Mijn strijd 6 – Vrouw – Karl Ove Knausgård****

Over het sluitstuk van de Mijn strijd-cyclus.

mijn-strijd-vrouw-karl-ove-knausgard-boek-cover-9789044532272‘Knausgård is onweerstaanbaar’ – NRC Handelsblad, staat vooraan op de cover van Vrouw, het laatste boek in de reeks Mijn strijd. Marianne Molenaar vertaalde uit het Noors voor De Geus.

Ik waag het om het met die onweerstaanbaarheid niet helemaal eens te zijn. Misschien omdat ik vier van de vorige boeken las – en één half, namelijk Nacht – en in dit laatste en zesde boek veel van de gedachten, gevoelens en situaties uit de vorige boeken, zij het samenvattend, weer aan bod komen. Vrouw lijkt meer dan de andere boeken een soort zelfverdediging tegen de gevolgen van de blootstelling van zijn privéleven aan de openbaarheid. Tegelijk veroordeelt hij zichzelf als hij reflecteert over zijn houding jegens zijn familie, zijn vrouw Linda Boström en zijn kinderen Vanja, Heidi en John; wil hij tonen dat hij niet altijd de sociaal aanvaardbare echtgenoot en vader is. Op die manier gaat in deze eerlijkheid ook het hengelen naar goedkeuring schuil, wat hij zichzelf dan weer verwijt. Hij formuleert het aan het einde van het boek zo: ‘Ik zal mezelf nooit vergeven waar ik hen aan heb blootgesteld, maar met wat ik heb gedaan, moet ik leven.’ Blz.1075  Hij is dus niet altijd onweerstaanbaar maar wel menselijk in  zijn zelfonderzoek, in het onderzoek naar de motivatie van zijn schrijverschap, zijn schrijfstijl, zijn relatie tot de wereld en de werkelijkheid, zijn werkelijkheid.

In verband met de hele reeks rijst bij de lezer maar vooral ook bij de auteur de vraag over het verband tussen werkelijkheid en fictie en het noemen met naam en toenaam van concrete personen, gebeurtenissen en plaatsen. ‘Maar de naam van mijn vader kon ik niet veranderen. Stel dat ik hem ‘Georg Martinsen’ zou noemen bijvoorbeeld, dan zou ik niet meer over hem schrijven over wie hij voor mij was, een lichaam van vlees en bloed dat ook mijn vlees en bloed is, want de naam is het enige uit de werkelijkheid wat onveranderd in de roman kan bestaan, verder is alles een verwijzing naar, naar een huis of een boom bijvoorbeeld, zonder op zichzelf een huis of een boom te zijn: alleen de eigennaam kan in de roman en de werkelijkheid hetzelfde zijn. Van Iedereen kon ik verder de naam veranderen maar niet van hem. Ook omdat ik over mezelf en mijn identiteit schreef: wie werd ik als mijn vader iemand was die Georg Martinsen heette?’ Blz.370

Indringend en erg diep gravend is de analyse van een gedicht Engführung van Paul Célan in het essay De naam en het getal en van het ontstaan van het nationaal-socialisme als hij Hitlers Mein Kampf  diagonaal leest. Over mystiek naar aanleiding van Célans gedicht en omdat Knausgård ook meewerkt aan een Noorse bijbelvertaling – ‘Het hart is het symbool van het innigste, van het diepst gevoelde, het tegenovergestelde van het intellect en de ratio en van het uiterlijk. En op dat punt, in erkenning van en in meditatie over de goddelijke natuur, in het zelf aanwezig door middel van de innerlijke extase, wordt de taal een probleem in de religie. […] alleen door te zeggen wat het goddelijke niet is, kan men het benaderen zonder het te reduceren. ’ ‘Kun je überhaupt zeggen dat God iets is? Binnen die richting hoort de uitspraak van de kabbalisten thuis dat God in de diepte van zijn niets rust. God is niets. Daarmee is niet gezegd dat er in Célans gedicht enige vorm van mystieke ervaring onderzocht wordt, alleen dat de taal in het gedicht trekken gemeen heeft met de taal van de mystiek, omdat de probleemstelling dezelfde is: hoe iets benaderen wat niet is zonder het tot iets te maken wat is.’ Blz.410

Over Hitler in vergelijking met de Duitse romantici ‘- alles wat hij kan , is de vorm van anderen herhalen en wel op de meest eenvoudige wijze: als een cliché. Ook zijn gedachten zijn beperkt, ze blijven binnen de cultuur hangen waarin hij leeft, vol vooroordelen en algemene inzichten, halve waarheden, geruchten en gangbare onbetrouwbaarheden die, naar Hamann aantoont, verbazend vaak uit de Weense kranten en de populistische tijdschriften uit die periode stammen’. Blz.578  ‘Deze taal is hol, en ze werd de taal van de nazi’s, maar is ze onwaar? Het gedicht van Paul Célan is een antwoord op die taal die de hele cultuur kapot heeft gemaakt. […] Van alles wat die taal behelsde hebben we ons ontdaan.[…] Het verlangen naar werkelijkheid, het verlangen naar authenticiteit drukt niets anders uit dan een verlangen naar zin, en zin ontstaat in een bepaald verband, in de manier waarop we met elkaar en onze omgeving verbonden zijn. Dat is de reden dat ik schrijf, ik probeer de verbindingen die ik aanga te onderzoeken, en als ik word aangetrokken door het authentieke, is ook dat een verbinding die ik moet onderzoeken.’ Blz.583

Dat onderzoekende is ook aanwezig wanneer hij het over zijn kunstbeleving heeft, over het plus van het sublieme in een schilderij of een ervaring in de werkelijkheid. ‘De kunst is uniek en lokaal, altijd op zoek naar het unieke en het lokale, gericht tegen alles wat dat bedreigt. En juist daarin schuilt haar waarde.’ Blz.624

Wanneer hij een portret schetst van Hitler noemt hij hem ‘een kleine man die over de grote tijd schrijft’, als een man die, afgesloten van zijn gevoelsleven, ten prooi is aan een innerlijke chaos, die de eugenetica en de rassenbiologie van zijn dagen kent, die door zijn charisma weet te appelleren aan het ‘wij’ tegenover het joodse ‘zij’, die het onderscheid tussen het nationalistische Duitse en het marxistische joodse baseert in een factor die hij het werk van de Heer noemt, de natuur dus en in deze visie vinden al de daden van alle latere nazi’s hun oorsprong. Hitlers stijl maakt de link tussen enerzijds de verheven wetenschappelijke stijl van die tijd, tussen cultuur dus en natuur en ‘daarmee tussen lichaam, politiek en biologie’ Blz.734 Knausgård heeft het in dit verband ook over propaganda en maakt de vergelijking met onze hedendaagse reclame die op dezelfde principes is gebaseerd maar die we naar een ongevaarlijk deel van de maatschappij hebben verbannen.

Nadien denkt hij na over hoe hij zich nooit deel van een geheel een ‘wij’ heeft gevoeld. ‘De rol van schrijver redde me: daarin was alleen zijn legitiem, ik was iets wat losstond van anderen, een kunstenaar.’  Behalve door de gebeurtenissen in Utøya omdat het ‘thuis’ in Noorwegen gebeurde. ‘Dat was de duisternis van het verdriet, maar ook van de misdaad, en die van de dood.’ Blz.749

In de taal van het Derde Rijk ‘wordt aan iets ruimte ontzegd, aan de ene kant het individuele en unieke, aan de andere kant het complicerende, dat wat meerduidig maakt, het aarzelende, onzekere, langzame, en als alles wat daarmee verbonden is verstomt, niet langer de ruimte krijgt om zich te articuleren, verdwijnt het.’ Blz. 751 ‘De stilte, dat was de jodenvernietiging; het geluid van het menselijke dat plots ophoudt[…].’ Blz.752

En wat is moraal? ‘De moraal is het wij in het ik, een factor in het sociale dus, en staat boven de waarheid. Het ‘zo hoort het’ van de moraal is de stem van het fatsoen, die redt ons. Maar het is ook de stem die het ik belemmert, de stem van het tegenovergestelde van de waarheid en de vrijheid, de stem die ons tegenwerkt. Op dat laatste doelt Heidegger met het Men: de dictatuur van het wij, de tirannie van het doorsnee, de kleinburgerlijkheid die alles in zichzelf verandert. Dat hij Hitler niet doorzag […] is verbazingwekkend.’ Blz.764

Verder denkt hij na over wat Levinas over het hitlerisme zegt; over het fractale in het universum; over de dagboeken van Witold Gombrowicz, Poolse schrijver; over Van Gogh die schilderde ‘zoals een dode de wereld ziet’, alsof degene die de vertrekken en landschappen ziet, ze heeft moeten achterlaten, dood is dus; over de ruimte bij Cézanne; over de verantwoordelijkheid van het ouderschap waarvan o.a. zijn vader wegliep; over dat de werkelijkheid alleen kan worden beschreven als je de grenzen van het sociale overschrijdt; over de afgunst in het schrijversmilieu; over wanneer je tot de top in de literatuur behoort.

En dan net voor hij dit laatste Mijn strijd-boek wil afwerken, komt de instorting, de manische aanval van zijn vrouw Linda en moet hij al zijn schrijversverplichtingen afzeggen. De vooropgestelde deadline wordt niet gehaald. De oma’s Sissel (zijn moeder) en Ingrid (haar moeder) worden herhaaldelijk ingeschakeld en het laatste boek wordt pas een jaar later afgewerkt. Karl Ove heeft al die jaren zijn stem kunnen uiten, schreef zich doorheen alle wederwaardigheden, nu is Linda aan de beurt. Haar boek is ook klaar. De schrijver is zich bewust welke impact zijn boeken op het leven van kennissen, vrienden, familie, hemzelf en zijn vrouw hebben gehad. Karl Ove zet (voorlopig) een punt achter zijn schrijverschap en draagt Vrouw op aan Linda, Vanja, Heidi en John.

Hoe ik las ? Begeesterd door de uiteenzettingen over identiteit, literatuur, filosofie, kunst, de geschiedenis van Het Kwaad; verbaasd over hoe de auteur van soms donkere beschouwingen swicht naar de dagelijkse triviale werkelijkheid en die met herhalende nauwgezetheid tot wezenlijke eigenheid maakt; heen en weer geloodst tussen sympathie enerzijds voor Karl Ove, die zo ontroerend oprecht in de spiegel kijkt, en anderzijds voor zijn vrouw Linda, die zichzelf kwijtraakt naast de overweldigend succesvolle schrijver die het openlijk over haar en haar ziekte heeft en over Tonje, zijn ex-vrouw, over een dronken escapade, wel honderdmaal zegt dat hij van haar houdt maar op een bepaald punt toch blind is voor haar diepste nood: een eigen stem.

Joodse cultuur: wij levende Joden | DIE ZEIT

Duitse derde generatie Joden over identiteit en verwerking

Das Judendenkmal (Berlin) – foto : frie peeters

Terwijl ik nog steeds volop in Knausgårds essayistische beschouwingen zit over de gruwel van de Holocaust die het nationaal-socialisme als een doodgewone, stille, onopvallende en door onschuldige volksmensen nagebauwde en geaccepteerde  ‘zuivering’ wist uit te voeren; over de taal die spraak werd die niets anders dan bezweren kon; over het ‘wij’ dat geen ‘jij’ meer kende en slogans bezigde als ‘Jij bent niets, jouw volk is alles’ aldus appellerend aan een uitzinnige offerbereidheid; over hoe dat alles langzaam groeide en uit controle raakte. Terwijl ik dus al lezend in Vrouw  volop in de reflectie over die periode uit de geschiedenis zit, vind ik vandaag deze artikelenreeks in DIE ZEIT. Ik deel ze graag want ze zijn teken van grote weerbaarheid en van dialoog.

Deutschland vermisst jüdische Kultur? Hier sind wir und so denken wir. Ein Gruppenporträt der Dritten Generation, der Enkel von Holocaustüberlebenden in Berlin – DIE ZEIT

In deze reeks hebben de kleinkinderen van de Holocaust het over wat het betekent om vandaag Jood of Joodse te zijn in Duitsland. Het zijn stuk voor stuk zelfbewuste jongeren die geleerd hebben met een dubbele identiteit/nationaliteit te leven en met een moeilijk verleden. Ze kanaliseren hun woede en frustratie in hun kunst. Het zijn wereldburgers. De rekensom van verleden en heden is voor hen de toekomst. Ze zijn niet zo burgerlijk, saai of schijnheilig als Maxim Biller beweert en weerleggen zijn aantijging. De artikels zijn een reactie op wat schrijver en literatuurcritcus bij Das Literarische Quartett (ZDF) Maxim Biller (° 1960) in Jüdischen Allgemeine,  in een interview over zijn recente roman Biografie, over deze jongeren  zei:

Wissen Sie, warum ich Ihrer Zeitung so gern ein Interview gebe? Weil ich hier – und nur hier – wirkungsvoll die Frage stellen kann: Wo sind die anderen jüdischen Leute in Deutschland, die wie ich versuchen, den nächsten großen Roman zu schreiben? Müssen die alle wirklich Ärzte, Anwälte oder Springer-Journalisten sein? Kann da nicht einer dabei sein, der eine geniale Sinfonie komponiert, ein verrückt teures Bild malt oder ein Buch schreibt, über das sich Juden und Nichtjuden gleichzeitig aufregen? Müssen die Kinder und Enkel der seit 1945 in Deutschland lebenden Juden wirklich alle so bürgerlich, langweilig und scheinheilig sein? Müssen die wirklich jeden Freitagabend bei ihren Eltern sitzen und so tun, als hätten sie noch nie in ihrem Leben einen Joint geraucht?

In gedachten was ik ook weer bij Watou 2016 waar in de laatste, de elfde locatie in de Kerk de installatie van Moniek Toebosch (NL), Les Douleurs Contemporaines V , 1998 stond. Een onregelmatige rij van grijs-zwarte geluidsboxen van verschillende hoogte waarin gejammer, gehuil, gesnotter, geschreeuw van vrouwen en kinderen wordt geactiveerd wanneer je er voorbijgaat. Ik maakte onmiddellijk de associatie met bovenstaande beklijvende Berlijnervaring.

Denk’ es ! – Adolf Hitler

Over de reset van het imago van een dictator

Reset (Vienna 1909, 20-year old Adolf Hitler is Homeless), 2016 by Roy Villevoye, 2016 – foto: frie peeters

Het Kunstenfestival Watou 2016 en Karl Ove Knausgårds roman Vrouw, hebben  voor mij deze week iets van een opmerkelijke synchroniciteit doen oplichten.

Ik lees al gedurende een paar weken in deze roman, die zo’n 1080 bladzijden dik is, en net als de voorgaande delen oogt als een bijbel, jawel, en het is niet dat je er doorheen vliegt tegen een hoog leestempo. De auteur schrijft er over identiteit, menselijkheid, kunst, literatuur en over zijn familie, gezin en vrienden op een ontroerend realistische wijze. Bij de essayistische passages is lezen en overdenken aan de orde. Er zijn nog 380 bladzijden te gaan maar met deze tussentijdse bedenking over mijn leeservaring kon ik niet wachten.

De reeks waartoe Vrouw behoort nl. Mijn Strijd bestaat uit zes delen: Vader, Liefde, Zoon, Nacht, Schrijver en VrouwVrouw is dus het laatste en recentste deel. Knausgård raakte in juridische moeilijkheden met zijn oom verwikkeld omdat hij in zijn bijzonder realistische stijl een beeld van zijn autoritaire vader en de familie Knausgård had opgehangen dat volgens die oom absoluut niet strookte met de werkelijkheid. Daarover gaat onder andere het eerste deel van deze roman. Hij voert dus  zijn strijd als schrijver en heeft af te rekenen met scherpe kritiek. Inspiratie voor dit literaire opus magnum werd ondermeer gevonden en heeft wellicht te maken met een vondst bij het ruimen van de woning na het overlijden van oma Knausgård. Een exemplaar van Hitlers Mein Kampf  wordt uit een oude koffer opgediept en een ijzeren reversspeldje met de Duitse arend waarvan hij zich afvraagt of zijn vader dit ooit heeft opgespeld. Er is ook de vage herinnering dat hij opa Knausgård ooit over een Noorse politicus die op het tv-scherm verscheen hoorde zeggen ‘wat doet die jood daar?’.  Hij leest Mein Kampf  maar niet publiek. Hij is op dat ogenblik al een beroemd schrijver en hij wil met het boek niet geassocieerd worden. Ook zijn mening over Mein Kampf , waaruit hij ettelijke passages citeert, en zijn analyse van het opkomende nationaal-socialisme in de eerste helft van vorige eeuw maken deel uit van dit eerste deel van Vrouw want 2011 is het jaar dat hij Mein Kampf leest terwijl hij aan het laatste deel van Mijn Strijd werkt.

Even terug naar het Kunstenfestival Watou 2016.  In de Douviehoeve staat in de smalle gang voor je de eregalerij, gewijd aan Patti Smith, instapt een wassen beeld rechts tegen de muur geleund Reset (Vienna 1909, 20-year old Adolf Hitler is Homeless), 2016 van Roy Villevoye (NL). Een verwaaide haveloze figuur in zwarte lange winterjas. Aan de muur ertegenover het volgende gedicht: Denk’ es! / Wenn deine Mutter alt geworden / Und älter du geworden bist, / Wenn ihr, was früher leicht und mühelos, / nun mehr zum Last geworden ist, / Wenn Ihre lieben, treuen Augen / nicht mehr, wie einst, ins leben seh’n / Wenn ihr müd’ gewordnen Füsse, / Sie nicht mehr tragen woll’n bien Geh’n, / Dann reiche ihr den Arm zur Stütze / Geleite sie mit froher Lust – / Die Stunde kommt da du sie weinend / Zum letzten Gang begleiten musst ! / Und fragt sie dich, so gib ihr Antwort, / Und fragt sie wieder, sprich auch du! / Und fragt sie nogmals, steh’ ihr Rede, / Nicht ungestüm, in sanfter Ruh! / Und kann sie dich nicht recht verstehen / Erklär’ ihr alles frohbewegt; / Die Stunde kommt, die bitt’re Stunde, / da dich ihr Mund nach nichts mehr fragt ! – Adolf Hitler. Ik zag eerst het beeld, las nadien het gedicht en dacht ‘ja, hij is wellicht ook meedogenloos voor zijn moeder geweest en hier spelt hij ons nu de les’. Het gedicht werd in 1923 geschreven. Hitlers moeder, Klara Hitler-Pöltz stierf in 1907.

Het is uit deze periode van Hitlers jeugd dat Knausgård  – August Kubizek, de enige Oostenrijkse jeugdvriend van Hitler citerend en hem confronterend met de Engelse biograaf van Hitler Ian Kershaw – vertelt. Hitler heeft een autoritaire vader die zijn koppige wil om kunstenaar te worden probeert te breken ten gunste van een ‘fatsoenlijke’ toekomst. Zijn vader overlijdt en zijn moeder geeft toe. Maar zij sterft en in 1909, als zijn erfenis is opgeleefd, is hij een gemankeerde kunstenaar die aanschuift in de daklozenrijen van Wenen. Hij is op de bodem van de maatschappij beland na de dood van zijn moeder die hem altijd financieel steunde. Hij heeft geen weet van de aard van haar ziekte als hij voor haar dood van Linz naar Wenen vertrekt om er aan de kunstacademie te gaan studeren waar hij wordt afgewezen. Knausgård vermoedt dat het zijn portfolio aan identiteit mangelde want hij onderneemt later nog twee pogingen om toegelaten te worden maar zonder succes. Als hij bij een bezoek aan zijn moeder verneemt dat ze terminale borstkanker heeft, raast hij furieus tegen de onkunde van de artsen maar blijft de laatste weken van haar leven bij haar om haar te verzorgen. Nadien trekt hij weer naar Wenen, leeft van zijn kleine erfenis en deelt er aanvankelijk een kamer met zijn vriend ‘Gustl’ Kubizek, die wel als musicus aan de kunstacademie wordt toegelaten, maar komt, als Kubizek naar het buitenland moet, snel in het uitzichtloze straatje van de dakloosheid terecht, slaapt op de banken van de Weense parken. Tot hij vanuit München, waar hij zonder iemand een bericht na te laten naartoe was verdwenen, gedurende de mobilisatie van WOI als enthousiasteling naar het front trekt. De rest van de geschiedenis is een wraakoperatie voor Duitslands capitulatie, een vergelding voor de zinloze massaslachting van een generatie jonge Duitse ‘helden’ in ’14 -’18.

Toen ik dus deze week bij Knausgård dit geresette beeld van de jonge Hitler tegenkwam in het kader van de identiteitskwestie van de man en de etnische diversiteit van de industriële maatschappij in het Oostenrijks-Hongaarse Europa van het begin van vorige eeuw met de focus op mechanisatie en productie en de verpaupering van het arbeidersvolk, constateerde ik dat het leven van de jonge kleinburgerlijke Hitler begrip kon opwekken en dan wel door Knausgårds  genuanceerde hermeneutisch kritische blik.

Het gedicht aan de muur in Watou verraste me in eerder negatieve zin, de toelichting bij de wassen figuur die met de rug naar de naderende bezoeker staat, maakt duidelijk dat de kunstenaar ons beeld van Hitler ‘terugzet’,  naar een periode dat de toekomst nog alle kanten uit kon, daarmee verwijzend, net als Knausgård, naar de omstandigheden die mee het pad dat iemand inslaat, bepalen. Het is  via Knausgårds gevoelige lezing van Hitlers jeugd dat Roy Villevoyes werk voor mij betekenis krijgt en dat  de confrontatie met het belerende moedergedicht Denk’ es! van de 34-jarige NSDAP-leider, in de gevangenis wegens poging tot staatsgreep,  werkt als een ‘wassen neus’, wat het ook  is. Het gedicht zou namelijk niet door Hitler zelf geschreven zijn zoals Menno Wigman in zijn nawoord van de door Paul Damen samengestelde bundel ‘Bloemen van het kwaad’ aanneemt. Wigman besliste echter in februari 2017, overtuigd door het grondige onderzoeksjournalistiekwerk van BartFMDroog en Jaap van Born betreffende de authenticiteit van het gedicht, om zijn essay -dat ook in Trouw verscheen- terug te trekken.

De latere Führer is voor Knausgård ,  een bizarre buitenstaander met een grootheidswaan die door zijn gespleten innerlijk in de spiegel keek van een al even gespleten maatschappij en handig wist te appelleren aan de gespletenheid van de toenmalige volksmassa,  door een duivels retorisch charisma dat een tot dan ongeëvenaard haatdiscours bezigde en zo een massa mensen mee de afgrond in sleurde.

Denk daaraan, lieve lezer.

Steek je hand op als je Knausgård hebt gelezen – Tim Parks | The New York Review of Books

Een blogpost in NYT Review of Books The Knausgaard Fallacy trok vandaag mijn aandacht. De NYR blogger, Tim Parks, stelt onderstaande vragen in verband met Literatuur (ja hoofdletter) en wat hij noemt genre fiction d.i. populaire lectuur die vroeger nauwelijks een vermelding kreeg in recensies.

Is there any consistent relationship between a book’s quality and its sales? Or again between the press and critics’ response to a work and its sales? Are these relationships stable over time or do they change? [bron: Tim Parks for The New York Review of Books]

Hij stoort zich aan het feit dat teveel recensenten surfen op de wave van het commercieel succes van een boek om het te beoordelen als kwalitatief goed, zelfs vaak zonder de inhoud van het boek te kennen of te weten of het om een echte bestseller gaat. Volgens hem zou het succes van Knausgård vooral in Noorwegen moeten gesitueerd worden. Noorwegen een land dat slechts 5 miljoen inwoners telt, de helft van bijvoorbeeld de Londense populatie en beslist niet te vergelijken met een Amerikaans bestsellersverhaal.

The curiosity with Knausgaard, then, is that the impression of huge and inevitable success was given not with the precedent of previous international success, but solely on the basis of the book’s remarkable sales in the author’s native Norway. Norway, however, is a country of only 5 million people—a population that is half the size of London’s—and of course the whole tone and content of My Struggle may very well be more immediate and appealing for those who share its language and culture; it is their world that is talked about. So the great success was announced before it happened and continues to be announced as it continues not to happen. At the level of public perception, in a way, it has happened. People believe the book is major bestseller. Let us try to get the situation into some kind of perspective.
[… ] since most newspapers have gone online and many have their own online bookshops, a certain confusion seems to be developing between reviewing and sales promotion. Bestseller lists sit beside reviews on every webpage, as if commercial success were an index of quality, while one can often click on a link at the end of a review to buy the book. Literary novels come complete with stickers announcing them as international bestsellers as if this were a part of their literary achievement. In Europe publishers never forget to tell readers in how many countries the author’s work is published.

De blogger gaat verder met te stellen dat lezers er de voorkeur aan geven dat schrijvers zich niet door de smaak van hun publiek laten beïnvloeden, zich onafhankelijk van succes opstellen maar dat zowel de schrijver als de lezer zich veeleer door verkoopcijfers laat leiden als door recensies. De teleurgestelde Tim Parks komt tot deze conclusie:

I can only encourage others (and myself, for I’m by no means immune) to hold on to the idea that what matters about a book for the reader is our experience reading it, not the number of copies it has sold. However, given that it is unlikely that critics, publishers, and retailers will ever stop using commercial success as a tool of persuasion, let us at least have easy access to the real sales figures. I might for example have picked up Knausgaard’s Struggle precisely to be able to talk about it with others, only to discover that the others hadn’t read him. But then I suppose we have all read the reviews. We can talk about those.

Dat een Amerikaans publiek zich niet meteen massaal in Knausgårds wereld herkent en daarom zijn boeken er niet meteen bestsellers zijn naar Amerikaanse maatstaf, valt best te begrijpen. De ‘fallacy’ betreft hier dat het in de Amerikaanse media aangekondigde succes van Karl Ove Knausgård niet het internationale betrof maar ‘slechts’ het Noorse. Dat succes zou voor de internationale lezer toch één van de charmes van een schrijver kunnen zijn nl. dat hij je introduceert of onderdompelt in een je volkomen onbekende wereld? De vertalingen maken hem dan in elk geval voor meer lezers toegankelijk. En mag je van een recensent niet verwachten dat hij altijd een commentaar schrijft die ertoe doet d.i. in elk geval gebaseerd op eigen leeservaring? Zoveel is zeker: al zou ik toegang gehad hebben tot de exacte verkoopcijfers van Knausgårds werk dan zou me dat niet verhinderd of aangezet hebben om zijn Mijn Strijd-cyclus te lezen. Een beproefde recensent(e) was daartoe wel in staat.The proof of the pudding is only in the eating!

Mijn Strijd 3 – Zoon – Karl Ove Knausgård *****

downloadZoon (Min Kamp.Tredje bok) het derde boek in de reeks Mijn Strijd van de Noorse schrijver Karl Ove Knausgård dat in 2013 naar het Nederlands werd vertaald voor De Geus door Paula Stevens,  begint op wat ongebruikelijk afstandelijke manier. De auteur herinnert zich uit de tijd – augustus 1969 – dat het jonge gezinnetje van Oslo naar Tromøya in Zuid-Noorwegen verhuist natuurlijk niets. Hij was immers de acht maanden oude baby die  op dat ogenblik in de kinderwagen zat. Het is via foto’s uit het familiearchief dat de volwassene zich zijn peuter- en kleutertijd probeert te herinneren. De filosofische vraag waarom sommige gebeurtenissen haarscherp in zijn geheugen gegrift zijn en andere, eveneens belangrijke, er compleet uit verdwenen zijn, houdt hem regelmatig bezig. Het verhaal komt pas goed op gang en krijgt een prettige dynamiek op het ogenblik dat de schoolleeftijd aanbreekt, dat de herinneringen glashelder en levendig worden. Knausgård kruipt helemaal in de jonge Karl Ove en weet een bijzonder authentiek beeld neer te zetten van zichzelf als tweede zoon in een Noors  gezinnetje in de jaren zeventig. We krijgen minutieus gedetailleerde beschrijvingen van de omgeving, het weer, de buren, de vrienden, de ouders en van wat de introverte Karl Ove denkt en hoe hij sociaal, psychisch, fysiek en seksueel evolueert. Beschrijvingen wisselen af met pittige kinder- en tienerdialogen. Geen van de vorige boeken, Vader en Liefde, was in staat mij zo hartelijk te laten lachen. De spanning wordt vaak meesterlijk opgebouwd bij de beschrijving van het onvoorstelbaar gevaarlijke kattenkwaad dat wordt uitgehaald en waar ze soms mee wegkomen maar dat ook regelmatig en onvermijdelijk eindigt in de keiharde autoritaire straf van vader Knausgård, de angst in huis. Het boek eindigt met de verhuis van het gezin naar Kristiansand aan het einde van Karl Oves eerste jaar middenschool. Zijn broer Yngve, de eerste die in opstand komt tegen vader Knausgårds beslissingen, gaat niet mee, blijft ter plaatse op kamers wonen en zal er zijn laatste jaar gymnasium afwerken. Zoon legt eens te meer de strijd bloot die Karl Ove levert om tegelijk de beste te zijn en er toch bij te  horen, om met de anderen rekening te leren houden, om via alle wederwaardigheden zichzelf en het leven beter te leren kennen. Knausgård doet dit in een taal en stijl die niet gespeend is van humor, met een buitengewone zin voor detail en zintuigelijkheid en met soms pijnlijke oprechtheid.

ISBN: 9789044524994-Aantal blz:448-Versch. datum: 2013-03-01
Oorspr. titel: Min kamp.Tredje bok-Genre: Vertaalde literaire roman
Oorspr. taal: Noors-Vertaler: Paula Stevens- uitgeverij DE GEUS

Mijn Strijd 1 – Vader – Karl Ove Knausgård *****

download (3)Min kamp. Første bok (2010) vertaald naar het Nederlands door Marianne Molenaar als Vader opent met de zin ‘Voor het hart is het leven simpel: het slaat zolang het kan. Dan stopt het.’ Meteen volgt een beschrijving van de fysieke verschijnselen die het hart en het lichaam gaan vertonen wanneer de ‘pompende beweging’ van dat hart ophoudt. ‘Immers op hetzelfde moment dat het leven het lichaam verlaat, behoort het lichaam tot het dode.’ De beschouwingen over de dood waarmee het eerste deel van start gaat o.a de vraag waarom we de dood toedekken, verbergen, brengen de lezer bij een punt in de auteur zijn leven waarop hij in staat is stil te staan bij de relatie met zijn vader, familie en vrienden en die relatie blijkt er één te zijn van angst en onbegrip. Karl Ove is eenzaam en past zich op verregaande wijze aan aan wat de anderen van hem verlangen, stelt zich in sociaal contact erg timide op en analyseert deze levenshouding tot in de kleinste details. Een ongewoon veeleisende, afstandelijke vader ligt aan de basis van zijn gevoel van ontoereikendheid. Dat hij dan in 2009 op een ogenblik in zijn leven waarop hij alles heeft om gelukkig te zijn dat eigenlijk niet is en op de koop toe midden in een writer’s bloc is beland,  confronteert hem met de vraag naar de betekenis van zijn bestaan.  De dood van zijn vader in 1998 – waarover het tweede deel van het boek handelt – en het daaromtrent verdrongen verdriet dat pas in 2009 al schrijvend naar de oppervlakte kan worden gebracht, deblokkeert hem tevens als schrijver. Karl Ove heeft een ambivalente houding ontwikkeld tegenover zijn vader en wordt heen en weer geslingerd tussen emotionele uitersten bij de verwerking van dit verlies. Gedetailleerd vertelt hij over de natuurmystieke momenten die hem te beurt vallen, over zijn hang naar ritueel, over wat poëzie met hem doet, over zijn enigmatische kunstbeleving. De schroomvolle tederheid in de omgang met oma die de eerste getuige was van de dood van zijn vader en wiens huis hij samen met zijn oudere broer Yngve een grondige opruim- en poetsbeurt geeft terwijl ze hun eigen verdriet proberen te verwerken, is aandoenlijk eerlijk en oprecht. Vader is sterker, authentieker en ontroerender dan Liefde. Een absolute aanrader.

ISBN: 9789044524529 – Aantal blz: 448 – Versch. datum: 2012-10-01 – Oorspr. titel: Min kamp. Første bok – Genre: Vertaalde literaire roman – Oorspr. taal: Noors – Vertaler: Marianne Molenaar – DE GEUS

Mijn Strijd 2 – Liefde – Karl Ove Knausgård ****

download (1)‘Je ziet soms dat in biografieën de vervelende gebeurtenissen en onaangename eigenschappen worden weggepoetst. Ik wilde juist de mens achter de schrijver laten zien, met al zijn gebreken en nare kanten’, aldus Knausgård in een interview met Guus Bauer op Literatuurplein. In het derde deel van Min kamp (Mijn Strijd) dat in de Nederlandse vertaling de titel Liefde kreeg, heeft de auteur het over zijn scheiding van Tonje, de verhuis van het Noorse Bergen naar het Zweedse Stockholm, de nieuwe relatie met Linda, de combinatie van vaderschap en schrijverschap, zijn relatieperikelen, de verhuis met het hele gezinnetje naar Malmö. Wat doet zo’n autobiografische roman van 602 blz. met je als er niets uit dat leven wordt ‘weggepoetst’? [foto: cobra.be]

Je leest de roman niet in één ruk uit hoewel de vorm – associatieve bewustzijnsstroom – je stuctureel geen adempauze laat. Als lezer laveer je tussen fascinatie, irritatie, verveling, verontwaardiging, bewondering, herkenning, sympathie en antipathie, schaamte en nieuwsgierigheid. Het succes van Knausgård is te zoeken, denk ik, in het feit dat we in onze internet-, fb-, realitytv-wereld tot stiekeme gluurders zijn verworden, zij het dan van een vaak gepolijste ideale wereld. Het authenticiteitsgehalte van deze roman maakt  daarentegen echte emoties los, choqueert soms maar raakt vooral door eerlijke zelfanalyse. Bovendien is Knausgård een onderhoudende,  vlotte verteller. Sommige passages zijn reële reclameplaatjes voor het groene, natuurlijke Noorwegen. Hem volgen in het openbaar vervoernetwerk en de straten van Stockholm en omgeving is er zelf weer reiziger worden. Over zijn schouder meeluisteren als hij in de cafés van dezelfde stad met vriend Geir afspreekt,  is getuige zijn van boeiende, diepgravende vriendschapsgesprekken. Mee de boekenwinkels induiken als hij leesvoer zoekt, is te weten komen waarom hij juist dit soort roman schreef. Hem het huishouden zien beredderen en de buggy met kroost door Stockholms en Malmös straten en parken  duwen, is aanvankelijk vertederend maar krijgt een scherpe wraakkant op het ogenblik dat het huismoederen zijn schrijven in de weg gaat staan. Kortom, Knausgård onopgepoetst.

Liefde, geen roos zonder kwetsende doornen dus. De andere delen uit de romancyclus Mijn Strijd, door Marianne Molenaars voor uitgeverij De Geus naar het Nederlands vertaald als Vader en Zoon, zullen alleszins de komende tijd mijn leeshonger stillen.

Een passage uit Liefde:

Hoewel er sinds die tijd veel veranderd was in mijn leven, was mijn verhouding tot gedichten dezelfde gebleven. Ik kon ze lezen, maar ze ontsloten zich nooit voor me en dat kwam omdat ik daar geen ‘recht’ op had: ze waren niet voor mij bestemd. Deed ik een poging tot toenadering, dan voelde ik me net een bedrieger en ik werd ook altijd ontmaskerd, want wat ze altijd weer zeiden, die gedichten, was: wie denk je wel dat je bent om hier zomaar binnen te stappen? Dat zeiden de gedichten van Osip Mandelstam, dat zeiden de gedichten van Ezra Pound, dat zeiden de gedichten van Gottfried Benn, dat zeiden de gedichten van Johannes Bobrowski. Je moest het verdienen om ze te kunnen lezen.[…] De consequenties namelijk van het feit dat de gedichten zich niet voor me ontsloten waren namelijk groot, veel groter dan alleen van een literair genre buitengesloten te zijn. Het velde ook een oordeel over me. De gedichten keken een andere werkelijkheid binnen, of zagen de werkelijkheid op een andere manier, die waarachtiger was dan deze, en dat het vermogen te zien niet iets was wat je kon leren, maar iets waar je wel of niet over beschikte, veroordeelde mij tot een leven in trivialiteit, ja, maakte mij tot een triviaal persoon. De pijn over dat inzicht was groot. En strikt genomen bestonden er slechts drie mogelijke reacties op. De eerste was het voor jezelf toe te geven en te accepteren. Ik was een doodgewone man die een doodgewoon leven zou leiden, die zin ontleende aan de positie waarin ik me bevond en verder niet. […] De tweede was om het totaal te ontkennen door tot je te zeggen dat je het in je had, maar dat het er alleen nog niet uit was gekomen en vervolgens een leven te leiden in dienst van de literatuur, als recensent, als medewerker aan de universiteit, als schrijver, want het was absoluut mogelijk je in die wereld drijvende te houden, zonder dat de literatuur zich ooit voor je ontsloot. […] Een derde methode die erop aankwam het hele probleem van de hand te wijzen, was dan ook de beste. Er bestaat niets hogers. Er bestaat geen geprivilegieerd inzicht. Niets is beter of waarachtiger dan iets anders. […] Het belangrijkste was dat er geen onoverbrugbare kloof bestond tussen hen die het hadden en hen die het niet hadden, hen die zagen en hen die niet zagen. In plaats daarvan was het een gradatie binnen een en hetzelfde scala. Dat was een dankbare gedachte en het was niet moeilijk er argumenten voor te vinden,[…]. […] het gevoel dat ik had buiten het wezenlijke te staan, buiten het belangrijkste, buiten wat het bestaan in wezen uitmaakte. Of dat een romantisch gevoel was of niet, speelde geen rol. Om de pijn die het veroorzaakte te doven, had ik me op alle drie manieren uitvoerig verdedigd en er gedurende lange periodes in geloofd, vooral in de laatste. En die hield in dat mijn voorstelling  van de kunst als plek waar het vuur van de waarheid en de schoonheid brandde, de laatste plek waar het leven zijn ware gezicht kon tonen, verwrongen was. Maar af en toe brak het inzicht door. Niet in de vorm van gedachten want daar bestonden tegenargumenten voor, maar in de vorm van gevoel. Dan wist ik met heel mijn hart dat het een leugen was dat ik mezelf bedroog. Dat was de situatie toen ik die middag in maart 2002 in het portiek van het gebouw van de Zweedse schrijversvereniging in Stockholm in Fioretos’ vertaling van Hölderlins laatste hymnen stond te bladeren. O, ik armzalige. [blz 147 – 150]

ISBN: 9789044522044 – Versch. datum: 2012-09-01 – Oorspr. titel: Min kamp. Andre bok – Genre: Vertaalde literaire roman – Oorspr. taal: Noors-Vertaler: Marianne Molenaar – Uitgeverij: De Geus – Prijs: 25€
%d bloggers liken dit: