Al het blauw – Peter Terrin****

Enkele maanden geleden werd ik door een artikel in Knack aangezet om deze roman te gaan lezen. De recensie bleef maanden op mijn bureau liggen: een nieuwe van Peter Terrin die een lovende beoordeling kreeg. Ik had hem ook het boek zien voorstellen op De afspraak. Welaan dan, deze week was het eindelijk zover.

Mijn eerste indruk was bevreemding: wie was wie? [Om te weten wat je nog niet weet moet je gaan langs de weg van het niet-weten, BK] In welke romantijd was ik beland? De tachtiger jaren van vorige eeuw bleek even later. De romanruimte: een zwembad, annex café Azzura, een verlaten fabrieksterrein in de buurt en een sociale woonwijk. De personages: Simon, een twintiger en zijn familie en vrienden; Carla, een barmeid en haar John, trucker-eigenaar van Azurra.

Eens doorheen de eerste bevreemdende bladzijden bleek Al het blauw een pageturner die me bleef verrassen, die hoofdstuk na hoofdstuk mijn mening over de personages bijstelde en met name over het hoofdpersonage Simon, de twintiger met een sterke moederbinding die de smaak van de vrijheid proeft en in zijn beslissingen, of het nu om studeren of de liefde gaat, vrij radikaal en onherroepelijk is.

Over het slot van de roman heb ik verbaasd gestaan. Het laat je wat onvoldaan achter en toch … onderschat de auteur niet. Waarom zegt de persoon die op het fabrieksterrein lag/zit wat hij zegt? Waarom zegt/doet Carla wat ze zegt/doet? En Simon?

Geen grootse klassieke tragedie speelt zich hier af, al is de spanning nooit weg en stevent de verhaallijn af op een mogelijke catastrofe voor de hoofdpersoon. Het gaat veeleer om een probleemsituatie in mineur, waarin de hoofdspelers, gedreven door de egocentrische driften van passionele liefde en haat, uiteindelijk elk een uitweg moeten zoeken.

Wat anderen over de roman schreven:

Al het blauw is meer geworteld in een wereld die ook de onze zou kunnen zijn, in tegenstelling tot veel van Terrins andere werk, waarin de wereld opmerkelijk grauw, hard en onverschillig is – tot in de details. De personages ondergaan nu eens niet de extreemste dingen (zoals een brute moord in Blanco, een persoonsverwisseling in Patricia of een dochtertje in coma in Post Mortem), maar hebben alledaagsere zorgen: een slecht huwelijk, een heimelijke verliefdheid, een kinderwens. – de Volkskrant 12/02/2021

Peter Terrin wil naar eigen zeggen zijn verhalen niet laten bezoedelen door zijn ‘schrijvende, formulerende ego’. Hij is de kok die zijn gerechten niet kruidt om zo de pure smaak van de ingrediënten te bewaren. Maar als die niet van topkwaliteit zijn, hou je gewoon zoutloos eten over.

Wat dus, als het verhaal het soapniveau niet overstijgt? Wat als het een simpel affaire-scenario over een zoekende bijna-twintiger, een barvrouw van 41 en haar echtgenoot met losse handjes betreft? Dan volstaat het niet om in de eerste zin een lichaam te droppen op het parkeerterrein van een verlaten fabrieksgebouw en de hele roman te laten drijven op de vraag wie van de drie plat op de rug eindigt. Dan heb je talige bravoure nodig om de lezer bij de liefdesles te houden.

Nu is de westerse literatuur grotendeels gebouwd op het soort amoureuze driehoek die Terrin in Al het blauw beschrijft. Daar mogen we Terrins voorgangers dankbaar voor zijn, maar dat we hun verhalen over onstuimige liefde, gekrenkte eer en andere al te menselijke aangelegenheden vandaag nog lezen, heeft meer te maken met hun stijlgevoel dan met de precieze constellatie van de drie lichamen in hun verhalen.

Helder schrijven is niet hetzelfde als stijlloos schrijven. Af en toe rijgt de man die in 2012 met Post mortem de AKO Literatuurprijs won, zijn bijzinnen aaneen tot een herkenbaar, troostend of onheilspellend beeld. Terrins romans komen tot leven in de sfeer die de schrijver steeds weet te creëren. Ook deze in de jaren 80 gesitueerde vertelling over liefde aan de rand van een zwembad en van het maatschappelijk aanvaarde krijgt kleur wanneer Terrin de omgevingsgeluiden opsomt die zijn hoofdpersonage hoort in de avondzon, of wanneer hij de geur van een zwembadcafé en de witte aanslag op de ramen omschrijft. Op de momenten waarop Terrin zichzelf toestaat om buiten de grenzen van het strikt verhalende te treden, krijgt zijn roman een in de klare lijn opgetekend gezicht.

Terrins uitgepuurde stijl en zijn fotografenblik lenen zich perfect voor het detail van een momentopname, maar de al te zuivere zinnen zorgen ook om de zoveel bladzijden voor een banaal stukje dialoog, een al te letterlijke explicitering van een gevoel of een weinigzeggende karakterbeschrijving. Aan het einde ken je de lievelingskleur van de hoofdpersonages, maar weet je nog steeds niet wat hen nu zo onherroepelijk in elkaars armen dreef.

Peter Terrin schrijft steevast volgens het ‘stille waters hebben diepe gronden’-principe. Hij weet vakkundig de indruk te wekken dat er heel wat sluimert onder het spiegelende blauwe oppervlak van zijn vertelling, maar je kunt sfeer scheppen tot het putje leeg is, af en toe wil een lezer ook simpelweg kopje-onder gaan in een overdonderende zin. – De Standaard 13/02/2021

Dankzij de boeiende personages, de geslaagde perspectiefwissels en Terrins prikkelende stijl staat Al het blauw garant voor een intense leeservaring. Al het blauw is onmiskenbaar Terrin, maar toch ook weer anders. Het is zowel een talige als visuele trip, werelds en onwerelds tegelijkertijd, het vertelt een intiem, melancholisch verhaal op een bijna zuiver, afstandelijk wijze. Al het blauw doet verlangen naar ‘al het blauw’een glimp van het goddelijke gedurende één ogenblik. Achteraf zal het lijken alsof twee levens elkaar kort schampten, zoals de auto’s in de aanrijding uit de epiloog, voor ze de richtingaanwijzer aanzetten en elk een andere richting uit rijden. Maar ook wat kennelijk geen impact heeft gehad, vormt een onmiskenbaar deel van wie of wat we zijn: ‘In haar achterhoofd daagt een verre herinnering, aan liggen op de grond en staren naar het blauw, aan het gevoel op te stijgen in een duizelingwekkende vrijheid.’ – de Reactor 10/05/2021

In Al het blauw legt Peter Terrin de nadruk op wat we zien en voelen, niet op wat we zouden moeten zien en moeten voelen, niet op de expliciete emoties van zijn figuren. – De Groene 24/02/2021

… zag jij misschien dat ik naar jou … | Joost Zwagerman

... zag jij misschien dat ik naar jou...

... zag jij misschien dat ik naar jou,
dat ik je zag en dat ik zag hoe jij
naar mij te kijken zoals ik naar jou
en dat ik hoe dat heet zo steels,
zo en passant en ook zo zijdelings ___
dat ik je net zolang bekeek tot ik
naar je staarde en dat ik staren bleef.
Ik zag je toen en ik wist in te zien
dat in mijn leven zoveel is gezien
zonder dat ik het ooit eerder zag:
dat kijken zoveel liefs vermag.


Joost Zwagerman (1963 - 2015)


Uit: De ziekte van jij.
uitgeverij De Arbeiderspers, A'dam,1988


Berta Isla – Javier Marías

We sterven met hen die sterven: ziet, zij vertrekken en wij gaan met hen mee. We worden geboren met de doden: ziet, zij keren terug en brengen ons met zich mee. – T.S. Eliot, The Four Quartets

Berta Isla en Tomás Nevinson ontmoeten elkaar in Madrid en besluiten al snel, jong en verliefd als ze zijn, de rest van hun leven samen door te brengen.

Tomás, half-Spaans en half-Engels, vertrekt naar Oxford om er te studeren. Daar trekt hij met zijn aangeboren gevoel voor talen en accenten de aandacht van een mysterieuze overheidsinstantie die zijn talent goed zou kunnen gebruiken. Maar Tomás ziet een andere toekomst voor zichzelf en verzet zich tegen deze lotsbestemming. Totdat hij op een dag een stomme fout maakt die gevolgen zal hebben voor de rest van zijn leven en dat van zijn geliefde Berta. Als hij naar Madrid terugkeert om met haar te trouwen, weet hij dat het leven dat ze voor zich zagen, voorgoed verloren is.

In Berta Isla onderzoekt Marías met onfeilbare kennis van de menselijke geest een relatie die gedoemd is tot heimelijkheid, schijn, wrok en hopeloze loyaliteit.

Javier Marías (1951) wordt gezien als de belangrijkste Spaanse schrijver van zijn generatie. Hij won ontelbare literaire prijzen en wordt alom gezien als kandidaat voor de Nobelprijs voor de Literatuur. Zijn werk is in veertig talen vertaald. Bij Meulenhoff verschenen onder meer Een man van gevoelAller zielenEen hart zo blankTerwijl zij slapen en Zo begint het slechte (bekroond met vijf sterren door de Volkskrant, NRC en Het Parool). – bron: Europese literatuurlijst – longlist 2019

De openingszinnen van Berta Isla, treffen doel, ze raken meteen aan de kern van het boek, die gevat in een cirkelstructuur, afwisselend vanuit het vrouwelijke standpunt van Berta, het mannelijke van Tomás en het auctoriële van auteur/ verteller Marías wordt uitgerold in een lijvige, stilistisch karakteristieke (lange zinnen) roman:

Een tijdlang was ze er niet zeker van of haar man wel haar man was, min of meer zoals je, in de halfslaap, niet weet of je denkt of droomt, of je je geest nog stuurt of die door oververmoeidheid bent kwijtgeraakt. Soms geloofde ze van wel, soms van niet, en soms besloot ze niets te geloven en gewoon verder te leven met hem, of met degene die op hem leek, die ouder was dan hij. blz. 9

Het verhaal overspant een periode van zowat twintig jaar van het Franco- en Thatcher-regime, over de IRA, de ETA en de oorlog om de Falklands tot de Val van de Muur en de instorting van de Sovjetunie.

Tomás, op het einde van de roman, als veteraan tot bewustzijn en inzicht gekomen over deze woorden die destijds tegen hem gezegd waren en die in zijn geheugen gegrift stonden:

‘We staan nergens geregistreerd, niet officieel en niet officieus. We zijn er, maar we bestaan niet, of we bestaan maar zijn er niet. We doen maar we doen niet, Nevinson, of we doen niet wat we doen, of wat we doen, doet niemand. We gebeuren gewoonweg.’ De zinnen hadden hem aan Beckett doen denken en hij had ze nauwelijks begrepen. Nu deden ze hem niet meer aan Beckett denken en bovendien begreep hij ze, want ook hij had dat doorgemaakt. Het was meerdere malen gebeurd. Nu zou er daarentegen een eind aan komen. blz.551

Javier Marías graaft diep in deze roman via het eerder oppervlakkige thema van de geheimagent maar werpt existentiële vragen op die tot nadenken stemmen.

Een mooie jonge vrouw – Tommy Wieringa

Wat is pijn? Welke pijn delen mens en dier? En kun je doordringen tot de pijn van een ander als je die niet eerst zelf hebt gevoeld?

Op een doorregende zondagmiddag las ik Een mooie jonge vrouw, De Bezige Bij, 2018, de novelle die Wieringa schreef als Boekenweekgeschenk 2014. Het motto van dat jaar was ‘Reizen’, al lijkt Wieringa weinig daarmee aan te vangen in zijn boek. En toch, de levensstijl van de bohémien Friso Walta, broer van de mooie jonge vrouw Ruth, door diens vrouw in de steek gelaten met zoon Hunter, fungeert als de katalysator van de afwikkeling die het leven van de jonge sociologe Ruth Walta en de vijftien jaar oudere viroloog Edward Landauer kent vanaf het ogenblik dat Friso en zoon bij het paar komen aanwaaien en beiden door toedoen van Edward verwezen worden naar een klein houten chalet op een vakantiepark.

De mentale verandering (reis, zo je wil) die de wetenschapper Edward doormaakt brengt hem tot ultieme ‘awareness’ en confrontatie met zichzelf en zijn wereld.

Wat vond de Engelse pers ervan:

‘An examination of the ageing male heart – a dissection as subtle and tender as it is, ultimately, unnerving … A wonderfully disconcerting piece of work which, on a second and even a third reading, only seems to grow more expansive and multifaceted while managing at the same time to remain mysterious and tightly furled … If one of the purposes of fiction is to show us ourselves, Wieringa’s mirror is polished to perfection.’

JULIE MYERSON, THE OBSERVER

‘While the narrative focuses on the collapse of one man’s world, it still raises huge moral questions … Haunting.’

THE SUNDAY TIMES

‘A painful, razor-sharp portrait of what it is to be an ageing man … Beautiful, concise, taut.’

MARIELLA FROSTRUP, BBC RADIO 4 ‘OPEN BOOK’

‘Brilliant … Merciless in the gentle accuracy with which it asks, very simply and persistently: “What did you think was going to happen?” A Beautiful Young Wife is a book that could derail someone. There’s real power in that.’

CYNAN JONES, AUTHOR OF THE DIG

‘Fiction at its most precise and potent.’

JULIE MYERSON, THE OBSERVER

‘Perfectly dosed prose (translated with elegance by Sam Garrett) and unfaltering narrative control … Wieringa’s lithe 128 pages fill half an afternoon, but days later the figure of our Job-like hero, weeping at his lecture podium, is an unforgettable warning that both romantic as well as scientific endeavours require empathy and imagination.’

THE SPECTATOR

‘With this luminous study of a life in slow crisis, Wieringa seems on fertile new ground. He forgoes the motions of cause and effect to give something as profound and puzzling as life itself.’

SHEENA JOUGHIN, TLS

‘Brutally precise’

CATHY RENTZENBRINK, STYLIST

‘A fine-grained look at the soul of a man and his alarming fall from grace.’

WILLIAM LEITH, EVENING STANDARD

‘Wieringa is a writer with range and skill … Mesmerising.’

SUNDAY HERALD

‘Wieringa takes us on a journey deep into the psyche of an ageing male in this potent work … No words are wasted in this thought-provoking love story.’

HERALD-SUN

Nora – Colm Tóibín

De Ierse auteur Colm Tóibín behoort tot een groep van 30 schrijvers, historici en Nobelprijswinnaars die in een manifest dat onlangs in verschillende kranten gepubliceerd werd – waaronder The Irish Times – hebben verklaard dat Europa als een idee “voor onze ogen uiteenvalt”. Zij zijn de mening toegedaan dat ondanks  haar ‘fouten, vergissingen en incidentele daden van lafheid’ Europa ‘het tweede thuis van elke vrije man en vrouw’ blijft. Ik las van hem onlangs Nora Webster, door Anneke Bok
in 2015 voor De Geus naar het Nederlands vertaald als Nora .

In Ierland is er maar één Nora – Nora Barnacle, de vrouw en muze van James Joyce. Afgaande op zijn titel gaat de nieuwe roman van Colm Tóibín over Ierland en, in ruimere zin, over de relatie van een belangrijke hedendaagse Ierse schrijver met Joyce, wiens werk nog steeds zo’n lange schaduw werpt over elke hoek van het Ierse literaire leven, aldus Robert McCrum in The Observer. Hij omschrijft het boek als ‘a powerful study of widowhood’.

Nora speelt eind jaren zestig in de Ierse stad, Enniscorthy, county Wexford terwijl de zogenaamde Troubles  als een rollende donder achter de horizon beginnen te verdwijnen. Het gaat over een taaie Ierse moeder en een land dat, als het ware verandert van Ulysses naar Bloody Sunday. Het is een indringende studie van weduwschap en verdriet, van een vrouw in de bloei van haar leven die probeert uit te maken hoe ze verder zal leven zonder ‘de liefde van haar leven’, haar overleden echtgenoot, Maurice Webster, een schoolmeester.

Nora, die een sterke en intelligente vrouw is, moet nieuwe kracht vinden door een pijnlijk  gesprek met zichzelf te voeren. De dood, zegt Tóibín, creëert een zeer grote leegte. Nora zit, net als haar volk, vast in een wereld van priesters, kleine rivaliteiten in kleine steden en het soort provinciale verveling die wordt gecompenseerd door de kwellingen van frustratie. Tóibín toont op schitterende wijze hoe Nora, gevangen in haar verdriet en haar weduwschap, gek wordt gemaakt door de opdringerigheid van de condolerende buren en door de groeiende wanhoop om eraan te ontsnappen.

Uiteindelijk leert Nora zingen. De ontdekking van muziek in haar leven geeft haar “a line towards brightness, or some beginning”, schrijft Tóibín, een meester van less is more. Tegelijkertijd, omdat hij ook Ierland op een kruispunt van gebeurtenissen verkent, krijgen we een oneindig fascinerend web van toespelingen, nauwgezet, genuanceerd en subtiel. Kortom, de roman bevat ontzettend veel informatie over de schrijver zelf.

Als lezer voel je dat Tóibín houdt van zijn land. Het kleinsteedse Ierland, met name het afgelegen zuidoosten, waar hij opgroeide, is een plek waarnaar hij vaak terugkeert in zijn fictie. Het is een samenleving die hij begrijpt in hart en nieren, deels omdat hij er vaak uit is verbannen, maar waarnaar hij ook met plezier terugkeert. Net als Joyce is hij dol op de bijzonderheid van het dagelijkse leven. Wanneer Nora weer aan het werk gaat bij Gibneys, de grote lokale werkgever en ‘eigenaar van alles’, creëert Tóibín zowel drama als komedie uit haar ervaringen op de boekhoudafdeling. De hele Ierse kwestie is zo slim verpakt in het weduwschap van Nora Webster en haar twee jongens, Conor en de stotterende, getraumatiseerde Donal, dat het verhaal zich met succes door het hobbelige parcours van de snijlijnen tussen privé en publiek weet te navigeren. Door het trage, persoonlijke opnieuw ontwaken van Nora, vindt hij een subtiele manier om na te denken over de behoefte van Ierland om het geleden verlies in een grotere context te plaatsen.

Nora is een Iers liefdesverhaal en een liefdesbrief aan Ierse lezers van één van Ierlands hedendaagse meesters. Het overtreft het bronnenmateriaal vakkundig zodat het zich waarschijnlijk aan een veel breder publiek zal aanbevelen. Wanneer Nora op de afsluitende pagina’s de brieven van haar overleden man verbrandt omdat “ze behoorden tot een tijd die nu voorbij was”, is de boodschap van Tóibín duidelijk. The past is another country. Better to be an exile from regret. De enige manier for things to work out, een steeds terugkerende zin, is om vooruit te gaan, stroomopwaarts roeiend.

Het is in deze context dat zijn engagement in het manifest waarnaar ik hierboven verwees, niet moet verwonderen.

Colm Tóibíns vader overleed toen Colm twaalf jaar was en de laatste twee jaren van zijn middelbare schooltijd bracht hij, net als Donal uit Nora door op de Sint-Peterskostschool in Wexford. Zijn moeder Brid stierf in 2000. Hij droeg het boek op aan zijn moeder net als Brahms deed met Ein Deutsches Requiem, een symfonie die in de roman daardoor een symbolische betekenis krijgt.

Philippe Herreweghe, La Chapelle Royale, Collegium Vocale, Orchestra des Champs-Elysees

Nora is een sonore, diepe roman die me herhaaldelijk wist te raken.

Widerfahrnis – Wedervaring – Bodo Kirchoff

Alles wat mooi is gebeurt nu eenmaal ooit voor het laatst

Het verhaal: Reither, tot onlangs nog een kleine uitgever in Frankfurt am Main, heeft zich teruggetrokken in een idyllisch dal aan de rand van de Beierse Alpen. Hij ontdekt een boek zonder titel in de plaatselijke bibliotheek met alleen de naam van de auteur Ines Wolken op de omslag. Terwijl hij op een zondagavond, in zijn appartement, bezig is met dit boek wordt er aangebeld. Die avond begint een affaire met een dame uit hetzelfde appartementencomplex die er een leesclub leidt en de ontmoeting mondt uit in een driedaagse roadtrip ins Blaue hinein (blz. 37); eerst midden in de nacht naar de zonsopgang aan de Achensee en uiteindelijk tot in Sicilië. De dame die hem bij de hand neemt is Leonie Palm, voormalige eigenares van een hoedenwinkel in Berlijn. Zij sloot haar winkel omdat de mensen ontdekt hebben dat hun gezicht te leeg is voor een hoed (blz. 24) en hij verkocht zijn uitgeverij omdat er vandaag de dag meer schrijvers zijn dan lezers. Wat hen verbindt is hun belezenheid en de idee niet meer echt voorbereid te zijn op grote liefde. Wanneer na drie dagen samen in de auto langs de Adriatische en de Middellandse zee het geluk doorbreekt, komt er een meisje bij hen, dat geen woord zegt, er alleen is …

Dit verhaal, dat zijn hart nog altijd breekt, om een uitdrukking te gebruiken die hij nooit zou gebruiken, alleen hier bij wijze van uitzondering, waarmee zou hij het hebben laten beginnen? Hoofdstuk 1 blz.5

De aanvang: de twee hoofdpersonen, zestigers, die teleurgesteld zijn in de wereld, cirkelen in gesprek wat rond elkaar, op de deurmat van Reither, omdat hij lijkt te vermoeden dat zijn leven zal veranderen en zijn, weliswaar slechts uiterlijke kalmte, snel voorbij zou kunnen zijn zodra Leonie Palm over de drempel treedt.

Bodo Kirchhoff probeerde tijdens een lezing in de Nationale Bibliotheek in Leipzig uit te leggen dat hij van meet af aan het verloop en de uitkomst van zijn verhalen niet kent, dus dat ze ook een beetje ins Blaue hinein worden aangevangen:

“Ik weet niet waar een boek heengaat. Ik wist het ook helemaal niet met dit boek. […] Al schrijvend ontdekte ik hoe het laatste deel moest zijn. […] Toen het duidelijk werd dat het een novelle zou worden, bewerkte ik de hele tekst dienovereenkomstig. ”

Deze novelle bevat, naast het werkelijk ongebruikelijke en mooie liefdesverhaal tussen Reither en Palm, nog meer verrassingen. Het verhaal wordt enerzijds verteld door een auctoriële verteller die verslag uitbrengt over Reither in de derde persoon, over zijn visie op de gebeurtenissen en zijn gedachten maar Leonie Palm, daarentegen, alleen extern beschrijft. Omdat dit ambivalente, tragische verhaal met zijn metalaag daardoor zo door en door literair is, overtuigt het de lezer ervan dat het de voormalige uitgever, Reither zelf, is die het hele verhaal heeft bedacht op een té rustige avond, die hij alleen met een fles rode wijn en een ongewoon boek doorbracht. De openingszin van het boek en het einde laten zeker ruimte voor deze interpretatie, hoewel of misschien juist daarom Leonie Palm tegen Reither zegt: “Maar u en ik, we zitten niet hier in een boek. Wij staan ​​in uw deuropening.” (blz.13) In de beschrijving van Reithers gedachten onthult Kirchhoff volledig de voormalige uitgever en meteen ook de auteur Reither, die mentaal opmerkingen maakt over zijn eigen gedachten en spontaan uitgesproken zinnen en ze afwijst als ongepast voor een mogelijk boek. Dit is zowel grappig als tragisch, omdat Reither alle gevoelens lijkt te ontkennen, ja, alleen een ​​wereld verkiest zonder enige verbale, emotionele uitbarsting. Het is dan ook geen verrassing om hem alleen te zien verouderen.

Leonie Palm liep voorop, ze werd gevolgd door de twee receptiefeeën – geen onberispelijke beschrijving maar wel een die in de buurt kwam van wat hij voor hen voelde – en hij liep als laatste met de bezem in zijn hand naar buiten, langs een klok met temperatuur- en datumweergave. Hoofsstuk 3 blz. 32

Gevoelens, de vergankelijkheid ervan, het wegsmelten – hij was het altijd uit de weg gegaan en had in plaats daarvan boeken gemaakt die erover vertelden, elk boek door zijn rode potlood zo ingekort, zo verdund dat er niets meer in zat wat zacht of zoet was of kon rotten, alleen nog zinnen die gebeiteld leken, zonder de kleverigheden en de weerhaken van de liefde en al het onzegbare wat ze behelsde. Hoofdstuk 15 blz. 151

En de titel ? Een Wedervaring is een gebeurtenis die een persoon op onverklaarbare wijze overkomt en die zijn leven beslissend verandert. Reither, nadat hij Leonie Palm gevraagd heeft een titel te verzinnen voor het titelloze boek van Ines Wolken en zij spontaan Wedervaring opgeeft:

Waarom juist dat woord? […] Maar wedervaring dat was meer dan zomaar een beproeving – daar zat iets in waardoor je wel moest luisteren, wel moest kijken, de vuistslag die je onverwachts raakt, recht in je hart, maar ook de hand die je gewoonlijk bij de hand neemt – een titel waarmee hij waarschijnlijk wel uit de voeten had gekund. blz. 123

Reither beleeft enkele ongelukkigerwijs verrassende gebeurtenissen en twee van hen veranderen zijn leven. Hij kon niets van dit alles zien aankomen. De woorden van Leonie Palm in het begin van de novelle lijken dan ook profetisch: “Maar als ons niets onverwachts meer overkomt, zijn we dood.” (blz. 18)

Wedervaring, Lebowski, 2017, vertaald naar het Nederlands door Josephine Rijnaarts, genomineerd voor deze vertaling, is een kleinood dat iets van het mysterie van de – soms onmogelijke – tijdloze, universele liefde en menselijkheid in woord en wedervaringen laat oplichten.

Het Belgisch huwelijk – Marc Reugebrink****

Ik las Het Belgisch huwelijk, De Bezige Bij, 2014 van Marc Reugebrink. Het hoofdpersonage, Max Herder, wil gaan huwen met de mooie Gentse, vijftien jaar jongere, Isabelle Fabry, die hij via haar moeder Liliane Hofmans galeriehoudster in Gent, leert kennen. Max is uit het Nederlandse Groeze na twee spaak gelopen relaties, naar Gent afgezakt waar hij door Liliane aan een baan als cultuurrecensent bij de gazet wordt geholpen. Giorgio Simeone, een Gentenaar van Italiaanse afkomst, wordt zijn compagnon straniero, zijn kassante anti-Vlaamse spreekbuis wiens woorden en gedachten hij – ten voordele van zijn persoonlijke imago – voortdurend probeert te temperen. En dan is er nog Jean-Luc Fabry, Isabelles gescheiden, onlaafbare alcoloverslaafde vader, die niets anders voor handen heeft dan alle Gentse cafés af te schuimen.  Als Nederlander die al meer dan een decennium in Gent woont, weet Reugebrink de taal van de Gentse burgers en hun houding tegenover niet-Vlaamse burgers raak te typeren. De voortdurende confrontatie met onze zogenaamde belgitude  geeft de aanzet tot de groeiende zelfreflectie van Max. In Het Belgisch huwelijk worden de Vlaams-Waalse controverse, de tegenstelling autochtoon-allochtoon de algemeen maatschappelijke  achtergrond voor een meer persoonlijke controverse nl. die tussen Max en Isabelle.

Enkele bedenkingen uit recensies:

‘Een triomf van het cynisme is dit boek zeker niet, daar doen de spaarzame oprispingen van defaitisme die Max uitbraakt geen afbreuk aan. Reugebrink duwt hem na die buien waarin hij de volksaard van de Vlaming, die hij ironisch genoeg in zekere zin benijdt, verguist, steeds terug in de richting van de begeerte. En daarmee geeft hij aan zijn verhaal een pamflettaire draai, alsof hij de Vlaming suggereert een ander register te kiezen als de discussies over de inspanningen die we dé immigrant (als die al bestaat) wensen op te spelden, weer eens de rekbaarheid van de redelijkheid lijken te tarten. […] En dan blijft de zwier waarmee Reugebrink de waanzin van de liefde zo heerlijk beschrijft hier nog schromelijk onderbelicht.’ – Wim Huyghebaert voor Cutting Edge

‘Reugebrinks Gent is bevolkt met herkenbare mensen. Sommigen figureren onder hun echte naam, zoals ene Herman, ‘een beroemd schrijver’. Als het gaat over de leden van de Gravensteenclub is Reugebrink voorzichtiger. Er is een ‘bejaarde professor’ die vroeger ‘zo politiek correct tegen de tsjeven van leer trok’. Het personage dat hier aan het woord is, herinnert zich ’s mans naam niet: ‘Hoe noemt hij? Verbiest? Verlaet? Vermeylen?’ (Hij bedoelt Vermeersch, Etienne.) En die andere Gravenstener, Jean-Pierre Rondas, wordt verborgen onder een fictieve naam: Jean-Jacques Pertus. Reugebrink loopt hier allicht op eieren, omdat “Pertus” geen aangename figuur is. De kunstkenner en radiomaker wordt geportretteerd als een blaaskaak en een onbetrouwbaar type, wiens oordelen als recensent opvallend vaak bepaald worden door zijn Vlaams-nationalistische politieke oriëntatie. ‘Ge moet toch echt potdoof en stekeblind zijn om niet te verstaan dat het bestaansrecht van de kunstenaar hier afhankelijk wordt gemaakt van de vraag of hij politiek gesproken wel de juiste kunst maakt’, zegt Liliane, Isabelles moeder. Een interessant verwijt, waar Reugebrink best wat dieper op had mogen ingaan.
[…]
‘Reugebrink [vergt] te veel van mijn suspension of disbelief : met wat Max gedaan heeft, beland je achter de tralies.’ – Mark Cloostermans voor De Standaard.

‘Waar die Vlaming steevast zegt: jij bent anders (en zo vul je het gat in mijn identiteit), zegt Max steevast: ik ben anders (en zo vul ik het gat in mijn identiteit).’ -Sven Vitse voor De Reactor

%d bloggers liken dit: