Al het blauw – Peter Terrin****

Enkele maanden geleden werd ik door een artikel in Knack aangezet om deze roman te gaan lezen. De recensie bleef maanden op mijn bureau liggen: een nieuwe van Peter Terrin die een lovende beoordeling kreeg. Ik had hem ook het boek zien voorstellen op De afspraak. Welaan dan, deze week was het eindelijk zover.

Mijn eerste indruk was bevreemding: wie was wie? [Om te weten wat je nog niet weet moet je gaan langs de weg van het niet-weten, BK] In welke romantijd was ik beland? De tachtiger jaren van vorige eeuw bleek even later. De romanruimte: een zwembad, annex café Azzura, een verlaten fabrieksterrein in de buurt en een sociale woonwijk. De personages: Simon, een twintiger en zijn familie en vrienden; Carla, een barmeid en haar John, trucker-eigenaar van Azurra.

Eens doorheen de eerste bevreemdende bladzijden bleek Al het blauw een pageturner die me bleef verrassen, die hoofdstuk na hoofdstuk mijn mening over de personages bijstelde en met name over het hoofdpersonage Simon, de twintiger met een sterke moederbinding die de smaak van de vrijheid proeft en in zijn beslissingen, of het nu om studeren of de liefde gaat, vrij radikaal en onherroepelijk is.

Over het slot van de roman heb ik verbaasd gestaan. Het laat je wat onvoldaan achter en toch … onderschat de auteur niet. Waarom zegt de persoon die op het fabrieksterrein lag/zit wat hij zegt? Waarom zegt/doet Carla wat ze zegt/doet? En Simon?

Geen grootse klassieke tragedie speelt zich hier af, al is de spanning nooit weg en stevent de verhaallijn af op een mogelijke catastrofe voor de hoofdpersoon. Het gaat veeleer om een probleemsituatie in mineur, waarin de hoofdspelers, gedreven door de egocentrische driften van passionele liefde en haat, uiteindelijk elk een uitweg moeten zoeken.

Wat anderen over de roman schreven:

Al het blauw is meer geworteld in een wereld die ook de onze zou kunnen zijn, in tegenstelling tot veel van Terrins andere werk, waarin de wereld opmerkelijk grauw, hard en onverschillig is – tot in de details. De personages ondergaan nu eens niet de extreemste dingen (zoals een brute moord in Blanco, een persoonsverwisseling in Patricia of een dochtertje in coma in Post Mortem), maar hebben alledaagsere zorgen: een slecht huwelijk, een heimelijke verliefdheid, een kinderwens. – de Volkskrant 12/02/2021

Peter Terrin wil naar eigen zeggen zijn verhalen niet laten bezoedelen door zijn ‘schrijvende, formulerende ego’. Hij is de kok die zijn gerechten niet kruidt om zo de pure smaak van de ingrediënten te bewaren. Maar als die niet van topkwaliteit zijn, hou je gewoon zoutloos eten over.

Wat dus, als het verhaal het soapniveau niet overstijgt? Wat als het een simpel affaire-scenario over een zoekende bijna-twintiger, een barvrouw van 41 en haar echtgenoot met losse handjes betreft? Dan volstaat het niet om in de eerste zin een lichaam te droppen op het parkeerterrein van een verlaten fabrieksgebouw en de hele roman te laten drijven op de vraag wie van de drie plat op de rug eindigt. Dan heb je talige bravoure nodig om de lezer bij de liefdesles te houden.

Nu is de westerse literatuur grotendeels gebouwd op het soort amoureuze driehoek die Terrin in Al het blauw beschrijft. Daar mogen we Terrins voorgangers dankbaar voor zijn, maar dat we hun verhalen over onstuimige liefde, gekrenkte eer en andere al te menselijke aangelegenheden vandaag nog lezen, heeft meer te maken met hun stijlgevoel dan met de precieze constellatie van de drie lichamen in hun verhalen.

Helder schrijven is niet hetzelfde als stijlloos schrijven. Af en toe rijgt de man die in 2012 met Post mortem de AKO Literatuurprijs won, zijn bijzinnen aaneen tot een herkenbaar, troostend of onheilspellend beeld. Terrins romans komen tot leven in de sfeer die de schrijver steeds weet te creëren. Ook deze in de jaren 80 gesitueerde vertelling over liefde aan de rand van een zwembad en van het maatschappelijk aanvaarde krijgt kleur wanneer Terrin de omgevingsgeluiden opsomt die zijn hoofdpersonage hoort in de avondzon, of wanneer hij de geur van een zwembadcafé en de witte aanslag op de ramen omschrijft. Op de momenten waarop Terrin zichzelf toestaat om buiten de grenzen van het strikt verhalende te treden, krijgt zijn roman een in de klare lijn opgetekend gezicht.

Terrins uitgepuurde stijl en zijn fotografenblik lenen zich perfect voor het detail van een momentopname, maar de al te zuivere zinnen zorgen ook om de zoveel bladzijden voor een banaal stukje dialoog, een al te letterlijke explicitering van een gevoel of een weinigzeggende karakterbeschrijving. Aan het einde ken je de lievelingskleur van de hoofdpersonages, maar weet je nog steeds niet wat hen nu zo onherroepelijk in elkaars armen dreef.

Peter Terrin schrijft steevast volgens het ‘stille waters hebben diepe gronden’-principe. Hij weet vakkundig de indruk te wekken dat er heel wat sluimert onder het spiegelende blauwe oppervlak van zijn vertelling, maar je kunt sfeer scheppen tot het putje leeg is, af en toe wil een lezer ook simpelweg kopje-onder gaan in een overdonderende zin. – De Standaard 13/02/2021

Dankzij de boeiende personages, de geslaagde perspectiefwissels en Terrins prikkelende stijl staat Al het blauw garant voor een intense leeservaring. Al het blauw is onmiskenbaar Terrin, maar toch ook weer anders. Het is zowel een talige als visuele trip, werelds en onwerelds tegelijkertijd, het vertelt een intiem, melancholisch verhaal op een bijna zuiver, afstandelijk wijze. Al het blauw doet verlangen naar ‘al het blauw’een glimp van het goddelijke gedurende één ogenblik. Achteraf zal het lijken alsof twee levens elkaar kort schampten, zoals de auto’s in de aanrijding uit de epiloog, voor ze de richtingaanwijzer aanzetten en elk een andere richting uit rijden. Maar ook wat kennelijk geen impact heeft gehad, vormt een onmiskenbaar deel van wie of wat we zijn: ‘In haar achterhoofd daagt een verre herinnering, aan liggen op de grond en staren naar het blauw, aan het gevoel op te stijgen in een duizelingwekkende vrijheid.’ – de Reactor 10/05/2021

In Al het blauw legt Peter Terrin de nadruk op wat we zien en voelen, niet op wat we zouden moeten zien en moeten voelen, niet op de expliciete emoties van zijn figuren. – De Groene 24/02/2021

Patricia – Peter Terrin

Astrid is een succesvolle eventmanager van negenendertig. Juist wanneer haar baan en het moederschap haar even te veel worden, valt haar iPhone in het bad van haar zoontje. Voor de buitenwereld, die haar voortdurend opeist, is ze plots onbereikbaar, als van de aardbol verdwenen. Ze doet het ondenkbare: ze loopt het huis uit, start haar auto en rijdt weg uit de villawijk.Op de snelweg komt ze bij haar positieven en wordt ze bevangen door paniek. Ze haast zich terug, voordat haar vijfjarige zoontje Louis iets overkomt. Maar wanneer de auto van haar man David onverwacht voor het huis blijkt te staan, durft ze zich niet te vertonen. Vanaf dat moment zoekt ze angstvallig een weg terug naar haar eigen leven, lezen we op de achterflap van Peter Terrins recentste roman Patricia, De Bezige Bij, 2018.

Enkele recensies:

Terrin, die het metier van romancier intussen tot in de puntjes beheerst, zet telkens precieus zijn bakens uit. Om vervolgens druppelsgewijs surrealisme en vervreemding de overhand te laten nemen. – Patricia kun je thematisch én vormelijk lezen als een beheerste hommage aan de Amerikaanse queen of crime schrijfster Patricia Highsmith – De Morgen

‘Peter Terrin is de meester van de lichte suspense in de literatuur; in zijn romans heerst vaak een onheilspellende sfeer waar je als lezer niet snel vat op krijgt. Alsof je naar een goede Scandinavische psychologische serie kijkt waar de zaken anders liggen dan je denkt. Zo is het ook in Terrins achtste roman Patricia.’ – De Standaard der Letteren

‘Met Patricia heeft Peter Terrin opnieuw een intrigerende roman geschreven. Uitermate vervreemdend. En dat is precies waardoor Patricia nog lang blijft hangen in het hoofd van de lezer.’ ***** – Hebban

‘Zo clean, zo helder, zelfbewust, gedecideerd begint Patricia. Handelingen. Beschrijvingen. Controle. Alles is wat het lijkt, zo lijkt het. En ondertussen voel je wel dat je romancier Terrin moet wantrouwen. […] En dat doet hij tamelijk verbluffend: het verhaal gaat verder, maar het relaas uit het eerste deel, waaraan je nauwelijks twijfelde, komt dan tegenover een alternatieve werkelijkheid te staan, wat zowel volstrekt verrassend als onontkoombaar voelt. […] En daar vindt de vorm de inhoud, daar raakt de zinsbegoocheling die aan de verteltechniek te danken is, aan het verhaal dat de roman te vertellen heeft. Patricia toont dat ontworteling geen kwestie is van even weglopen, het is een roman over streven en berusting, over keurslijven en rolpatronen; en daarmee wordt het toch ook nog die zedenschets van een hedendaagse vrouw. Door Terrins literaire vernuft wint die alleen maar aan zeggingskracht.’ **** – NRC

Een verontruste, verwarde lezer achterlaten is al een hele prestatie, maar als je probeert om een verdere bedoeling van de schrijver te achterhalen worden de verontrusting en verwarring alleen maar groter. Maakt het niet uit als we verdwijnen? Heeft niemand ons echt nodig? Wat is het verschil tussen verdwijnen en sterven? Zijn meer dingen die wij als zeer relevant ervaren futiliteiten voor anderen? Kan een kleine verandering een mens helemaal veranderen? Wat is de waarde van een naam? Advies: lees dit boek. Nog een advies: geef je geliefde een dikke knuffel na het lezen van dit boek. –Tzum

Patricia is een merkwaardige roman die balanceert tussen realiteit en paranoïde waan. Peter Terrin is erin geslaagd om het verloop van de crisis die Astrid / Patricia doormaakt op meesterlijk wijze in beeld te brengen. Als lezer kom je niet uit de ban van een spanningsboog die zich ononderbroken ontrolt van het begin van het verhaal tot het einde. Beide dimensies, realiteit en waan, worden op perfecte manier in evenwicht gehouden ver weg van elk cliché. Alle puzzelstukjes met betrekking tot de situatie van de hoofdpersoon komen op de juiste plek terecht. Op de cover een even treffend vrouwenportret van de overleden fotograaf Saul Leiter – BK *****

Post Mortem – Peter Terrin****

Post Mortem - Peter TerrinDe AKO Literatuur Prijs 2012 die sleepte hij vorig jaar al in de wacht en al werd het voor Peter Terrin met Post Mortem geen nominatie voor de shortlist van de Libris Literatuur Prijs 2013 (wél voor de longlist) toch prijkt de roman ook op de lijst van Best Verzorgde Boeken van 2012. Een roman met maatwerk-binnenwerk, zo heet het. Terecht, want het omslagontwerp, de lay-out van de  inleidende binnenbladzijden en de eerste bladzijde van elk deel, samen met de romantekst vormen een mooi grafisch geheel. Op deze manier sluit de vormgeving van deze roman prachtig aan bij de inhoud ervan. Peter Terrin schrijft zijn werk immers op een mechanische tikmachine. Hij heeft daar zo zijn reden voor.

Post Mortem is een aangrijpende en erg complexe roman. Aangrijpend vooral in het tweede deel waarin schrijver Emiel Steegman (op ‘een Olivetti Lettera 32, een stijlvolle portable die in de jaren zestig erg geliefd was bij journalisten’.) het relaas doet van de coma waarin zijn vierjarig dochtertje Renée, terechtkomt na een herseninfarct, terwijl hij aan haar ziekbed de wacht houdt.  Een complexe roman omdat het leven van schrijver Steegman een parallel  vindt in dat van het hoofdpersonage uit T, de roman die Steegman is begonnen na een begenadigd inspiratiemoment in de douche. Een roman in een roman dus, een soort chinese boxstructuur die helemaal aan het einde in deel drie nog eens omvat wordt door het verhaal van de biograaf van Steegman, Paul, die alle puzzelstukjes uit het leven van Steegman moet zien bijeen te sprokkelen uit T, zijn onlangs met het Gouden Buikbandje bekroonde succesroman De moordenaar en de videobandjes die hem door Steegman bezorgd zijn net voor diens overlijden.

Zoals de titel aangeeft is het hoofdthema: wie zal men ‘post mortem’ zeggen dat ik geweest ben? En ook het motto wijst in die richting:”We zijn niet wie we zijn, we zijn wat de wereld van ons weet…” – W.F.Hermans, Herinneringen van een engelbewaarder. Daarom schrijft Steegman zijn roman T, om controle te houden over zijn biografie, vanuit een biofobe motivatie, verbrandt hij hele stapels notities in zijn tuin en bezorgt hij zijn biograaf de videobandjes van de revalidatievorderingen van Renée. De biograaf Paul heeft zelfs van iemand dezelfde tikmachine gekregen als waarop Steegman vermoedelijk T heeft geschreven, een Olympia SGI. Maar de biografie ermee schrijven voelde verkeerd aan: mooie schoenen in de juiste maat, gevormd naar vreemde voeten.

Fictie en realiteit zitten in deze roman in een ingewikkeld kluwen. Autobiografische gegevens worden tot fictie, fictie wordt realiteit. ‘Wegens nogal moeilijke tijden in de familie’, de smoes om afwezig te blijven op een evenement met Estse collega-schrijvers, wordt realiteit in de noodlottige gebeurtenis met Renée. De briljante idee voor T, groeit tot een roman waarmee zijn biograaf Paul na zijn dood aan de slag moet. Er zitten, neem ik aan, veel verwijzingen in de roman naar situaties en personen uit het leven van Peter Terrin waarvoor we als lezer – buitenstaander niet meteen de sleutel bezitten. Zo bevat Deel Een, 13, slechts één zin: “T heeft een geheim”.

Wat ook in deze roman, net als in Blanco en Vrouwen en kinderen eerst, opvalt is de observatiekunst van de auteur, de nauwgezetheid waarmee hij waarneemt en die waarneming tevoorschijn tovert in woorden, de levendige beschrijving van de realiteit die omslaat in surrealiteit doordat onverwachte personen en situaties opduiken en weer verdwijnen. Je leest constant met een hele reeks vraagtekens in je hoofd. De gelaagdheid van het verhaal, vereist wat dieper spitten, even teruggaan, even stilstaan bij wat er staat, verwonderd zijn over de prachtig geschreven passages en over de mooie en innemende vader- dochterrelatie, de symboliek gaandeweg vatten en de vele verwijzingen herkennen. Dat alles garandeert geen onmiddellijk leesplezier maar wel grote leesvoldoening. Post mortem is een erg tedere en ingenieuze roman.

Vrouwen en kinderen eerst – Peter Terrin****

Vrouwen en kinderen eerst - Peter TerrinNa ‘Blanco’ (2003) las ik Peter Terrins volgende roman ‘Vrouwen en kinderen eerst’ (2004).  En deze tweede roman deed iets heel anders met me als de eerste. Waar ik bij de eerste roman in een paar leesbeurten doorheen het verhaal was, bleek dat deze keer niet zo best te lukken. Herhaaldelijk moest ik passages herlezen. Je wordt in een vervreemdende fictieve wereld gedropt. Een wereld zonder duidelijke identiteit. Een industriële site. Maar waar? De personages Karsten, Johan, Jean-Marc, Philippe en Antonio, zonder familienaam, zijn vreemden voor elkaar en spreken, behalve de eerste twee, geen gemeenschappelijke taal. Ze moeten een productieband in een failliete tegelfabriek ontmantelen en zijn gelogeerd in een oud, goedkoop hotel met een bizarre hotelbaas Harold. Er is ook een bizar en berooid dorp dat mijn- en fabriekssluiting heeft moeten doorstaan. Verder een schriel hotelkamermeisje dat ongevraagd haar diensten aanbiedt aan Karsten, de jonge meertalige leider van het ontmantelingsteam. Hij heeft een opdracht: volgens een in stapels dossiers gestipuleerd contract de productieband in de tegelfabriek binnen eenentwintig dagen ontmantelen.

Je merkt het, het onbepaalde lidwoord is hier zeer op zijn plaats: een groep mannen op een industriële site ergens in een bergvallei, logerend in een verlaten hotel met een bizarre hotelbaas en een eigenaardig kamermeisje. Een jonge teamverantwoordelijke met een opdracht. Een groep dorpelingen. Het zouden de dramatis personae kunnen zijn van een existentialistisch theaterstuk. De personages zijn gereduceerd tot hun essentie en  verrichten elke dag dezelfde mechanische handelingen: opstaan, ontbijten, naar de fabriek rijden in de vallei, de werktuigen bedienen om te ontmantelen, schaften, avondmaal gebruiken, opfrissen en pintje gaan drinken in het dorpscafé. Alleen Karsten staat erbuiten. Hij worstelt zich door de dossiers en door zijn ‘captainopdracht’. De verteller schaart zich achter hem en de visie die de lezer op de gebeurtenissen krijgt, is er één van ontstellende vervreemding. Zijn werknemers hebben ondanks hun taalbarrière beter contact met elkaar en de dorpelingen dan hij. Die vervreemding is op het einde van de roman beangstigend fysiek.

Het feit dat het verhaal zich afspeelt tegen een industrieel decor:  mijnschacht,  terrils, zandsilo, fabriekshal met productieband, brandoven, heftrucks, pallets, brugkraan, pneumatische sleutels en hamers, lasbranders enz., maakt dat de lezer  geconfronteerd wordt met een mechanische wereld en de economische realiteit van recessie en crisis. Deze wereld bestuurd door een leider die op cruciale momenten in een comfortabele zetel achter een kamerbreed kersenhouten bureau indommelt, wordt draaiend gehouden door een ingenieur en zijn assistent, een monteur en een constructeur. Om de deadline van de ontmanteling te halen worden finaal ook de werkloze dorpelingen ingeschakeld. Karsten is echter vervreemd van zijn basis, denkt dat hij voor de buitenwereld verborgen kan houden wat het daglicht niet verdraagt maar zet uiteindelijk zichzelf buiten spel. Alle werkzaamheden tijdig en volgens het boekje uitgevoerd, plaatsen Karsten – bijna elk hoofdstuk begint met zijn naam – in het centrum van de handeling. Er is die ene gangdeur die met geen sleutel te openen viel,  maar die met een eenvoudige draai aan de deurknop de laatste ruimte ontsluit. “Hij kreeg de indruk zich in de kern van de fabriek te begeven.”  “Maar hij voelde schroom, het donker was hier intiem,  het scheen hem oneerbiedig te zoeken op de tast. Zijdelings zag hij het schimmig plasje, dat bijna was opgedroogd; de dag trok zich vlug uit de gang terug.“ Zijn opdracht is volbracht : ” Alle in artikel 13 genoemde documenten,” mompelde hij opgewonden, “ter plaatse onderwerpen aan grondig onderzoek,met het oogmerk een optimaal beheer van onderhavig goed na afloop van de voorgeschreven termijn.”

De schapen die in deze roman opduiken, reële of uit steenkool gehouwen souvenirtjes, krijgen een symbolische betekenis: deemoedige volgzaamheid en behoefte aan leiderschap en bescherming. De opdracht wordt perfect afgewerkt in Karstens geval maar van onbesproken gedrag is hij niet. Juist die zwakheid lijkt hem de das om te doen. Hij is zo vol van zijn opdracht en de uitvoering van de werkzaamheden dat hij elk contact met de buitenwereld heeft verloren. Hij negeert de signalen van deze vervreemding en ontkent de realiteit van zijn situatie: een in het duister tastende gevangene.Wanneer je met grote ogen in het donker naar het ruisen van je eigen bloed staat te luisteren, ben je in de greep van een diepe existentiële angst.

Waarom dan ‘Vrouwen en kinderen eerst’? Er zijn geen vrouwen (behalve het kamermeisje) of kinderen in het verhaal te bespeuren tenzij: “Het zeildoek zat als kapjes over de onderdelen, onderaan dichtgesnoerd met touw. Daardoor kwamen ze hem nauwelijks meer voor als wat ze waren, vooral vanwege de vrolijke kleuren. Wat een succes, dacht Karsten hardop, dag eenentwintigen daar staat AT-289 helemaal klaar voor transport.[…]Voor wie hoog op de heuvels deze vallei ontdekt, voor wie geen benul heeft wat onder de kleuren schuilgaat, voor hen bestaan slechts de vormen, dacht hij. Sterk vereenvoudigde dieren uit een kinderboek, of blokken van een onbekend spel voor reusachtige kleuters…”

Dit ontmantelingsspel wordt door wie het resultaat ervan als buitenstaander ontdekt, slechts in zijn kinderlijk vereenvoudigde vormelijkheid waargenomen en niet in zijn ware wezen. Is Karsten en zijn missie een metafoor voor het schrijverschap? Lijkt het alleen maar kinderspel maar laat het schrijfproces de schrijver na gedane arbeid, vervreemd verweesd en vergeten achter? Doordat alles in deze roman van overbodige franje is ontdaan, nodigt hij de lezer uit om  zijn verbeelding maximaal aan te spreken. Dat zint me wel!

Blanco – Peter Terrin****

Blanco - Peter TerrinNiet met de roman Post Mortem die de AKO Literatuurprijs 2012  won, ben ik begonnen maar met Blanco, een vroegere roman van Peter Terrin. In een paar leesbeurten was ik met de 185 blz. klaar. En zo wil de auteur het blijkbaar ook:

‘Ik heb in alles respect voor de lezer. Ik wil zijn tijd niet onnodig opeisen, dus ik vertel mijn verhaal zo bondig mogelijk. Waarom moet een boek 300 pagina’s zijn als het ook in 180 kan? Ik denk na over ieder woord. Ik hou er niet van als een schrijver mij zomaar 10.000 woorden teveel laat lezen. Ik hou alleen geen rekening met de lezer als het over de inhoud zelf gaat. Want waar te beginnen als je daar rekening mee houdt?’ [Bruin, de, Katja: VPRO boeken. Interview Verbeke en Terrin – 17/11/2003]

Blanco (2003), Terrins tweede roman, is misschien wel Terrins meest pakkende boek omdat het thema zoPeter Terrin universeel is: man verliest vrouw in brutale carjacking en wil zijn tienjarige zoon Igor ook niet ten onder zien gaan in een gek gedraaide wereld. Viktor, het nuchtere, al te nuchtere hoofdpersonage, wordt echter zelf steeds gekker en doet wat hij eigenlijk had willen vermijden. Viktor, de “overwinnaar” die dus zijn eigen graf graaft, is het prototypische Terrin-personage. Hij is een celbioloog die zweert bij “de kunde van het wisse, van het zekere”. Hij houdt van wiskundige logica en heeft zich voorgenomen om de afgrond, waarin hij door de moord op zijn vrouw is terechtgekomen, niet te negeren, maar integendeel stap voor stap more geometrico in zich op te nemen: “Zolang hij maar aandachtig bleef, kon hun weinig overkomen. Dat was de opdracht: alert zijn, altijd en overal.”Terrin laat Viktor zijn luciditeit zo extreem belijden tot hij in een omgekeerde, paranoïde wereld belandt. Als je alle onzekerheid wilt uitbannen, kom je terecht in een onmenselijk, machinaal universum. Het is frappant hoe vaak Terrins mannelijke protagonisten troost zoeken in de omarming van machines — een van zijn korte verhalen heet trouwens Mannen en machines— maar even vaak zijn het ook diezelfde machines, of machinale logica, die de gebruiker ten slotte de das omdoen. Viktor kijkt zo waanzinnig helder tegen de dingen aan tot die dingen zelf beginnen te praten. Ook dat is een constante in Terrins oeuvre: er zijn weinig hedendaagse schrijvers die banale voorwerpen zo sprekend kunnen beschrijven. Het lijken wel animistische objecten of projecties van een paranoïde geest die de dingwereld een gezicht geeft. Met Blanco werd Terrin voor het eerst echt opgemerkt in het literaire wereldje. Misschien dat de switch naar een nieuwe uitgeverij, De Arbeiderspers, daar ook iets mee te maken had, maar zijn literaire waarmerk van onderkoelde aandachtskunstenaar was met deze roman geboren: als Ferdinand Bordewijk of Willem Frederik Hermans een neefje hadden, dan heette hij Peter Terrin. Terrin kreeg voor Blanco zijn eerste(longlist)nominatie voor de AKO Literatuurprijs 2004. Al een tijdje circuleren er ondertussen filmplannen voor deze aangrijpende vader-zoonroman maar voorlopig is er nog niets concreets. [Hellemans, Frank: Altijd en overal alert. Aandachtskunstenaar Peter Terrin. Ons Erfdeel 2009/4]

Het is inderdaad een spannende roman die op een aangrijpende, pijnlijke en hallucinante manier eindigt. De vertelde tijd loopt over een jaar. Het verhaal start in medias res wanneer zijn vermoorde vrouw begraven wordt de dag na Allerzielen.

De lezer moet tot ongeveer het midden van de roman wachten voor de betekenis van de titel gaat oplichten: ‘Later dacht hij terug aan de jongen op de mountainbike. Hij herinnerde zich die onduidelijke verveling tijdens vakanties, dat geestelijke blanco, soms middagen lang: achteraf beschouwd een zalige tijd!’ Het leidmotief dat samenhangt met  wit, winter, sneeuw, kou, angst, dood wordt op gang getrokken door het sneeuwlandschapje dat in zijn kamer boven het voeteneind hangt. ‘Helena [z’n Slavische vrouw] had het gekocht toen ze hier pas woonden. Het was van een ontroerende eenvoud. Papier en een stuk houtskool, een paar welgekozen lijnen die een dalende helling suggereren waarlangs een pad naar een dorpje in de verte leidt. Halfweg twee figuurtjes, twee zwarte stippen, gedrongen, verkleumd.[…] Soms was het of ze stilstonden en niet wisten wat te doen.’ Regelmatig kijkt hij naar dat sneeuwlandschap als hij in zijn kamer op bed ligt en telkens ontdekt hij er andere dingen in tot hij zich op het einde met Helena en Igor in dat sneeuwlandschap bevindt. ‘Als door een microscoop zo afgetekend ziet hij de kristallen in de sneeuw, die het wandelpad tot borsthoogte insluit; Igor komt niet boven de wallen uit. Helena’s haar is in een knot gedraaid, een aura van ragfijne krulletjes omgeeft het strakke kapsel. het dorp schuilt in de diepte. Hand in hand staan ze stil, hun adem wolkt. Ze glimlachen naar elkaar en naar het wonderbaarlijke landschap, dat zonder enig geluid is, zonder enige kleur, zover het oog reikt enkel maar wit, door niets of niemand verstoord.’

Wat me  trof in deze roman is de accuraatheid waarmee de auteur een zintuigelijke waarneming kan oproepen: ‘Nergens anders dan op een perron waren gezichten ’s morgens zo grauw. Viktor vermoedde een oorzakelijk verband met de koude geur van roest, waaraan men in geen enkel station kan ontsnappen.’ Die ‘koude geur van roest’ hangt zowaar in je neus terwijl je het leest.

Kortom, het is alsof Blanco deze dagen op mijn leestafel moest terecht komen, nu het sneeuwlandschap buiten zo naadloos aansluit bij dat uit de roman en er een griepepidemie woedt. Het heeft bijgedragen tot de suspense waarin het boek me als lezer wist te brengen.

%d bloggers liken dit: