Mijn lieve gunsteling – Marieke Lucas Rijneveld

De wreedheid van Marieke Lucas Rijneveld is gegroeid, recensie van Marie-José Klaver in Neerlandistiek

Marieke Lucas Rijneveld kan het. Ze kan het echt. Mijn lieve gunsteling is vele malen beter dan haar debuut waarvoor ze de International Booker Prize won. Rijneveld is voor haar tweede roman in de hoofden van een 49-jarige veearts en een 14-jarige boerendochter gekropen die elkaar bij de wekelijkse koeiencontrole op de boerderij van de vader van het meisje hebben leren kennen.

Omslag Mijn lieve gunsteling

Onlangs werden de Grote Drie, zoals criticus Kees Fens Harry Mulisch, Gerard Reve en Willem Frederik Hermans noemde, in de media ten grave gedragen, zonder enige discussie over de kwaliteit van hun werk. Jan Wolkers hoorde eigenlijk ook bij de Grote Drie. Over Wolkers kun je ook moeiteloos beweren dat hij een egocentrische, witte man was die seksistisch schreef. Maar zonder Wolkers zouden we geen Rijneveld hebben. Rijneveld is gaan schrijven toen ze Wolkers ontdekte op de lerarenopleiding Nederlands. Ze werd geraakt door ‘de natuur, het geloof, de seksualiteit, de dieren en vooral zijn prachtige taal’, zei ze in een interview met NRC Handelsblad. De echo van Wolkers klinkt ook in Rijnevelds nieuwe roman door. Dat beperkt zich niet tot de inhoud, het omslag van Mijn lieve gunsteling lijkt veel op dat van De walgvogel (1974) van Wolkers. De onmogelijkheid van de liefdes en de rol van de vaders in Mijn lieve gunsteling en De walgvogel tonen ook overeenkomsten. Mijn lieve gunsteling is met het vele malen voorkomende ‘praaldier’ en de verwijzingen naar ‘lieve jongens’ ook een ode aan Reve, wiens werk de veearts aan zijn ‘lieve gunsteling’ voorleest om haar ervan te overtuigen dat onmogelijke en verboden liefdes de mooiste zijn.

Mijn lieve gunsteling is prachtig geschreven. Rijnevelds stijl en en haar beeldrijke taalgebruik, kenmerkend voor De avond is ongemak (2018) en haar dichtbundels Kalfsvlies (2015) en Fantoommerrie (2019), zijn nog veel beter geworden. De vergelijkingen in Mijn lieve gunsteling zijn subliem. Kwets nooit het leven en snijd nooit in levend vlees, leerde de veearts tijdens zijn opleiding. Toch schendt hij het jonge meisje dat hij vergelijkt met een zweer die hij met een ‘hoefmes uit de klauwlederhuid’ had moeten verwijderen en misschien slechts had moeten ‘reinigen en droogwrijven’. Later omschrijft de veearts het meisje als ‘een kalf in stuitligging in de kraamkamer van mijn verziekte verlangens’. De  manier waarop Rijneveld over koeien schrijft, is ongeëvenaard. De blaarkoppen spelen op vrijwel elke bladzijde een rol, en dat wordt nooit saai.

Rijneveld vertelt een wreed verhaal dat wordt ingeleid door drie regels uit psalm 139, in een vertaling van Anton Korteweg.

Ken me dan maar

weet wie ik ben

en doe maar

-Psalm 139

Psalm 139 staat bekend als een pleidooi van onschuld waarin om vrijspraak wordt gevraagd. Tegelijkertijd kan dit citaat gelezen worden als de wens van de 14-jarige boerendochter om vleselijk gekend te worden door de veearts en zich aan hem over te geven.

Uit de innerlijke monologen van de verliefde pedofiel blijkt dat hij al jaren geobsedeerd is door het meisje. Hij is aan het groomen en rechtvaardigt zijn seksuele obsessie door steeds te wijzen op de door hem waargenomen seksuele behoeftes van het kind, dat nog Roald Dahl en Harry Potter leest en een buitenboordbeugel en een ringetje met een lieveheersbeestje heeft. Hij denkt dat zij voortdurend met seks bezig is. De veearts denkt vaak voor anderen: voor de boerenknechten die het meisje met rust laten en voor de vader.

Waar het allesoverheersende kindperspectief mij in De avond is ongemak soms iets te veel werd, snakte ik in Mijn lieve gunsteling naar de visie van het kind. Wat de veearts wil, is duidelijk, maar wat wil zij? En wie vertelt wat zij wil?

Mijn lieve gunsteling is niet alleen een gruwelijk goed boek, het is ook gedurfd. Bij de introductie werd aangekondigd dat het boek snel in het Engels vertaald wordt. Je vraagt je meteen af hoe dit buitengewoon expliciete boek over pedofilie vol wreedheden jegens mens en dier op de Angelsaksische markt zal worden ontvangen. Het relatief onschuldige De avond is ongemak vormde al een probleem voor de sensitivity readers die Engelse en Amerikaanse uitgevers inhuren om te voorkomen dat lezers overstuur raken door fictie. Hopelijk gaan Rijneveld en haar uitgever pal staan voor een ongecensureerde vertaling van Mijn lieve gunsteling. Iedereen verdient het dit boek in zijn geheel te lezen.

bron: Neerlandistiek – Online tijdschrift voor taal- en letterkunde, 5 november 2020

Zonder meer virtuoos in taal en stijl!

De onbevlekte – Erwin Mortier*****

In De onbevlekte keert Marcel terug naar het ouderlijke huis in een laatste poging om uit te vinden waarom hij de naam draagt van zijn grootoom, die als Vlaamse nationalist aan de oorlog begon en als SS-soldaat aan het oostfront stierf. In deze schitterende roman vertelt Erwin Mortier andermaal een donker familieverhaal, waarin de Vlaamse klei nietsontziend wordt omgewoeld om het duistere verleden aan het licht te brengen. De onbevlekte is een prachtig geschreven verhaal over de complexiteit van liefhebben en de onontkoombaarheid van het verleden, zo leest de wervende tekst op de binnenkant van de cover. Het boek prijkt ook op de Libris Longlist 2021. Reden genoeg dus om het te gaan lezen want de naam Marcel doet voor wie met het werk van Mortier vertrouwd is natuurlijk een belletje rinkelen. Marcel was het alom bejubelde debuut van Mortier en op die manier wordt die eersteling deel van een tweeluik.

Ik laat enkele recensenten aan het woord:

Je hoeft Marcel niet gelezen te hebben om voluit van De onbevlekte te genieten. Maar het loont wel, heb ik deze week ontdekt: ze passen zo goed bij elkaar dat ze nu al in mijn geheugen versmelten tot één boek. Beide hebben een openingsbeeld dat je niet vergeet: in Marcel wordt het huis van de grootouders een fauvistisch schilderij; in De onbevlekte stappen we pardoes in een broeierige filmische droom in aangezet zwart en wit.

Mortiers schrijverschap is duidelijk gerijpt; het is logisch dat zijn schitterende parcours sinds 1999 een impact heeft gehad. De beeldspraak is nog steeds fantastisch, maar beheerster, spaarzamer gedoseerd. De fijne humor blijft soelaas brengen. De taal die onbeschaamd Vlaams en plastisch is, verleidt. De zinnen laten zich nog steeds savoureren. Marcel is onstuimiger, opstandiger, ongeduriger – dat hoort zo voor een debuut. Het debuut staat vol onvergetelijke portretten, royaal uitgewerkte decors en straffe scènes. De onbevlekte doet niet onder, het is even aards. Ook hier staan alle zintuigen op scherp – zelfs de geur van zweet kan Mortier weer uit de pagina doen opstijgen. – Peter Jacobs in DS

In essentie sluit De onbevlekte het verhaal van de overleden grootoom af. Dat blijkt ontegensprekelijk uit de laatste zin. ‘Dan weet ik zeker of het schrijven van mijn vader ter bestemming is gekomen en Marcel Ornelis’ laatste woorden u eindelijk hebben bereikt.’ Of het contininuüm toch zal splijten onder het ‘laf gebeitel’ van de jonge Marcel, laat de schrijver evenwel in het midden. Die houding geeft blijk van een zekere zielenrust, ondanks dat het metaforische katafalk angstvallig leeg blijft. In die zin is De  onbevlekte een vervolg zonder narratieve ontknoping. De schrijver bevestigt. ‘Ik weet niet of dat lukt, en of het genoeg is, ook nu, hier, terwijl ik mijn laatste brief aan haar voltooi, mijn allerlaatste.’ Mortier onderstreept die onzekerheid ettelijke keren in de roman. ‘Wat gaan al die schimmen hier dan doen? En hij, het spook dat mijn naam draagt? Met me mee verhuizen?’ De onbevlekte is daarom geen banale voortzetting op Marcel. Mortier laat immers een ander licht schijnen op de gevoelige familiekroniek van zijn debuut. Hij toont daarbij op een meesterlijke manier hoe de tijd zijn tanden in de personages en de setting heeft gezet. Toch laat hij, met een sobere terughoudendheid, een schijnbaar existentiële twijfel in zijn verhaal toe. – Alessio di Mella in deReactor

‘Ik ga het hier missen, Moe.’ ‘Dat went wel, zijt gerust.’ ‘Ja, maar ik zal het blijven missen. De hof, het achtererf met de sloot, de elzen, de wilgen, de dotterbloemen, de schuur, het riekt er nog altijd naar hooi.’ – blz. 132

Waarom heb ik al die pracht nooit gezien, en in mijn puberjaren zelfs verworpen? En waarom schettert dit alles me nu pas weer in de ogen, nu de sloten iedere zomer langer droog blijven staan en de wilde irissen smachten naar regen? – blz 133

‘ Ik had eigenlijk wat van de lelies moeten meebrengen, om in een vaas op het altaar te zetten, bij Maria.’ ‘Ik zal het wel doen, voor ik naar huis ga straks. Ik wil nog een langere wandeling maken met Lorenz. Naar het vennetje waar ik vroeger met mijn broers salamanders ving, en die poel van die bom uit de eerst oorlog, waar ma en ik gingen schaatsen’- blz 134

Ik draai me om. Het kromgetrokken huis, de ruggengraat van pannen tussen de dronken schoorstenen van de haarden, alles zakt in, verlangt naar kruk of stok.

‘Kom,’ zegt ze. ‘Sta daar niet te gapen gelijk een uil op een kluit grond. Doe het hek toe acheter uwe rug en geef mij een hand.’ -blz. 136

Wat ziet hij nog meer in die nagelaten post, die steevast met een strijdlustig ‘Houzee’ eindigde en in extenso wordt geciteerd, maar waar niet veel in staat? Deze opmerking, uit Oekraïne: ‘De tomaten, die zijn hier iets wonderlijks. Die groeien zoals een aardappelstruik, vertakt in vijf, zes scheuten en leveren zeker vier tot vijf kilogram per struik op.’

Met enige goede wil is daar een observator in te ontwaren. Maar die haalt het niet bij het proza van Erwin Mortier, dat even ritmisch en beeldend kan zijn als poëzie: ‘Misschien zijn we weinig meer dan botsingen met de brokstukken van wat er van het voorgeslacht in ons rondslingert, waaruit zich nu eens granaatscherven en dan weer strelingen losmaken.’ Retorisch vraagt de verteller zich nog af of hij zijn lot aan dat van een bende roofdieren zou verbinden, net zoals wijlen Marcel deed in de strijd tegen het communisme.

Dit delicate boek zelf is het antwoord. Met zachte handen plaatst de auteur een deksel op het verleden. Sommige vragen zijn beantwoord, andere blijven voor eeuwig open. Met De onbevlekte maakt Mortier wederom indruk, doordat hij toont wat een familieband is: iets tussen beschuttend en beschadigend in, dat je nooit kunt afzweren maar wel, als het eenmaal zover is, kunt laten rusten. – Arjan Peters in De Volkskrant

De heilige Rita – Tommy Wieringa

In zijn roman De heilige Rita, De Bezige Bij, 2017 zet Tommy Wieringa een virtuoos verhaal neer over een Twents dorp, Mariënveen. Tegelijk is de geschiedenis van deze kleine provinciale gemeenschap verbonden met die van het oude continent Europa, waardoor het uitstijgt boven het plaatselijke en een universeel, algemeen menselijk karakter krijgt.

In drieëndertig (!) hoofdstukjes vernemen we dat Paul Krüzen al zijn leven lang in een Saksische spookboerderij woont aan de Duitse grens. Eens zorgde zijn vader voor hem toen zijn moeder hen verliet voor een Russische piloot, die met een sproeivliegtuigje in het hartje van de Koude Oorlog ontsnapte uit de Sovjet-Unie en neerstortte in het maïsveld achter de boerderij. Nu zorgde Paul Krüzen voor zijn vader. In de halve eeuw die intussen verstreken is, hebben ze hun dorp sterk zien veranderen. De wereld is in beweging gekomen: Chinezen hebben de horeca van Mariënveen overgenomen, Russen, Polen en Roemenen zijn in het dorp vertrouwde verschijningen geworden. Het neerstorten van de Russische piloot betekende een kentering. Het zette een keten van gebeurtenissen  in werking waarvan Paul Krüzen en zijn vader nooit zijn bekomen.

Enkele passages

Startzin: “Paul Krüzen spuwde in zijn handen, greep de steel vast en hief de bijl boven zijn hoofd.” Blz. 7

“Negenenveertig jaar waren ze nu in elkaars leven, zijn vader en hij. Op een dag niet ver van nu zou hij alleen achterblijven in de Saksische boerderij op de Muldershoek, waar hij tot vreemdheid en gesprekken met zichzelf zou vervallen.” Blz.11

“Paul schudde zijn hoofd. Klein blijven, hij had het hem vaker gezegd, altijd kleiner en dommer lijken dan de anderen. Niks hebben en niks kunnen, dat kennen ze daar kunnen ze mee leven. Maar zo’n avond was het niet vor Hedwiges Johannes Geerdink, die wilde nu eens uit zijn schrale bleke vel stappen en genieten van de twijfel die hij had gezaaid. Hedwiges de mil-jo-nair, jazeker!” Blz. 16

“Alles moest zijn loop hebben. In het leven van de dieren, in dat van hemzelf, Paul Krüzen – meer haas dan kraai. Solitair levend prooidier. Hazenhart.” Blz. 42

Paul had een heldere herinnering aan de dag dat ze het bord aan de weg zetten.’Wat heb je nou opgeschreven, druif,’ had Paul ten langen leste gezegd.’Wat dan?’  vroeg Hedwiges. ‘Curosia …‘ ‘Wat is daarmee?’ ‘Het is fout, dat is daarmee.’ ‘Wat dan?’ vroeg Hedwiges opnieuw.’’t Is curiosa, geen curosia.’ ‘Ach, verdomme’, zei Hedwiges en knikte of hij het altijd al geweten had. ‘Wil je dat ik het overdoe?’ vroeg hij tenslotte. Paul schudde zijn hoofd. ‘Laat ze maar denken dat we dom zijn hier. Goed voor de onderhandelingsruimte.’ Een windvlaag ging door de eiken in de bocht van de weg, eikels ratelden op het asfalt. Ze keken nog een tijdje naar de witte sierletters op de donkergroene ondergrond. ‘Maar verder is het goed?’ vroeg Hedwiges. ‘De andere helft is top.’ Ze liepen over de oprit terug naar huis. Het grind knarste. Paul sloeg hem op zijn schouder en zei: ‘Ik ben blij dat ik je geen ‘parafernalia’ heb laten schrijven.’ Blz.68

Samen op vakantie in Boracay geeft Hedwiges hem grinnikend een medaillon van de heilige Rita dat hij op straat gekocht had.[…] Later die middag wees Hedwiges hem het stalletje met katholieke parafernalia, waar Paul eenzelfde medaillon voor Rita [zijn hoertje uit café Pasha over de Duitse grens, BK] kocht. Ze droeg het hangertje van haar naamheilige altijd. Blz.125

Ook Rita van Cascia had er, net als zijn eigen moeder, geen graten in gezien haar nageslacht te offeren voor haar grote liefde, dacht Paul schamper. Blz. 129

Als kind vindt Paul een oude munt die volgens de pastoor misschien een pauselijke gedenkpenning is. Hij zal hem moeten achterlaten om zekerheid te krijgen. Hij vertrouwt blind op de goedertierenheid van het kindeke Jezus en zijn moeder Maria, maar met de dienaren Gods kon je het niet weten. Blz. 148

Hij dacht aan de lindeboom achter zijn slaapkamer, die oude geweldenaar die gelijkmatig de seizoenen doorstond. Het was belangrijk een boom in de buurt te hebben waartoe je je kon verhouden; binnenkort bereikten ook mensen de leeftijd van bomen, maar zonder de wijsheid van hun zwijgzaamheid. Blz. 172

Met het kind dat het ouderlijk huis nooit verlaten had, was iets niet in orde. Nooit konden de ouders hun ogen sluiten voor hun mislukking. Afkeer, soms uitmondend in haat, zette zich tussen hen vast. Blz.255

Blazend in het duralex glas dacht hij aan zijn moeder die vandaag vijfenzeventig jaar geworden was. Een oude vrouw, ergens. In haar schoot was hij geweven maar ze had hem als een weeffout beschouwd. Blz.283

Enkele recensies

Aan deze minuscule, gehavende  levens onttrekt Tommy Wieringa een erg zintuigelijk boek, beroezend van taal. – Dirk Leyman, De Morgen, 25/10/ 17

Hoewel je de schrijver bij monde van zijn hoofdpersoon met huivering hoort spreken over de nieuwe tijd, waarin de dieren uit de wei zijn verdwenen en zelfs de zieken enkel oog hebben voor hun smartphone, zwelgt deze roman niet in nostalgie. ‘De heilige Rita’ is een ode aan het Twentse land, maar boven alles is het een grappig en ontroerend pleidooi voor mededogen. Mededogen met hen die geworteld zijn en niet meer kunnen bewegen in een snel veranderende wereld – de hopeloze gevallen. – Gerwin Van Der Werf, Trouw, 27/10/17

Wieringa schetst met een goed oog voor opmerkelijke verhalen en scherpe dialogen een inktzwart beeld van een armoedig gevoelsleven en een perverse plattelandscultuur. Hij treft het benauwende leven van Paul en de zijnen feilloos en wendt zich soepel door het dorp, de camera losjes op de schouder. Soms slaat zijn sombere wereldbeeld door naar retoriek en wordt hij sentimenteel. De lezer móet weten hoe hopeloos het ervoor staat op het vergeten platteland aan de grens: ‘Dat was de stand van zaken in dit deel van het land: wel een wolf maar geen pinautomaat.’ Je kunt er maar beter overheen vliegen. – Maria Vlaar, DS, 27/10/17

De heilige Rita knettert van ambitie. Raak getroffen taferelen in uitbundig coloriet, gebracht met achteloos vertelplezier en grimmig komische toetsen. Een grootse zintuigelijke roman, geschreven met jaloersmakende stilistische precisie en in hallucinerende taal – De Volkskrant

Dit is een boek over een Nederland dat ik niet kende, een achtergebleven gebied ver van de Randstad, een bijna niemandsland tegen Duitsland aan. Wieringa schrijft erover met groot vakmanschap, of het nu over Russische vliegtuigen, de loop van een beek, de samenstelling van de grond of over de technische details van wapens gaat, alles is tot op het bot gerechercheerd. Maar het is vooral een boek over eenzaamheid die via twee mannenfiguren zo tot in het merg beschreven wordt dat deze twee je nog lang bijblijven. – Cees Nooteboom

Of het nu een immigratieroman is, een liefdesverhaal, een vader-zoonboek, een roman van de grensstreek en de zandgronden, deze roman is vooral Wieringa’s persoonlijkste boek. Dichter bij hemzelf is deze schrijver nog nooit geweest. – Jan van Mersbergen, Revisor

XY – Sandro Veronesi

In de roman XY, Prometheus, 2011 van Sandro Veronesi, vertaald door Rob Gerritsen worden op een wintermorgen drie inwoners van San Giuda, een fictief afgelegen bergdorp in Noord-Italië, geconfronteerd met elf zwaar verminkte lichamen, alle door verschillende oorzaken omgekomen, en alle op hetzelfde tijdstip. Niemand begrijpt wat er is gebeurd. De 42 inwoners van het dorp vallen ten prooi aan de toesnellende media. Van eenvoudige getuigen van een onbegrijpelijk kwaad worden zij de onvermoede hoofdfiguren van deze roman. En allen verliezen langzaam de greep op de werkelijkheid. Don Ermete, de plaatselijke pastoor, kan zijn parochianen niet in de steek laten maar kan de algehele ontreddering ook niet meer alleen de baas. Daarom roept hij de hulp in van de jonge psychiater Giovanna Gassion, die op de vlucht is voor een stukgelopen relatie, om deze verloren mensen te redden. Pastoor en psychoanalytica moeten zich schrap zetten om toegang te krijgen tot de woningen en de psyche van de eenvoudige bergbewoners, waar de waanzin ontkiemt.

Alles is fictie in XY : er vindt een ramp plaats die niet plaatsgevonden kán hebben in een dorpje dat niet bestaat, zelfs binnen de romanwereld niet. Veronesi speelt een kunstig spel met Wahrheit en Dichtung. – 8weekly.nl

 

Ondanks de onverklaarbare doden en de onderhuids aanwezige dreiging is XY geen thriller. Het zijn niet de gruwelijke gebeurtenissen die tellen, maar wel wat ze aanrichten bij de personages in de roman. En om daarachter te komen, graaft Veronesi diep in hun psyche. Nooit zwaarwichtig, nooit belerend, maar altijd met die frivole toets.

Tezelfdertijd houdt Veronesi zijn lezers een spiegel voor van wat de dagelijkse gruwel die uit hun televisieschermen stroomt met hen aanricht.

Achter X en Y, de twee basiselementen van XY, schuilt het hele leven: man en vrouw, dood en leven, ratio en geloof. Sandro Veronesi schudde ze tot een onvergetelijke cocktail. – Knack.be

 

Uitgeverij Prometheus heeft XY voorzien van een van de meest lelijke en absurde covers van de laatste jaren […].Op de voorflap prijkt nu een blonde jongedame met rode lippen, wier ogen door een haarlok aan het zicht worden onttrokken. Het is het soort cover waarmee vanuit een simplistische marketinglogica om het even welke roman op het grote publiek afgevuurd kan worden. Bovenaan staat: ‘Dé sensatie uit Italië’, en boven de titel en de auteursnaam prijkt een ovaal etiket met de aanprijzing ‘Van de auteur van Kalme chaos’. Dit merkwaardige en frustrerende, maar lezenswaardige boek had een betere behandeling verdiend, al was het maar om niet uit het oog te verliezen hoe vreemd en onbegrijpelijk de dingen zijn die erin verteld worden – voor de personages, voor de auteur, en dus ook voor de lezer. – de Reactor.org

 

 

De Gouden Eeuw Revisited – MSK – Gent

MSK_DE-GOUDEN-EEUW-REVISI-AHYA

De tentoonstelling ‘De Gouden Eeuw Revisited’ kwam er naar aanleiding van de 200ste verjaardag van het begin van het Nederlandse bewind in België (1815-1830). De scheiding van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden in 1830 vertoont namelijk gelijkenissen met de ontwikkelingen op het einde van de 16de eeuw, toen Noord en Zuid elk andere wegen op gingen. Tot gisteren kon je in het MSK  een ‘curieuze collectie’ schilderijen uit de zeventiende eeuw gaan bekijken. Verschillende werken werden gerestaureerd en er werden daarbij enkele curieuze ontdekkingen gedaan. Het MSK herschikte voor deze tentoonstelling haar collectie kunst uit de Gouden Eeuw en liet verrassende werken uit de reserves zien. Een handig bezoekersgidsje begeleidde me op mijn wandeling  door de centrale hemicyclus en de zaal rond de centrale hemicyclus van het museum. Ik neem je even mee op deze wandeling en sta stil bij enkele van de tentoongestelde werken.

De genres

In de zestiende eeuw hadden Vlaamse schilders zich in bepaalde onderwerpen gespecialiseerd. In de zeventiende eeuw werden deze thema’s in een hiërarchie van genres ondergebracht. De historieschilderkunst behoorde tot het summum van de kunst. Stillevens en portretten, maar ook de eigenlijke genrekunst – taferelen van het dagelijkse leven -behoorden tot de laagste in het klassement. Daar tussenin zaten de landschap-, dieren-, en architectuurschilderkunst. Vooral de lagere genres beantwoordden aan de wensen van de smaak van het zakelijk ingestelde burgerlijke publiek.

Historieschilderkunst

Historiestukken moesten herkenbaar en begrijpelijk zijn, maar ook een moraal van het verhaal bevatten. Een brede belezenheid en vertrouwdheid met boeken gaf aan dat de kunstenaar meer was dan een ambachtsman. De onderwerpen kwamen uit de religie, de mythologie, de literatuur,  de klassieke en vaderlandse geschiedenis zoals in de naar het Noorden gevluchte Roelant Savery’s plundering van een Vlaams dorp dat door Spaanse troepen onder de voet wordt gelopen uit 1604. De Maria Tenhemelopneming, 1648 van de Haarlemmer Pieter Fransz. de Grebber, een schilderij dat voor een katholieke schuilkerk werd gemaakt, fascineerde door het serene lichte coloriet en de compositie.

Landschapsschilderkunst

De uitbeelding van het eigen landschap wordt gezien als één van de meest typische aspecten van de Hollandse schilderkunst. Voor de burgerij veruiterlijken ze de nationale trots van de jonge republiek. De menselijke figuren vormen een nietig detail in de overweldigende, maar gefantaseerde natuur. Savery’s fantasie blijkt ook uit de rotspartij rechts die het profiel van een mannengezicht heeft.

Dierenschilderkunst

De score die dierstukken in de hiërchie van de genres haalde, wijzigde in de loop van de jaren. Op het einde van de eeuw werden ze zelfs hoger gewaardeerd dan het landschap omdat het bewegende schepselen betrof zoals Melchior d’ Hondecoeter’s, Watervogels, ca. 1685. Hij werkte voor rijke burgers die riante panden bewoonden waar het salet (voorloper van het salon) werd voorzien van wand- en plafondschilderingen.

Portretschilderkunst

In dit groepsportret van een gefortuneerde (waarschijnlijk Antwerpse) familie toont Cornelis De Vos zich een meester in de verbeelding van een liefderijke gezinsband. Speciaal voor het MSK maakte  Isabelle de Borchgrave  Boudoir des mortes, 2015. Papieren kragen geïnspireerd op de iconische gesteven boorden op de zeventiende-eeuwse portretten.

Stillevens

Op A.E. van Rabel’s, Stilleven met vis, brood en uien, 1653 bevinden zich op een houten tafel een tinnen kan, een tinnen schaal met een aangesneden haring, een glazen wafelbeker met bruin bier, een aangesneden roggebrood, een bos uien, een aangebroken bol oude kaas met daarop een aardewerken schotel met boter en ervoor een teentje knoflook en een mes. De lichtinval komt, zoals dat gangbaar was, van links en geeft fraaie effecten op het glas, het tin en de uien.

Vele vanitasstillevensschilders hadden een ontvleesde schedel in hun atelier, een doodshoofd als symbool van vergankelijkheid. Dit vanitas- of ijdelheidssymbool komt ook op sommige rijkelijke stillevens voor als verwijzing naar de broosheid van het leven en de relatieve waarde van materieel bezit.

In deze zaal rond de centrale hemicyclus van het MSK bevonden zich ook prachtige kabinetten uit het Noorden met gebruiksvoorwerpen en rariteitenverzamelingen van de rijker bedeelden uit deze Gouden Eeuw. Bij de genrestukken ook   J. C. Droochsloot’s, Uitdeling aan de armen, 1654. Liefdadigheid vormde een belangrijk onderdeel van het sociale leven. Het was goed voor de begunstigde maar ook voor het zielenheil van de gever. Het hondje op de voorgrond hoorde niet thuis bij de armen. Wie een huisdier eten kon geven, had immers geld over.

Architectuurschilderkunst

In de architectuurstukken van Noord en Zuid ging het om een verschillende aanpak. Willem Schubert van Ehrenburg schildert theatrale ensceneringen, dramatische lichteffecten en sterke ruimtewerking. Hij is en protagonist van de contrareformatie. Emanuel de Witte en Hendrik van Vliet schilderen sobere interieurperspectieven van protestantse kerken.

Meer info over het MSK: www.mskgent.be

 

%d bloggers liken dit: