Il Colibri – De Kolibrie – Sandro Veronesi *****

Om te komen bij wat je nog niet weet, moet je gaan langs de weg van het niet-weten – Johan v. h. Kruis (Spaans mysticus)

“De wijk Trieste in Rome is, kun je gerust zeggen, een middelpunt in dit verhaal met verschillende middelpunten. Deze wijk heeft altijd geschommeld tussen elegantie en decadentie, luxe en middelmatigheid, privilege en alledaagsheid, en dat moet voorlopig volstaan: het heeft geen zin haar nog verder te beschrijven, aangezien zo’n beschrijving aan het begin van een verhaal saai kan worden en zelfs averechts kan werken.” Met deze paar zinnen vangt Sandro Veronesi zijn roman Il colibri, 2019 (is het wel een roman?) aan. De Nederlandse vertaling, De Kolibrie, 2020 voor Prometheus is van Welmoet Hillen.

Op de achterflap lezen we: Al sinds zijn jeugd wordt Marco Carrera, die als kind een groeistoornis had, de kolibrie genoemd, naar een van de kleinste vogels ter wereld. Maar in zekere zin is Marco ook echt een kolibrie: hij lijdt een dramatisch bestaan, vol vreugdes, liefdes en de nodige pijn, maar hij blijft in evenwicht. Zijn hectische bewegingen stellen hem in staat de existentiële acrobatiek van het leven te doorstaan, net als de kolibrie, die twaalf tot tachtig vleugelslagen per minuut maakt, maar schijnbaar bewegingloos in de lucht blijft hangen.

Enkele recensenten die ik onderschrijf:

‘Veronesi zet altijd sterk in op thema’s als het toeval, het onverklaarbare en het kwaad. Minutieus ontleedt hij moeizame relaties, die tussen mannen en vrouwen, maar ook die binnen een gezin of familie.’ – Ronald de Rooy in Trouw

‘Terwijl zijn personage ­alle staties van zijn kruisweg aandoet, haalt de auteur zijn vertrouwde stokpaardjes van stal en zet hij een onderhoudende boom op over autoloze zondagen, manga’s, Azteken, gokken, waterbevallingen, het Hongaarse zelfmoordlied van Rezso Seress, vliegrampen, taalkundige weetjes of de Londense wijk Marylebone. De roman blijft overeind dankzij de ingenieuze compositie, de duizelingwekkende sprongen in de tijd en de constante perspectiefwisselingen, in een wervelende montage van ansichtkaarten, brieven, mails, telefoongesprekken, boedelbeschrijvingen, essayistische passages en de streams of consciousness waar de schrijver het patent op heeft.’ – Marijke Arijs in De Standaard

Als romanschrijver lijkt Veronesi steeds tijdlozer te worden. In Italië wordt hij al vergeleken met Beckett en Tolstoj. Maar onderhuids gaat ‘De kolibrie’ natuurlijk wel over deze tijd. Meer bepaald over de tijd die is verstreken tussen pakweg de jaren 60, toen iedereen meende te weten wat van belang was en de marsrichting werd aangegeven met vlagvertoon en hooggestemde idealen, en het internettijdperk van nu, nu niemand nog lijkt te weten wat werkelijk van belang is en waar het naartoe moet. Waardoor we, bang en onzeker, geneigd zijn ter plaatse te blijven klapwieken, als een kolibrie. ‘Zeventig vleugelslagen per minuut om op de plek te blijven waar je al bent’, is het laatste verwijt van Luisa aan Marco. Dat is de existentiële vraag die ‘De kolibrie’ aan de orde stelt: is het per definitie goed om je te laten meevoeren op de wind van de tijd, om veranderingen willoos te ondergaan, of is het soms beter je tegen de tijd te verzetten? – Danny Illegems in Humo

‘Ik heb vaak aan het bijbelboek Job moeten denken toen ik Marco’s calvarietocht beschreef’, aldus Sandro Veronesi. ‘Zijn pijn is absurd en overweldigend, maar Marco weigert te verzaken, weigert te verbitteren. We kennen allemaal zo’n Marco, maar ze worden zelden de held van een verhaal. Tot nu.’ En met succes, want Veronesi heeft al zijn talent en metier gebruikt om van De kolibrie een geloofwaardige lofzang op het leven te maken. Zijn acrobatische zinsbouw, de gave compositie en de psychologische diepgang maken dat je Marco in je lezershart sluit, ook al vind je hem aanvankelijk maar een sul. – Roderik Six in Knack

Het is een boek dat je niet in één ruk uitleest, neen. S. Becketts, I can’t go on, I’ll go on is tot op zekere hoogte ook van toepassing geweest op mijn leeservaring. Dat je toch verder leest en het boek niet weglegt heeft te maken met de onverwachte, zullen we het cliff hangers noemen, die Veronesi zo feilloos op bepaalde momenten in zijn schijnbaar chaotische verhaalconstructie weet in te bouwen. De lezer maakt als het ware in zijn leesact mee wat Veronesi’s held zichzelf tot levensmotto heeft gemaakt: Om te komen bij wat je nog niet weet, moet je gaan langs de weg van het niet-weten (Johannes van het Kruis – Spaans mysticus). Al lezend blijven vele vragen onbeantwoord, die slechts zeer geleidelijk door de overgave aan het verhaal, de lezer duidelijk worden. Juist dat aspect maakt dit boek voor mij een absolute aanrader.- BK

De acht bergen – Paolo Cognetti*****

Wat zal ik nog toevoegen aan de lovende recensies die Paolo Cognetti met zijn roman De Acht Bergen, De Bezige Bij, 2017 ten deel vielen. De man sleepte bovendien een rist literaire prijzen in de wacht met name de Premio Strega, 2017 de Premio Strega Giovani, 2017 en de Prix Médicis étranger, 2017.

Ik begon dit prachtige verhaal over vriendschap en de relatie tussen mens en natuur en las het in één ruk uit. Zo helder en elegant ingehouden de beschrijving van de relaties tussen de familieleden onderling en de bewoners van het bergdorp Grana (Val d’Aosta); zo raak de observaties gedurende de talloze bergwandelingen in de Westelijke Italiaanse Alpen en later in de Himalaya, de lezer ontwaart er moeiteloos de auteur-documentairemaker; zo ontroerend de ontwikkeling van de vriendschap tussen de hoofdpersonages: de stadsjongen Pietro en de boerenjongen Bruno. Een vriendschap die een geheim inhoudt dat alleen zij beiden delen.

Maar wie had hij buiten mij dan wel gekend op deze wereld? Vroeg ik me af. En wie had mij gekend, behalve Bruno? Blz. 238

Het hele verhaal straalt een oprechte authenticiteit uit en telt structureel een inleidend hoofdstuk en drie delen (I. De bergen uit mijn kindertijd II. Het huis van verzoening III. De winter van een vriend) en twaalf hoofdstukken. Hoofdstuk Acht, acht symbolisch het getal van de overgang van het oude naar het nieuwe (beiden verloren hun vader) is meteen ook het einde van het tweede deel. In hoofdstuk Negen vernemen we dan een verhaal van een Nepalese sherpa, het verhaal van de acht bergen. Het is dit wijsheidsverhaal van een oude bergbewoner dat Pietro in de laatste vier hoofdstukken op zijn en Bruno’s bestaan legt.

De man pakte een stokje en tekende er een cirkel mee op de grond. Het was een volmaakte cirkel, je kon zien dat hij het vaker deed. Daarna tekende hij een diameter in de cirkel, toen een tweede haaks op de eerste, en toen nog twee deellijnen, zodat hij een cirkel met acht stralen kreeg. […] ‘Wij zeggen dat er in  het centrum van de wereld een heel hoge berg staat, de Sumeru. Rond de Sumeru bevinden zich acht bergen en acht zeeën. Dat is voor ons de wereld.’ […] ‘En we zeggen: wie zal meer hebben geleerd, hij die de tocht langs de acht bergen heeft gemaakt of hij die de top van de Sumeru heeft bereikt?’ Blz. 186

Cognetti lijkt in dit boek een pleidooi te houden voor het in hun waardigheid en authenticiteit laten bestaan van mens, milieu en bedrijvigheid. De metafoor van het jonge lariksboompje dat volgens Bruno niet zomaar te verplanten is, wijst ook in die richting. In de bergwereld heeft alles een eigen plek! Ook het inzicht … dat er in sommige levens bergen bestaan waar je niet naar terug kunt keren.

Een absolute aanrader!

 

XY – Sandro Veronesi

In de roman XY, Prometheus, 2011 van Sandro Veronesi, vertaald door Rob Gerritsen worden op een wintermorgen drie inwoners van San Giuda, een fictief afgelegen bergdorp in Noord-Italië, geconfronteerd met elf zwaar verminkte lichamen, alle door verschillende oorzaken omgekomen, en alle op hetzelfde tijdstip. Niemand begrijpt wat er is gebeurd. De 42 inwoners van het dorp vallen ten prooi aan de toesnellende media. Van eenvoudige getuigen van een onbegrijpelijk kwaad worden zij de onvermoede hoofdfiguren van deze roman. En allen verliezen langzaam de greep op de werkelijkheid. Don Ermete, de plaatselijke pastoor, kan zijn parochianen niet in de steek laten maar kan de algehele ontreddering ook niet meer alleen de baas. Daarom roept hij de hulp in van de jonge psychiater Giovanna Gassion, die op de vlucht is voor een stukgelopen relatie, om deze verloren mensen te redden. Pastoor en psychoanalytica moeten zich schrap zetten om toegang te krijgen tot de woningen en de psyche van de eenvoudige bergbewoners, waar de waanzin ontkiemt.

Alles is fictie in XY : er vindt een ramp plaats die niet plaatsgevonden kán hebben in een dorpje dat niet bestaat, zelfs binnen de romanwereld niet. Veronesi speelt een kunstig spel met Wahrheit en Dichtung. – 8weekly.nl

 

Ondanks de onverklaarbare doden en de onderhuids aanwezige dreiging is XY geen thriller. Het zijn niet de gruwelijke gebeurtenissen die tellen, maar wel wat ze aanrichten bij de personages in de roman. En om daarachter te komen, graaft Veronesi diep in hun psyche. Nooit zwaarwichtig, nooit belerend, maar altijd met die frivole toets.

Tezelfdertijd houdt Veronesi zijn lezers een spiegel voor van wat de dagelijkse gruwel die uit hun televisieschermen stroomt met hen aanricht.

Achter X en Y, de twee basiselementen van XY, schuilt het hele leven: man en vrouw, dood en leven, ratio en geloof. Sandro Veronesi schudde ze tot een onvergetelijke cocktail. – Knack.be

 

Uitgeverij Prometheus heeft XY voorzien van een van de meest lelijke en absurde covers van de laatste jaren […].Op de voorflap prijkt nu een blonde jongedame met rode lippen, wier ogen door een haarlok aan het zicht worden onttrokken. Het is het soort cover waarmee vanuit een simplistische marketinglogica om het even welke roman op het grote publiek afgevuurd kan worden. Bovenaan staat: ‘Dé sensatie uit Italië’, en boven de titel en de auteursnaam prijkt een ovaal etiket met de aanprijzing ‘Van de auteur van Kalme chaos’. Dit merkwaardige en frustrerende, maar lezenswaardige boek had een betere behandeling verdiend, al was het maar om niet uit het oog te verliezen hoe vreemd en onbegrijpelijk de dingen zijn die erin verteld worden – voor de personages, voor de auteur, en dus ook voor de lezer. – de Reactor.org

 

 

Caos Calmo – Kalme chaos | Sandro Veronesi****

Kalme chaos (2006) van Sandro Veronesi besliste ik te lezen toen ik vernam dat hij de Europese literatuurprijs 2016 , de prijs voor de beste in het Nederlands vertaalde roman van het afgelopen jaar, had gekregen voor zijn recentste roman Zeldzame aarden (2015) waarin ene Pietro Paladini opnieuw de hoofdfiguur is, tien jaar ouder weliswaar dan in Kalme chaos. Ik wou Pietro Paladini dus leren kennen en wel in zijn eerste literaire verschijning met name in Kalme chaos. De roman  is ondertussen een klassieker en werd in 2008 verfilmd.

Op het achterplat van de uitgave uit 2006, Rob Gerritsen vertaalde voor Prometheus, lezen we: Pietro Paladini is een tevreden man: hij heeft een uitstekende baan, een goede relatie en een dochter van tien. Maar op een dag verandert zijn leven ingrijpend: terwijl hij ’s ochtends een onbekende vrouw van de verdrinkingsdood redt, slaat thuis het noodlot toe.

Vanaf dat moment neemt zijn leven een andere wending. De bezorgdheid om zijn dochter neemt bizarre vormen aan. Overdag verblijft hij in zijn auto die hij heeft geparkeerd bij haar school en wacht hij tot zij weer naar buiten komt. Familieleden en collega’s komen hem op die plek opzoeken. Hij ontdekt de schaduwzijde van mensen die hij aanvankelijk als succesvol beschouwde. Terwijl de anderen allemaal de behoefte voelen om hun leed bij Pietro neer te leggen, blijft hij zich verwonderd afvragen wanneer zijn eigen verdriet in volle omvang tot hem zal doordringen.

De belangrijke thema’s in de roman zijn dood (vrouw Lara), verlies en verwerking maar ook zelfkennis en kennis van de anderen (schoonzus Marta, broer Carlo, collega’s en bazen Steiner en Bousson, Jolanda met hond Nevel, Eleonora Simoncini, de geredde vrouw). In dit verband concludeert Michaël Bellon in dS:

Wie is Pietro trouwens echt als hij zich bijna als een dubbelganger van zijn broer portretteert, als zijn eigen vader hem niet herkent, als hij zijn vrouw bedroog, en als hij ook zichzelf niet zegt te kennen. Ook de ‘waarheid’ bevindt zich hier in een permanente toestand van kalme chaos.

De fragiele vader- dochterrelatie evolueert, ondergaat een onverwachte omkering  en verankert zich daardoor in het hoofdthema van Kalme chaos ‘dat de jager de prooi wordt’. Het ongewone gedrag van Pietro die zich maanden voor de school van Claudia, zijn dochter, installeert, met de bedoeling er te zijn voor haar, leidt tot een gewijzigde kijk op wat belangrijk is in zijn leven. Hij voelt zich, van op afstand werkend voor zijn bedrijf, perfect op zijn plaats op die plek en houdt zich buiten de complexe fusiepolitiek van zijn bedrijf. Voor Claudia heeft deze beslissing van haar vader, niet meteen het beoogde effect, zo blijkt op het einde. Een bewustzijnsschok voor Pietro Paladini.

Behalve noodlot, toeval en vrije wil zijn ook de thema’s succes, geluk, liefde, eenzaamheid, vriendschap en verraad  aan de orde in  Kalme chaos. Interessant zijn ook de motieven en symbolen die gebruikt worden om die thema’s te behandelen: de beelden van kalmte en chaos die opduiken, de palindromen en ideeën over (on)omkeerbaarheid, Eros en Thanatos, het dwangmatig maken van lijsten… Ze dragen bij tot de intrigerende, soms paranoïde, humoristisch chaotische sfeer van de roman die van eind augustus tot begin december vier maanden vertelde tijd vat in 415 bladzijden. Een periode die op psychologische vlak meer van verdringing dan van verwerking heeft.

Kortom we hebben hier te maken met een bijzonder veelzijdige en indringende roman die in 2006 een  voorspellend karakter moet gehad hebben met betrekking tot de financieel-economische crisis die zich een paar jaar later aandiende. Benieuwd hoe de 43-jarige Pietro Paladini zich in Eenzame aarden  verder ontwikkelt.

Enkele recensenten over de roman:

Kalme chaos, de roman waarmee Veronesi in Italië de Premio Strega won, en dat bij ons nog steeds via mond-tot-mond-reclame – altijd het beste signaal dat een boek een lang leven beschoren is – bij nieuwe lezers belandt. Een roman die zich vermomt als een ironische zedenschets, maar au fond over de rouw van een jonge man gaat die plotseling zijn vrouw heeft verloren. Hij weet niets anders te doen dan zich te posteren in zijn auto voor de school van zijn dochter, en de hele dag op haar te wachten. In de dagen, weken die volgen ontpopt hij zich tot een biechtvader voor collega’s, vrienden en voorbijgangers, die hem komen opzoeken in zijn auto. Een tamelijk gezocht gegeven dat wonderbaarlijk onthullend uitpakt. – De Groene Amsterdammer 18/08/2010

Met Kalme chaos  heeft Veronesi zichzelf overtroffen: zijn nieuwe roman is nog rijper dan In de ban van mijn vader: minder schematisch, complexer en subtieler. Het boek verleidt de lezer tot belangrijke reflecties over de menselijke conditie in het huidige tijdsgewricht, over de onderhuidse spanningen tussen succeseconomie en persoonlijk geluk. – Trouw 11/11/2006

De chaos uit de titel overvalt, vooral bij het begin, ook de lezer: in een niet-aflatende stroom van gedachten en observaties stelt Veronesi, met (iets te?) veel gevoel voor dosering, scherp op de persoon van Paladini, wiens banden met de vele figuranten slechts bij herlezing al hun subtiliteiten prijsgeven. Het grote verschil met zijn magistrale doorbraakroman In de ban van de vader zit ‘m in de manier waarop: Veronesi is duidelijk rijper geworden en heeft geen grote vertelbewegingen meer nodig. Alle actie speelt zich af in het hoofd en het hart van de hoofdpersoon.Geen wilde achtervolgingen of dramatische taferelen, dus. Wel een huiveringwekkende tocht in de geest van een vader wiens waardenpatroon van de ene op de andere dag overhoop wordt gegooid. In een onverwachte finale weet Veronesi het boek nogmaals totaal op zijn kop te zetten. – Leeswolf 2006

Seta – Zijde | Alessandro Baricco*****

Seta, 1996, van Alessandro Baricco of Zijde, 1997, in de Nederlandse vertaling van Manon Smits, is een pareltje van vertelkunst. Deze novelle werd in 2007 verfilmd door Francois Girard met hoofdrollen voor Keira Knightley en Michael Pitt.

 

 

Alessandro Baricco start als volgt: Dit is geen roman. En ook geen verhaal. Dit is een geschiedenis. Ze begint met een man die naar de andere kant van de wereld gaat, en ze eindigt met een meer dat daar maar ligt te liggen, op een winterige dag. De man heet Hervé Joncour. Hoe het meer heet is onbekend. (blz. 5)

Zuid-Frankrijk, Lavilledieu, 1861. Door een onverklaarbare ziekte onder zijderupsen in Egypte en Syrië moet Hervé Joncour zijn zijderupsenhandel naar Japan verplaatsen. Daar raakt hij onder de bekoring van een geheimzinnige vrouw, door wie hij bij het afscheid een briefje in zijn handen gedrukt krijgt met de tekst: `Kom terug, of ik ga dood.’ Vanaf dat moment bloeit er een even vreemde als intense relatie op tussen de Franse zijdehandelaar en de vrouw met de niet-oosterse ogen.

In 65 hoofdstukjes van één tot anderhalve bladzijde worden we in de ban gehouden van een geheimzinnige vrouwelijke bekoorlijkheid;  een delicate, 19de eeuwse poëtische geschiedenis ‘die je niet even samenvat zonder eraan afbreuk te doen’ volgens de Volkskrant. Een exotisch, zinnelijk verfijnd sprookje dat je naar een sensueel verrassende pointe voert. Een mininovelle die helemaal volgens de regels van de kunst  werd geconcipieerd. Wat van groot belang is, en het verhaal in kwestie zijn fascinerende kracht geeft, is het feit, dat het gebeuren, dat de ommekeer veroorzaakt in het leven van de hoofdfiguur Hervé Joncour, niets toevalligs in zich draagt. De mens zelf is in deze novelle de smeder van zijn lot tegen alle beter weten in.  De novelle  is strak geconcentreerd op het kleine symbolische gebeuren,  waar in één OGENblik het ganse leven van een mens wordt gevangen. De novelle beeldt dat gebeuren uit met korte, snelle, suggestieve details (bvb. de reis, de symboliek van de kleurrijke en de zwarte vogels, de blauwwitte bloempjes). Ieder detail is belangrijk en het verloop zit gevat in een vertrouwd frame:  een langzame start, een plotse opgang naar een climax, een snelle afwikkeling.

‘Toen ik een jongetje was, nam mijn vader me mee naar een plek als deze, hij gaf me zijn boog in de hand en beval me op één van hen te schieten. Dat deed ik, en een grote vogel met blauwe vleugels plofte op de grond, als een dode steen. “Lees de vlucht van je pijl als je je toekomst wilt weten”, zei mijn vader tegen me.’ (blz. 44)

‘Hervé Joncour voelde het water op zijn lichaan druppelen, eerst op zijn benen, en toen langs zijn armen en op zijn borst. Water als olie. Een vreemde stilte, om hem heen. Hij voelde de lichtheid van een zijden sluier die op hem neerdaalde. En de handen van een vrouw – van een vrouw – die hem afdroogden terwijl ze zijn huid streelden, overal,: die handen en die stof die was geweven van niets; Hij verroerde zich niet, zelfs niet toen hij voelde hoe de handen van zijn schouders naar zijn nek gingen en de vingers – de zijde en de vingers – tot aan zijn lippen reikten, en ze één keer beroerden, langzaam, en weer verdwenen.’ (blz. 48)

Emmaüs | Alessandro Baricco*****

Alessandro Baricco is een bekende Italiaanse schrijver, regisseur, cultuurcriticus en weldra ook eredoctor aan de KU Leuven. Op 10 februari 2016 neemt hij zijn eredoctoraat in ontvangst. Het eredoctoraat wordt voorgedragen door promotor prof. dr. Bart Van den Bossche. Om kennis te maken met een aantal van zijn werken, werden/worden er vijf leesworkshops georganiseerd rond vijf romans tijdens de maanden januari en februari.

untitledIk las de roman Emmaüs, 2009 (Nederlandse vertaling Mano Smits, De Bezige Bij, 2010)  waarover de laatste workshop zal gaan. Ik ging op zoek naar meningen over dit zuivere, beklijvende vanuit het perspectief van de katholieke, onwetende en onschuldige adolescent geschreven verhaal dat ik niet terzijde kon leggen en constateerde dat die schaars waren. Er zijn trekken van De Barbaren in te herkennen in zover het ook hier gaat om twee werelden waartussen grenzen overschreden worden die geen terugkeer meer mogelijk maken. De stijl is poëtisch-nostalgisch, filosoferend – de ik -verteller is een achteraf verteller – over twee zeer verschillende opvoedingswerelden waarin Italiaanse jongeren opgroeien en volwassen worden. Het motto Pari all’ amore immenso / Fu immenso il suo partir. – Giovanni Battista Ferrandini, Il pianto di Maria (ca. 1732) -Even overweldigend als zijn liefde was zijn heengaan. Het boek werd opgedragen aan twee didactici. Als je  van Baricco’s introspectieve stijl houdt, duik dan zonder twijfel een namiddag in Emmaüs.

Een paar recensenten:

Het geloof is niet licht genoeg, daarom zijn wij het kwijt. Die gedachte verliet mij niet bij het lezen van Emmaüs, een prachtig boek van Alessandro Baricco – nu nog een film. Een boek over vier nauwelijks volwassen katholieke jongens in een Italiaanse stad. Alle vier zijn ze in de ban van hun mysterieuze, onkerkelijke vriendin Andre. Hun geloof wankelt wat, of wijkt. Er komen drugs aan te pas, of een leeggeschoten revolver. Voorts is er niets aan de hand. Baricco toont zich een schitterend godgeleerde, ook al is hij eigenlijk filosoof, wanneer hij het over de Emmaüsgangers heeft.

Een paar dagen na de dood van Jezus zijn twee mannen op weg naar het stadje Emmaüs, pratend over Golgotha en geruchten aangaande het lege graf. Zij ontmoeten een derde man. De dood van Jezus? Daar weet de vreemdeling niets van af. Later, als hij wil weggaan, vragen de twee gezellen hem om te blijven: het is al laat, het is avond, het gesprek wenkt. Zo geschiedt. Tijdens het eten breekt de vreemdeling het brood en plotseling herkennen de twee anderen in hem de Messias, waarna die verdwijnt. Wat is de kracht van het verhaal? ‘In het begin lijkt Jezus zelf niets te weten van zichzelf en van zijn dood. Daarna weten zij niets van hem en zijn wederopstanding.’ (blz.67)

Baricco prijst de onwetendheid. Onwetendheid als een wezenlijk onderdeel van het geloof. Wat een bevrijding. Misschien is het wel op dit punt dat de Kerk zich eeuwenlang vergiste. Het agnosticisme plaatste zij altijd buiten het geloof, terwijl het er onlosmakelijk mee is verbonden. Niet weten bevrijdt. Redt mysterie. Brengt lichtheid. – Rik Torfs, rector KU Leuven in zijn column in De Standaard, 2010

Met veel empathie en een scherp oog voor detail schetst Baricco een levensecht portret van jongens die zich wanhopig aan de Bijbel vastklampen. Tegelijkertijd beseffen ze dat ze wel moeten afwijken van het rechte pad om het echte leven bij de horens te grijpen. Rode draad in deze fijngevoelige roman is de Bijbelse Emmaüspassage. Pas helemaal aan het eind van de rit snapt de ik-figuur de ware betekenis van het Bijbeltafereel en buigt hij deemoedig het hoofd. Moraliserende lessen hoef je bij deze Italiaanse stilist niet te verwachten al fleurt hij zijn verhaal wel op met genuanceerde filosofische beschouwingen over de bijwijlen dubbele katholieke moraal. Deze duik in het leven en de liefde van jonge adolescenten is bovendien een feest van herkenning. Baricco haalt met soepele pennentrekken vergeten gevoeligheden weer op en geeft ze de heroïsche allures die ze verdienen. Het maakt van Emmaüs een sprankelende ode aan de jeugdige verwondering die nog lang blijft nazinderen.- Laurent Meese in De Leeswolf, 2011

Numero Zero – Het nulnummer – Umberto Eco***

Nog nooit las ik een boek dat de krantenwereld zo op de korrel neemt als de laatste roman Numero Zero van Umberto Eco, vertaald als Het nulnummer, Prometheus, 2015. Omdat mijn kennis van de Italiaanse politieke gebeurtenissen tussen 1945 en 1992 beperkt is, op enkele feiten na, ontging me heel wat. Echter, de wijze waarop de redactie van Morgen, aan kopij komt, de methodes die door de hoofdredacteur worden voorgestaan en de taalinstructies die de journalisten krijgen, het is alles ronduit burlesk. Echt gedreven heb ik gelezen wanneer de journalist Braggadocio tegenover verteller Colonna het Mussoliniverleden van Italië in verband weet te brengen met de aanslagen van 1992. Hij is een hallucinant complot op het spoor, denkt hij. Toen Gladio genoemd werd, het geheime netwerk dat na de Tweede Wereldoorlog werd opgezet in Europa tegen een mogelijke sovjetinvasie, en het koppel, Maia en de ondertussen ondergedoken Colonna, toevallig op de BBC-reportage over Gladio afstemmen, had ik als lezer een ‘connect-ervaring’. Ik herinnerde me de reportage nog levendig en meteen ook de verbijstering die ze bij me had teweeg gebracht.

Historische roman en satirische krantenthriller doorspekt met een grotesk liefdesverhaal, dat is Het nulnummer. Maar laat ik Jean-Pierre Rondas (Streven, Juni 2015) in een opmerkelijke analyse van de roman en de hedendaagse krantenwereld aan het woord:

‘Met Het nulnummer schreef Umberto Eco (°1932) een roman over een krantenredactie die van een vaag blijvende mediamagnaat de opdracht krijgt een serie van twaalf opzettelijk leugenachtige, waarheid verdraaiende ‘nulnummers’ samen te stellen maar uiteindelijk niet in staat blijkt te zijn om ook maar het eerste nulnummer half vol te krijgen. Hoe dat komt, vertelt ons het ik-personage, de erudiete loser en ‘man zonder eigenschappen’ Colonna. Deze eerste verhaallijn dient ook als bedding voor een tweede, die op het eerste gezicht van dit eerste onderwerp lijkt af te wijken en alles te maken heeft met de complottheorieën die we kennen uit Eco’s vorige romans De slinger van Foucault (1988), Baudolino (2000) en De begraafplaats van Praag (2010). Deze tweede lijn maakt trouwens een einde aan het journalistieke project.
Het nulnummer is zoals dat heet gemengd onthaald: van totale verwerping tot laaiend enthousiasme. Het probleem is dat de receptie van een roman veelal gemeten wordt aan het aantal en de kwaliteit van de recensies die geschreven worden door precies die redacties waarvan hier een negatief prototype tot op het bot wordt bekritiseerd. De meeste van deze recensenten hebben dan ook de neiging om niet diep in te gaan op de scherpe en soms cynische journalismekritiek die Eco hier ten beste geeft, maar des te meer op het detective-aspect van de complotterij waarmee hij zo graag speelt – zonder dat ze het verband met de huidige journalistiek wensen te zien. Ik tenminste heb geen enkele tekst mogen lezen die dit verband heeft gelegd. De twee aspecten worden apart besproken, waarbij geïnsinueerd wordt dat Eco hier twee van zijn speeltjes artificieel heeft verbonden.’
J.- P. Rondas besluit zijn artikel ‘Opgezet spel’ als volgt: ‘Het begin van de gedwongen verweekbladisering van de krant kunnen we inderdaad rond 1992 situeren. Op basis daarvan schreef Eco met Het nulnummer en met zijn gekende procedés een indringende satire op de krantenmakerij en haar methodes. Maar de krant heeft haar metamorfose tot weekblad goed doorstaan. Anno 2015 zitten we al een tijdlang in de periode van de gedwongen vertwittering van de krant, niet alleen qua vormgeving (die in druk wordt geïmiteerd) maar ook in de pregnantie van de kort gestelde bewering, volledig in eenklank met de beweringsjournalistiek die vandaag heerst. Men zegt vaak dat de krant haar macht kwijtspeelt aan de sociale media. Dat is nog maar de vraag. De krant zou ook wel eens haar vertwittering kunnen overleven, meer zelfs: ze zou wel eens de leiding kunnen nemen van de modellen die ze imiteert. Dan krijgen we pas een opgezet spel.’

%d bloggers liken dit: