jezus was, maar juist de enige die écht in hem geloofde. Sjmoeël besluit zijn studie te staken en ergens in de Negev-woestijn nuttig werk te zoeken. Maar dan valt zijn oog op een briefje op het prikbord bij de universiteitskantine: student gezocht om een invalide oude man ’s avonds gezelschap te houden. Sjmoeël gaat erop af en ontmoet in het eerdergenoemde sombere huis Gersjom Wald, een typische intellectueel die niets liever wil dan zijn mening laten horen. Helaas is hij door zijn handicap aan huis gekluisterd en heeft hij geen publiek. Daar moet Sjmoeël in voorzien, die zelf ook wel van een stevige discussie houdt. In het sombere huis woont ook nog een beeldschone vrouw van een jaar of vijfenveertig, Atalja Abarbanel. Sjmoeël wordt op slag verliefd op haar, maar zij speelt een soort kat- en muisspel met hem. Sjmoeël komt er gaandeweg achter dat Gersjom en Atalja nog steeds leven met de tragedie die hun in de Onafhankelijkheidsoorlog van 1947-1948 is overkomen. En door dit alles loopt het thema van Judas, in de ogen van de christenen de klassieke verrader en het prototype van de onbetrouwbare jood. Maar in zijn gesprekken met Gersjom en Atalja komt Sjmoeël erachter dat de scheidslijn tussen verraad en liefde heel dun is.- de vertaalster hildepach.nl

Judas is geen gemakkelijk boek. Je kunt je zelfs afvragen of het als roman geslaagd is. Maar als literaire verdediging van Oz’ overtuiging dat alleen een compromis met je tegenstander tot vrede kan leiden, is het dat zeker. Van verraad kun je hem in ieder geval niet meer beschuldigen. – nrc.nl

Wat als

Wat het ene moment verraad heet, kan de volgende dag moedig blijken. Het is dat soort overwegingen die Oz’ roman schragen. De schrijver plant zaadjes van twijfel in twee historische verhalen: het ontstaan van de staat Israël en het Bijbelse verhaal van Jezus en Judas.

Wat als de joden voor 1948 de Arabieren hadden kunnen overtuigen om zich samen tegen de (Britse) bezetter van Palestina te kanten? Door net op de Britten te rekenen voor de stichting van Israël heeft David Ben Goerion ‘de Arabische haat tegen Israël nog verhevigd’, vindt hoofdpersonage Sjmoeël Asj.

Wat als de joden Jezus niet hadden verjaagd maar juist omarmd als een van hen, een man die niets anders wilde dan ‘de joden die corrupt geworden waren weer op het goede pad te brengen’? Wat als joden en christenen de kus van Judas niet waren gaan interpreteren als een kus van verraad, maar juist van liefde?

Het één had decennia van bloedvergieten in het Midden-Oosten kunnen voorkomen, het ander had de joden eeuwen van vervolging kunnen besparen. Het zijn uitdagende, voor rechtse Israëli’s, Thora- en Bijbelvaste joden en christenen zelfs provocatieve wat als-vragen:Judas leest, behalve als historische sciencefiction, daarom ook een beetje als Oz’ Duivelsverzen.

Maar Judas is fictie. De lezer krijgt de wat als-vragen opgediend in een kaderverhaal bestaande uit de gesprekken die de personages Sjmoeël Asj, Atalja Abarbanel en Gersjom Wald voeren in de winter van 1959 en 1960. De joodse staat is dan nog pril en Sjmoeël wordt wel eens overmand door het gevoel ‘dat alles en alles nog mogelijk was’.

Sjmoeël krijgt kost en inwoon om de oude en eenzame Wald intellectueel te entertainen. Wald deelt het huis met Atalja, de weduwe van zijn in de Onafhankelijkheidsoorlog gesneuvelde zoon Micha. Atalja blijkt de dochter van politicus Sjealtiël Abarbanel die aanvankelijk een medestander van David Ben Goerion was, maar zich vervolgens tegen de oprichting van Israël kantte.

De wat als-vragen over Jezus en Judas worden de lezer door Sjmoeël opgelepeld. Ze vormen het onderwerp van zijn studie die hij in de steek heeft gelaten. De wat als-vragen over Israël slingeren doorheen de gesprekken tussen de personages die gaandeweg naar elkaar toegroeien. De politieke standpunten die in de gesprekken vaak als uitroeptekens zijn gepresenteerd evolueren naar vraagtekens.

Want natuurlijk, de geschiedenis liep zoals ze liep. Jezus en Judas werden elkaars tegenpolen. Abarbanel werd uit de geschiedenisboeken gewist. De man is overigens een fictief personage: Oz baseerde hem op bestaande joodse pacifisten uit de jaren 30 die, na 1948, eveneens in de vergetelheid geraakten.

Oz mijmert graag een eind mee met de wat als-vragen van zijn personages. Sommige visies zijn gewoon te verleidelijk om waar te zijn. Maar zoals de schrijver hier vorige week (DS Weekblad, 14/11) zei: een droom kun je alleen ‘puur en wonderlijk’ houden door hem niet te vervullen. ‘Dat geldt voor het bouwen van een land, net zo goed als voor het schrijven van een roman of voor het uitleven van een seksuele fantasie.’ – De Standaard 20/11/2015

Habesura al pi Jehuda*: het evangelie volgens Judas

Amos Oz: “Humor en nieuwsgierigheid kunnen medicijn tegen fanatisme zijn.”

Het Franse satirische weekblad Charlie Hebdo brengt woensdag een speciale editie uit naar aanleiding van de “verjaardag” van de aanslag in zijn kantoren op 7 januari 2015, waarbij 12 mensen omkwamen, dat was één van de berichten waarmee ik gisterenmorgen wakker werd. Op de voorpagina van le journal irresponsable zal een cartoon staan van een baardige god-moordenaar.

We kennen nog de beelden van vorig jaar waar ook in onze scholen geluisterd werd naar wat de jongeren over de feiten dachten. Er werd gepraat over het wezenlijke van de cartoon, over humor en haar grenzen, over vrije meningsuiting en persvrijheid. Vanmorgen echter dacht ik aan de UK. Daar heeft de overheid de idee opgevat om  via de Britse scholen de Britse waarden te promoten zijnde: democracy, the rule of law, individual liberty, mutual respect for and tolerance of those with different faiths and beliefs and for those without faith. Geen ‘freedom of speech’ in dit – eigenlijk niet zo typisch Britse – rijtje. Reden: voorzichtigheid met betrekking tot de verschillende levensbeschouwingen.

The Citizenship Foundation, met een mooie educatieve missie ten aanzien van jongeren, heeft het echter over ‘the big caveat’, zeg maar de valkuil, bij dit top down promoten van Britse waarden: the language the British hear from government is of ‘promoting fundamental British values’ and of young people ‘accepting’, ‘respecting’ and ‘tolerating’ – as though we all agree already on what those values are, accept that they are unique to Britain and believe we should follow them unquestionably. At the Citizenship Foundation, we think education is about helping people understand how things work and how to challenge and change them for the better. Values won’t be assumed because schools demand they are, particularly if they’re very different from those at home. They have to be arrived at through mutual exploration and understanding. That is what citizenship education aims to achieve.

De vraag die alsmaar vaker naar aanleiding van (wapen)geweld en terroristische aanslagen rijst, is welk Europees, bij uitbreiding Westers beschavingsideaal dragen we eigenlijk uit? Hoe krachtig is dat beschavingsideaal?  Zijn we in een geestelijk vacuüm terechtgekomen? Dat vroegen Rob Riemen en zijn Nexus-instituut zich gedurende de voorbije novemberconferentie af. Uitgangspunt was het thema van het gedicht van de 19de eeuwse Griekse dichter Konstantinos Kavafis waarin het wachten op de komst van de barbaren de verveling van een groep decadente stadsbestuurders moet verdrijven.  J.M. Coetzee ontleende aan dit gedicht de titel voor zijn roman Waiting for the Barbarians   .

‘Een beetje barbaar weet dat er op hem gewacht wordt. Hij stelt zijn komst uit. Hij richt zijn paard een tegengestelde richting op en verdwijnt spoorslags uit het zicht dat hij nog maar net betreden heeft. Hij kijkt niet om. Hij weet dat zijn opponenten hun daden op hem afstemmen. Hij heeft – een eerste, symbolische overwinning – niet eens een naam voor hen: hij is de Barbaar, zij zijn de anderen, de gewonen, de onzekeren.
En het is die onzekerheid, weet hij, die hem uiteindelijk zal doen zegevieren. De anderen aarzelen, richten wachtposten in, bespreken zijn komst en zijn wegblijven, zijn woeste uiterlijk, zijn gewoonten, die ze maar nauwelijks begrijpen, alles, van het grootste tot het kleinste. Na enige tijd gaan ze romans en gedichten schrijven, en dan, weet de Barbaar, zijn ze op hun zwakst. Ze gaan twijfelen aan zichzelf, aan de verschillen tussen henzelf en de Barbaren, aan het bestaan zelfs van hun mysterieuze tegenpolen. Met een beetje geluk, grinnikt de Barbaar, gaan ze zelfs aan hun eigen bestaan twijfelen – het zijn rare jongens, de anderen.
Ze verzwakken met de dag, en het is vaak niet eens nodig om te verschijnen. De boel stort vanzelf in. Het is dan tijd om zich te vestigen, om zelf een rijk te stichten, aan de rand waarvan na verloop van tijd nomaden en wilden zullen verschijnen, primitief, dreigend, onbekend.’
-Mark Boog over Wachten op de barbaren tijdens het Coetzee-festival (2010)

De Israëlische Amos Oz werd als spreker op die conferentie gevraagd en hij gaf naar aanleiding daarvan op Buitenhof een interview over humor en nieuwsgierigheid als medicijn tegen fanatisme.  Hij sprak er ook over zijn recentste roman Judas (2014), De Bezige Bij en wist oprecht nieuwsgierig te maken naar de inhoud ervan.

 

 

Zijn boek Mijn Michaël is een van de honderd meest verkochte boeken in de 20e eeuw.

Amos Oz is een wereldberoemd, veelvuldig bekroond en zeer productief Israëlisch schrijver van romans, verhalen, artikelen en essays. Hij wordt vaak genoemd als kanshebber voor de Nobelprijs literatuur. Van het autobiografische Een verhaal van liefde en duisternis (2002), zijn ruim anderhalf miljoen exemplaren verkocht; het boek is in 31 talen vertaald en werd in 2015 door Natalie Portman verfilmd. Oz leefde vanaf zijn veertiende enkele jaren in een kibboets nadat zijn moeder zelfmoord had gepleegd. Een vreedzame periode die in sterk contrast stond met de jaren waarin hij zijn dienstplicht vervulde. Hij nam actief deel aan schermutselingen aan de grens en deed aldus frontervaring op. Sindsdien heeft hij herhaaldelijk stelling genomen voor de militaire zelfverdediging van Israël maar tegen militaire expansie. Oz studeerde filosofie en Hebreeuwse literatuur in Jeruzalem, en doceerde van 1987 tot 2005 Hebreeuwse literatuur aan de Ben-Gurion Universiteit van Beër Sjeva. Sinds 1967 is hij een prominent voorvechter van de tweestatenoplossing voor het conflict tussen Israël en de Palestijnse Autoriteit; hij heeft steeds gepleit voor het openen van vredesonderhandelingen en het sluiten van een praktische overeenkomst. Zijn meest recente boeken zijn de cultuurhistorische studie Jews and Words (2012, met zijn dochter Fania Oz-Salzberger) en de hoger vermelde roman Judas (2014).

 

%d bloggers liken dit: