Dragende woorden – Anselm Grün

Het geheim van de geloofsbelijdenis

Advertenties


Het credo is geen stoffige boel, maar zegt iets over mezelf. Het opent mijn geest voor het mysterie van God. Ik moet niet geloven tegen mijn verstand in. Het gaat erom woorden uit vervlogen tijden zo te begrijpen dat ze mij een weg voor mezelf tonen. – Dragende Woorden, p. 17

Het credo behoort tot de fundamenten van het christelijke geloof. Voor veel gelovigen is de geloofsbelijdenis een evidentie, maar voor anderen vormt het een bron van twijfel. Waarom moet je – in godsnaam – je geloof uitdrukken in die geijkte formule? Is het niet genoeg dat je gelooft in de liefde van God? Met dit boek richt Anselm Grün zich tot zoekende mensen. Mensen die willen achterhalen waar het bij hun geloof om gaat. De auteur wil hun manieren tonen om het geloof zo te begrijpen dat hun leven erdoor verlicht wordt. Het credo vormt daarbij een onmisbaar handvat. – achterflaptekst

Menig gelovige heeft moeite met de tekst van de Geloofsbelijdenis. De auteur, benedictijn en bekend door zijn vele boeken op geestelijk gebied, heeft het aangedurfd om deze tekst te verklaren en inhoud te geven. Hij doet dat op een manier die aanvaardbaar is. Hij draagt oplossingen aan om de maagdelijke geboorte van Jezus en Zijn verrijzenis te verklaren. Hij doet dat door erop te wijzen dat wij de beeldtaal van die teksten beter moeten begrijpen in plaats van met biologische argumenten aan te komen. Het geloof in Jezus als Gods Zoon blijft dan ondanks alles overeind. Dit alles is beschreven in een voor iedereen begrijpelijke taal. Omdat er in Nederland een katholieke en een protestantse versie is van de Geloofsbelijdenis, zijn voorin beide versies afgedrukt. Een aanrader voor een groot publiek vanwege het onderwerp en vanwege de bekendheid van de auteur. – NBD Biblion

De Duitse monnik en schrijver  Anselm Grün is een meester in het begrijpelijk verwoorden  en uitleggen van complexe kwesties uit de christelijke traditie, omdat hij weet te putten uit zowel de hedendaagse psychologie en filosofie als de eeuwenoude monastieke wijsheid. Grün pakt met Dragende woorden het aloude credo aan. Zijn uitgangspunt: je geloof belijden is een nieuwe kijk op het leven inoefenen. Hij blijf veraf van elke dogmatische aanspraak, maar hij voegt zich wel in de katholieke onderstroom die het louter belijden als zaligmakend beschouwt. „Met het credo trekken we een mantel aan die ons in een steeds kouder wordende wereld beschutting en warmte biedt”, lezen we. „Die mantel beschermt ons tegen de twijfels die van buiten op ons afkomen, maar duwt niet de twijfels weg die bij onszelf steeds weer opkomen.” Op die manier behandelt Anselm Grün bijvoorbeeld het geloofspunt van de verrijzenis. Hij wijst erop dat de eerste christenen weliswaar overtuigd waren dat Jezus lichamelijk verrezen was, maar dat de kerkvaders steeds benadrukten dat de verrijzenis een mysterie blijft. In de verrijzenisverhalen leest Grün altijd een spanning tussen herkennen en niet-herkennen, tussen geloof en twijfel. – eds in Kerk & Leven

Een verhelderend en eerlijk boek dat vertrekt vanuit de eigen zoekende, vragende ervaring met de geijkte tekst van het credo. Het richt ons oog op de gebruikte beelden, voorziet ze van psychologisch, filosofisch en theologisch inzicht en opent zo vensters die uitzicht bieden op een oorspronkelijke wereld, een wereld die schroomvol omgaat met het mysterie en het beschermt. – BK

Anselm Grün is monnik van de benedictijnenabdij van Münsterschwarzach (D). Wereldwijd is hij een van de bekendste spirituele auteurs. Voor veel mensen, ongeacht hun religieuze overtuiging, is hij een gewaardeerd raadgever en spiritueel begeleider. Anselm Grün en zijn medebroeders hebben sinds de jaren 70 naar nieuwe bronnen in de spiritualiteit gezocht. Grün liet zich inspireren door Carl Gustav Jung en beoefende verschillende intensieve Aziatische meditatietechnieken. Grün valt op door zijn toepassing van oude monastieke tradities op het moderne leven in de wereld, waarbij hij redelijk ver durft te gaan in het populariseren en herinterpreteren daarvan. Daardoor zijn zijn boeken ook voor geseculariseerde westerlingen toegankelijk.

Soefi’s, punkers & poëten – Jonas Slaats

Een christen op reis door de islam

Terwijl de reportages ‘Allah in Europa’ van Jan Leyers op Canvas en VPRO liepen, stootte ik op het boek ‘Soefi’s, punkers en poëten – Averbode|Erasme nv., 2015’  van Jonas Slaats – alias Jonas Yunus Atlas in de originele Engelse versie – dat niet minder dan de publieksprijs voor het Religieuze boek 2015 in de wacht sleepte. Het was o.a. dankzij Kifkif.be dat de Nederlandstalige vertaling tot stand kwam.

Om zich vertrouwd te maken met de ziel van de islam had Jonas Slaats openhartige gesprekken met invloedrijke moslimgeleerden en -kunstenaars. Van Jakarta tot New York, ontmoette deze christelijke theoloog imams en soefi’s, academici en feministen, punkers en dichters. Het resultaat is een boek vol nieuwe inzichten die ons helpen de huidige culturele en religieuze impasses te overstijgen. Het boek bundelt zijn belangrijkste gesprekken. Tussen die gesprekken door worden kernaspecten van de islamitische traditie nader toegelicht en wordt hun plaats binnen de huidige debatten verduidelijkt. Voor wie nog niet zo vertrouwd is met islamitische begrippen werd achteraan in het boek een exhaustieve verklarende woordenlijst aangebracht.

De auteur hoopt dat zijn reisverslag een tweevoudig doel zal dienen: moslims inspireren en christenen de mogelijkheid bieden om een beter begrip van de islam te krijgen. Want, zo stelt hij, als echte dialoog durft te confronteren, dan confronteert ze niet alleen ‘de andere’. De ware aard van dialoog ligt vooral in de moed jezelf te confronteren.

Na een algemene inleiding over botsende beschavingen, over zichzelf als de Halal Monk en over de opzet van het boek worden de gesprekken gebundeld in vijf hoofdstukken die de lezer stelselmatig bij de hand nemen en hem dieper binnenvoeren in de essentie van de islam. Vertrekkend op het kruispunt tussen traditie en moderniteit en de traditionele essentie van koran, sharia en soefiya maakt de auteur ons vertrouwd met de normatieve islam. Drie geïnterviewden beklemtonen vervolgens de noodzaak van constructieve tegenspraak terwijl in het laatste hoofdstuk gepleit wordt voor houdingen die de spanningen overstijgen als daar zijn: oog hebben voor de goddelijke mensenrechten, de poëzie van de schepping, Jezus in de islam en interreligieuze nederigheid.

In zijn slotwoord verwoordt Jonas Slaats de hoop dat deze gesprekken duidelijk zullen maken dat de tweedeling ‘democratie vs. islam’, ‘wetenschap vs. geloof’, ‘moderne vrijheid vs. onderdrukkende traditie’ geen steek houden. Dat ze aantonen dat we het alleen maar erger maken door de huidige debatten in tweedelingen te forceren. Dat we eerst moeten leren begrijpen dat religie wezenlijk niet gaat over wie ‘gelijk’ heeft maar wel over wie ‘goed’ is. De conflicten tussen het Westen en de islamitische wereld moeten we niet zien als een probleem van botsende beschavingen of onverenigbare culturen. Het zijn geen discussies die gewonnen kunnen worden met argumenten van degene die ‘juist’ is. We kunnen ze slechts overwinnen wanneer we allemaal wat nederigheid bewaren.

Behalve het vertrouwd raken met islamitische begrippen en denkwijzen levert dit boek het wijze inzicht op dat ‘mededogen, rechtvaardigheid en menselijkheid geen gevolg zijn van gematigde overtuigingen. Ze zijn het gevolg van een [universele] verdiepte ziel’.

Enkele recensies:

“We hebben meer boeken van dit kaliber nodig die de lezer een echte en frisse kijk bieden op een traditie die in beweging is, in gesprek met zichzelf en sterk in verandering.” – Rowan Williams , voormalig aartsbisschop van Canterbury.

“De interviews en reflecties in dit boek bieden een doordachte, heldere en bijzonder interessante inzichten in de islamitische denkwereld. De mogelijkheid om ‘mee te luisteren’ met de gesprekken van de auteur zijn een waar privilege.” – Marie Dennis , co-voorzitter Pax Christi Internationaal.

“Het boek kon niet beter geschreven worden door een moslim – maar het is van belang dat het geschreven werd door een integere en zelf-bewuste christen. Dit boek wordt verplichte lectuur voor mijn studenten.” – Shaykh Bashir Ahmad Dultz , oprichtend voorzitter van de Duitse Moslimliga.

“Een diepgaande verstandhouding tussen moslims en christenen is kritiek voor de gezondheid van onze globale samenleving in de 21ste eeuw. En dit boek wijst in een beloftevolle richting.” – William E. Swing , stichter van URI en em. Episcopale Bisschop van California.

Habesura al pi Jehuda* – Judas – Amos Oz

Amos Oz geeft zijn roman Judas dit motto mee:

Daar rent de verrader aan de rand van het veld

Niet de levende maar de dode werpt naar hem de steen

Natan Alterman, ‘De verrader’, uit Vreugde der armen

Behalve de boeiende perspectiefwisselingen en vinnige politieke en filosofisch-religieuze disputen tussen de personages (Smoeël Asj, Gersjom Wald, Atalja Abarbanel), het uitvoerig uitgewerkte thema verraad (waarvan Amos Oz met betrekking tot Israël ook vaak beschuldigd wordt), de geestige karakterisering van de onhandige, komische, verliefde hoofdfiguur Sjmoeël, houdt deze roman, die speelt binnen de muren van een oud huis aan de rand van de verdeelde stad Jeruzalem, in zijn wezen, een pleidooi voor vreedzaam samenleven.

foto_1450196234Het verhaal speelt zich af in een somber oud huis in Jeruzalem in de winter 1959-1960, en wie wel eens een winter in Jeruzalem heeft doorgebracht, weet hoe deprimerend die kan zijn, met regen, wind, druipende cipressen en armzalige petroleumkacheltjes. Hoofdpersoon Sjmoeël Asj, student aan de Jeruzalemse universiteit, wordt door zijn vriendin in de steek gelaten, zijn vader is  failliet gegaan en kan hem geen studietoelage meer geven, en hij is vastgelopen in zijn zo veelbelovend begonnen scriptie, waarin hij wilde bewijzen dat Judas niet de verrader van Jezus was, maar juist de enige die écht in hem geloofde. Sjmoeël besluit zijn studie te staken en ergens in de Negev-woestijn nuttig werk te zoeken. Maar dan valt zijn oog op een briefje op het prikbord bij de universiteitskantine: student gezocht om een invalide oude man ’s avonds gezelschap te houden. Sjmoeël gaat erop af en ontmoet in het eerdergenoemde sombere huis Gersjom Wald, een typische intellectueel die niets liever wil dan zijn mening laten horen. Helaas is hij door zijn handicap aan huis gekluisterd en heeft hij geen publiek. Daar moet Sjmoeël in voorzien, die zelf ook wel van een stevige discussie houdt. In het sombere huis woont ook nog een beeldschone vrouw van een jaar of vijfenveertig, Atalja Abarbanel. Sjmoeël wordt op slag verliefd op haar, maar zij speelt een soort kat- en muisspel met hem. Sjmoeël komt er gaandeweg achter dat Gersjom en Atalja nog steeds leven met de tragedie die hun in de Onafhankelijkheidsoorlog van 1947-1948 is overkomen. En door dit alles loopt het thema van Judas, in de ogen van de christenen de klassieke verrader en het prototype van de onbetrouwbare jood. Maar in zijn gesprekken met Gersjom en Atalja komt Sjmoeël erachter dat de scheidslijn tussen verraad en liefde heel dun is.- de vertaalster hildepach.nl

Judas is geen gemakkelijk boek. Je kunt je zelfs afvragen of het als roman geslaagd is. Maar als literaire verdediging van Oz’ overtuiging dat alleen een compromis met je tegenstander tot vrede kan leiden, is het dat zeker. Van verraad kun je hem in ieder geval niet meer beschuldigen. – nrc.nl

Wat als

Wat het ene moment verraad heet, kan de volgende dag moedig blijken. Het is dat soort overwegingen die Oz’ roman schragen. De schrijver plant zaadjes van twijfel in twee historische verhalen: het ontstaan van de staat Israël en het Bijbelse verhaal van Jezus en Judas.

Wat als de joden voor 1948 de Arabieren hadden kunnen overtuigen om zich samen tegen de (Britse) bezetter van Palestina te kanten? Door net op de Britten te rekenen voor de stichting van Israël heeft David Ben Goerion ‘de Arabische haat tegen Israël nog verhevigd’, vindt hoofdpersonage Sjmoeël Asj.

Wat als de joden Jezus niet hadden verjaagd maar juist omarmd als een van hen, een man die niets anders wilde dan ‘de joden die corrupt geworden waren weer op het goede pad te brengen’? Wat als joden en christenen de kus van Judas niet waren gaan interpreteren als een kus van verraad, maar juist van liefde?

Het één had decennia van bloedvergieten in het Midden-Oosten kunnen voorkomen, het ander had de joden eeuwen van vervolging kunnen besparen. Het zijn uitdagende, voor rechtse Israëli’s, Thora- en Bijbelvaste joden en christenen zelfs provocatieve wat als-vragen:Judas leest, behalve als historische sciencefiction, daarom ook een beetje als Oz’ Duivelsverzen.

Maar Judas is fictie. De lezer krijgt de wat als-vragen opgediend in een kaderverhaal bestaande uit de gesprekken die de personages Sjmoeël Asj, Atalja Abarbanel en Gersjom Wald voeren in de winter van 1959 en 1960. De joodse staat is dan nog pril en Sjmoeël wordt wel eens overmand door het gevoel ‘dat alles en alles nog mogelijk was’.

Sjmoeël krijgt kost en inwoon om de oude en eenzame Wald intellectueel te entertainen. Wald deelt het huis met Atalja, de weduwe van zijn in de Onafhankelijkheidsoorlog gesneuvelde zoon Micha. Atalja blijkt de dochter van politicus Sjealtiël Abarbanel die aanvankelijk een medestander van David Ben Goerion was, maar zich vervolgens tegen de oprichting van Israël kantte.

De wat als-vragen over Jezus en Judas worden de lezer door Sjmoeël opgelepeld. Ze vormen het onderwerp van zijn studie die hij in de steek heeft gelaten. De wat als-vragen over Israël slingeren doorheen de gesprekken tussen de personages die gaandeweg naar elkaar toegroeien. De politieke standpunten die in de gesprekken vaak als uitroeptekens zijn gepresenteerd evolueren naar vraagtekens.

Want natuurlijk, de geschiedenis liep zoals ze liep. Jezus en Judas werden elkaars tegenpolen. Abarbanel werd uit de geschiedenisboeken gewist. De man is overigens een fictief personage: Oz baseerde hem op bestaande joodse pacifisten uit de jaren 30 die, na 1948, eveneens in de vergetelheid geraakten.

Oz mijmert graag een eind mee met de wat als-vragen van zijn personages. Sommige visies zijn gewoon te verleidelijk om waar te zijn. Maar zoals de schrijver hier vorige week (DS Weekblad, 14/11) zei: een droom kun je alleen ‘puur en wonderlijk’ houden door hem niet te vervullen. ‘Dat geldt voor het bouwen van een land, net zo goed als voor het schrijven van een roman of voor het uitleven van een seksuele fantasie.’ – De Standaard 20/11/2015

Habesura al pi Jehuda*: het evangelie volgens Judas