Cliënt E. Busken – Jeroen Brouwers*****

De gemeenschapsruimte, genaamd de huiskamer, potten met plastic planten op de vensterbanken en in het midden. Daar strompelen we binnen als in het kabinet van Jheronimus Bosch. De creatuursels aan de verschillende tafels hebben vissenkoppen en hondenstaarten, bestaan uit slechts een hoofd op kippenpoten, zwengelen met armen en handen als boomtakken bij stormachtige weersgesteldheid. Ik ben van alle cliënten alhier de enige normale. blz. 143

Het bovenstaande fragment uit Jeroen Brouwers’ roman Cliënt E.Busken, 2020 is wellicht de sleutel tot de sur-realistische wereld van home Madeleine, een psychiatrische instelling, waarin de heer Busken, na een gemene val, is tercht gekomen. Hij gruwt van de instelling, haar cliënten en haar personeel. Zijn vernietigende observaties en satirische commentaren houdt hij echter voor zich. Hij houdt zich doofstom, staart alleen maar wat voor zich uit, ziet regelmatig alles in een blauwe zweem, zakt weg in flarden verleden – voor de ‘chiater’ van dienst ‘gedachtetjes’ – of fantasieën, ervaart zijn mentale en lichamelijke aftakeling als onomkeerbaar en beseft ‘Ik ben eenzaam. Ik kom hier niet meer weg’. Kortom home Madeleine betekent voor de heer Busken de deprivatie van alles wat hem lief was en is, tot de laatste sigaret toe.

Er gebeurt dus eigenlijk niets in deze roman. Je krijgt een oneindige aaneenschakeling van absurde, betuttelende, soms hilarische zich herhalende situaties waarin een intelligente en grotendeels ook bewuste persoon tegen zijn zin wordt neergepoot, vastgesnoerd in een rolstoel.

Wat maakt de roman dan zo buitengewoon? Ik laat Christoph Vekeman even aan het woord:

Maar schrijven kan hij, en dat weet hij, ondanks het feit dat woorden hem ‘als parelkralen die van een snoer glijden’ een na een beginnen ‘te ontvallen wegens vergetelijkheid’, zelf natuurlijk ook wel: ‘In gedachten vijftig jaar jonger rijs ik op uit de door leeuwenpootjes geschraagde porseleinen badkuip, waarin zij, mijn vurig beminde, onder de gouden kranen in het roze schuim blijft liggen, met een verrukte glimlach nahijgend van wat ik haar in het water heb mogen bezorgen, te weten een orgasme waarbij ik, gromde ze, haar keel moest dichtknijpen en ik met mijn duimen de adem en het geluid uit haar weke hals drukte, mijn penis van staal voorwaarts en voorwaarts stampend in de warmte van haar ingewand, warmer dan het badwater, dat door ons gespartel in brede golven over de rand sloeg. Een mooie volzin is nooit weg.’ Een mooi neologisme ook niet, trouwens, zoals – ditmaal onder véél meer – ‘ivoorblote armen’, ‘biljartstrakke gazons’, ‘nicotinesprieten’, ‘voetstempels’ en ‘zitgleuf’ mogen aantonen.

Maar het meest kenmerkende thema van deze roman en van ál het werk van Brouwers, is bij uitstek de taal zelf, taal die hier als grote overwinnaar uit de bus komt, taal die glorievol Buskens verval trefzeker in de schaduw weet te stellen, juist door alle details ervan scherp te belichten. Het is dat, louter dat, waaruit wij, net als hij, bestaan: taal, niets dan taal. In die zin is dit nieuwe hoogtepunt in Brouwers’ oeuvre, misantropisch van aard als het zijn mag, een onnavolgbare ode aan ons allemaal. – DS, 7 februari 2020

De roman behoort net als De Onbevlekte van Erwin Mortier tot de shortlist van de Libris literatuurprijs 2021

Geachte heer M. – Herman Koch***

Dat Herman Koch zich helemaal niet gecharmeerd voelt van de recensies die leraren over zijn boeken schrijven, is me bekend. Ze zijn hem te middelmatig, ondermaats geneuzel, gespeend van elk vleugje inspiratie of intelligentie. Nu ja, als  Nederlandse schrijver met renommée in de VS  kan hij zich natuurlijk wat permitteren  in dit geval een sleutelroman waarin niet alleen een hele cohort leraren voor de bijl gaat maar ook nog eens de hele huidige schrijvers- en uitgeverswereld aan een hilarische karikatuur ten prooi is. Het jaarlijkse Boekenbal culmineert er voor schrijver N. en schrijver M. (wie?) in een vechtpartij die de tanende M. finaal fataal wordt.

Het heet dat Koch na het succes van Het diner (2009) met deze roman zijn plaats wou opeisen als één van Nederlands topschrijvers. Daarvoor moest hij iemand aan die top proberen te onttronen. Dat is hem niet gelukt. Nog niet.

Over de wisselende vertelperspectieven en verhaallijnen beginnen, zal me nopen tot vervelend, middelmatig, geneuzel. Spannendst is de verhaallijn van het jonge koppeltje Herman en Laura die uitgaat van een onopgeloste misdaad: de verdwijning van de geschiedenisleraar Jan Landzaat die een korte relatie had met Laura en haar blijft stalken als ze nadien een relatie heeft met Herman. Hier is de schrijver van  Zomerhuis met zwembad en van Het Diner aan het woord in een vlotte literaire thriller.

Schrijver op de terugweg M. die deze historie oppikt als onderwerp voor zijn roman Afrekening, duidt leerling Herman als schuldige voor de verdwijning van leraar Landzaat aan  in dit onopgeloste liefdesdrama. Dat is buiten zijn mysterieuze onderbuur gerekend die hem onopgemerkt op de hielen zit. Die onderbuur, de oudere Herman die het niet verwerkt heeft dat hij in de Afrekening als de schuldige voor de verdwijning werd weggezet, toont M., die na het Boekenbal met gebroken neus en hersenschudding thuis op de sofa ligt, zijn oude wit-zwartfilmpjes getiteld Leven voor de dood, als mogelijk ‘nieuw materiaal’ in het onderzoek. M. heeft echter, zo weet alleen de lezer, het lot een beetje geholpen om zijn romanplot te laten kloppen. Het is midden in de laatste zin van het filmrelaas over Landzaats verdwijning dat Herman – o dramatische ironie –  merkt dat M. niets meer zegt en helemaal niet meer beweegt. De waarheid staart hem zwijgend en met open, onbeweeglijke ogen aan.

Een intelligente leraar die iedereen te slim af was, kwam [M.] helemaal niet goed uit. Het zou het verhaal op zijn zachtst gezegd ongeloofwaardig maken. Maar hij moest het wel zeker weten. Het mocht niet zo zijn dat de werkelijkheid opeens roet in het eten zou gooien. Blz.421

Koch geeft zijn roman het motto mee van een getranscribeerde black box-opname van een vliegtuigramp uit Malcolm Mac Phersons non-fictionboek The Black Box, daarmee verwijzend naar mogelijk bewijsmateriaal dat voor onderzoekers de oorzaak van een ramp kan ophelderen:

……..

COCKPIT UNIDENTIFIED VOICE: Left throttle, left, left, left, left …

COCKPIT UNIDENTIFIED VOICE: God!

CABIN: [Sound of  impact]

THE BLACK BOX

Malcolm Mac Pherson

Herman Kochs nieuwste De greppel (2016), door Ambo|Anthos als luisterboek op de markt gebracht, is voor 14.99€ te downloaden op www.luisterrijk.nl. In 2017 schrijft hij het Boekenweekgeschenk.

Gelukkige slaven – Tom Lanoye*****

downloadSe non è vero, è ben trovato,  dacht ik nadat ik de voor de Libris-literatuurprijs 2014 genomineerde roman Gelukkige slaven [Prometheus, 2013, 314 blz.] van Tom Lanoye had gelezen. Jammer genoeg sluit het verhaal maar al te goed aan bij de realiteit van de dolgedraaide geglobaliseerde haute finance en die  van de internationale vrije markteconomie. Dat Lanoye het over deze thema’s niet zoals een journalist uit De Tijd of een marktanalist heeft, ligt voor de hand. Zijn kennis ter zake is echter voldoende overtuigend en komt, zij het vereenvoudigd, binnen bij de lezer. Wie Lanoye zegt, zegt immers ook theater, performance, zinderende dia- en monologen, en  tragikomische situaties, over de dodelijk verslavende geldzucht van de hedendaagse mens deze keer.

Het verhaal is niet dun zoals sommige recensenten beweren. Opgebouwd uit een proloog en de delen Neergang, Vereniging en Hoop volgt het de traditionele tragediestructuur in omgekeerde volgorde. Opgang naar een climax wordt hier afdaling naar een lang uitgesponnen keerpunt. Twee dubbelgangers-antagonisten met de naam Tony Hanssen en een tritagonist, de Zuid-Afrikaanse Khumalo, bevolken samen met de Chinese mevrouw en mijneer Bo Xiang, en de jonge Diederik Vanbergen, het toneel. De proloog is zoals in elk klassiek stuk een expositio van locatie (Zuid-Amerika meer bepaald Argentinië en Zuid-Afrika, het Krokodilspruit wilddierpark) hoofdpersonages en handeling. Het eerste deel  loopt tot de helft van de roman, bevat vijf subhoofdstukken en vertelt over hoe zowel de voormalige bankcomputerspecialist, nu wildstroper, als de voormalige cruisedirector, nu toy boy, de afwikkeling naar de ondergang, hun Neergang, proberen af te remmen door zich te begeven op het pad van enerzijds de illegale – verrassend gemakkelijk mee weg te komen – hoornhandel en anderzijds dat van een leven als gigolo-geldkoerier van mevrouw Bo Xiang, echtgenote van de machtige Chinese tycoon. De ene gedreven door seksueel verlangen naar zijn vrouw Martine en het huiselijke geluk met zijn dochter Klaartje.  De andere de absolute tegenpool, door gokschulden veroordeeld tot zwerven met mevrouw Bo Xiang en geparalyseerd door de angst het slachtoffer te worden van de represailles van meneer Bo Xiang. De nerd tegenover de loser. Twee delen van een perfect inwisselbare identiteit blijkt later in Vereniging waar ze elkaar op het spoor komen in één van Bo Xiangs luxehotels in metropool Guangzhou. Perfect inwisselbaar door de onbewust aangeleverde voorkennis van de plots opduikende Afrikaanse inspecteur Khumalo. Een knappe vondst die van Khumalo, de tritagonist in het spel, een absolute sleutelfiguur maakt. In dit tweede deel Vereniging, eveneens bestaande uit vijf subhoofdstukken, stelt Khumalo via zijn doorleefde monoloog over de geschiedenis van Afrika, dit continent ten volle aanwezig, naast het Zuid-Amerikaanse Argentinië van de hoteleigenares Mercedes en het Chinese Guangzhou van de Bo Xiangs. Na deze monoloog krijgt het verhaal vaart. In Hoop, het derde en laatste deel – slechts een twintigtal bladzijden lang – raast het verhaal zowaar in snel tempo naar zijn ontknoping.

De Wolvertemse ex-bankcomputerspecialist mist Brussel “ … de glorieuze bastaardmetropool die België en eigenlijk heel Europa bij elkaar hield”[128], de zwervende ex-cruise director minacht  Vlaanderen en vindt haar taal het bewijs van haar bekrompenheid. “Geen taal ter wereld was zo aangetast door de schimmel van het verkleinwoord als de Vlaamse variant van het Nederlands. […] En met altijd, altijd: die blijvende, stompzinnige onmondigheid, zelfs al kwekten ze inmiddels nog zo vlot. […] Een biefstukske met een glazeke wijn erbij. Een toerke rond den hof. Gazetje, sigaretje, bakske koffie: alles op ’t gemakske.” [28] Twee licht karikaturale Vlamingen tegen de achtergrond van een geglobaliseerde wereld. Eén handelt volgens de wet van de vergelding die luidt: “ Vergelding is een wiel, de gevaarlijkste dader is een slachtoffer. En wie had, als meervoudig slachtoffer, meer dan Tony, recht op weerwraak en op meedogenloosheid? Ik haal mijn gram, dacht hij – lachend, liegend, paaiend – desnoods op iemand die heet zoals ik. Die stomme naam heeft me genoeg gekost. Het was tijd voor retributie.”[218-219] De andere, de held uit Krokodilspruit, stevent af op zijn ondergang. De straf voor zijn onverbeterlijke hybris, zijn onstuimige gedrevenheid, zijn gebrek aan mensenkennis. Verliezer wordt winnaar, winnaar verliezer door een onverwachte synchroniciteit. Est on [finalement] au banquet de la vie, infortuné convive? Zijn we eindelijk te gast aan de dis van het leven, rampzalige mijnheer Hanssen? [253]  Op wie vestigt het grootkapitaal hier, alsnog zijn hernieuwde hoop? De lezer kent ondertussen de achtbaan van het geld en van zijn vermeend gelukkige slaven.

Gelukkige slaven is literaire postmoderne pulpfiction, vol verrassende soms verwarrende plotwendingen, verteld in een vitale, vibrerende stijl. Gesneden brood voor filmscenaristen. De ongemeen komische situaties waarin de romanfiguren terecht komen en waarin immoreel opportunisme en individualisme de bovenhand halen, wordt mooi gecounterd door een vleug menselijke Zuid-Afrikaanse ubuntu. En de auteur, onder één hoedje met zijn lezer, gunt hem finaal alle kennis.

Gelukkig zijn we machteloos – Ivo Victoria****

downloadNa Dieven van vuur (2014) van Ivo Victoria las ik nu Gelukkig zijn we machteloos (2011) uitgegeven bij Anthos, Amsterdam. Hij heeft naar eigen zeggen de roman herschreven tot hij de juiste toon te pakken had. Dat laat zich voelen. Het boek leest als een trein en houdt een onderhuidse spanningsboog aan die van hoofdstuk tot hoofdstuk geen ogenblik verslapt. Het gegeven is een jaarlijkse familiebijeenkomst, een tuinfeest door moeder Martha georganiseerd. Ze heeft ook ome Lex, de vriend-entertainer uit de zorgeloze jeugd van haar nu volwassen kinderen, uitgenodigd. De auteur neemt afwisselend haar standpunt en dat van ome Lex en haar kinderen in. Het is een zwoele zomerdag en er hangt spanning in de lucht. Martha mijmert vanop afstand in stilte: Wanneer was dat moment? Wanneer stoppen kinderen met één zijn? Wanneer slaan ze hun eigen weg in, zoekend naar de plek waar eenieder uiteindelijk aanbeland? Waar zit dat verschil, dat later zal blijken, zoals stukken klei die worden gekneed door de handen van de tijd, Martha wou dat ze dat moment bij haar eigen kinderen had herkend. Ze had het vastgepakt, tot stilstand gebracht, doodgeknepen als een insect.(47) De lezer wordt op iets voorbereid, voelt de constante onrust en bezorgdheid die over het feest hangt, fricties tussen de genodigden, blikken die uitgewisseld worden, onenigheden die in scenes uitmonden: Het ongeluk kent de geur van wie angstig is. Het heeft geduld, het komt je zoeken, in de nacht wanneer je eindelijk slaapt, en niets meer verwacht. (48) Een redeloze mediastorm over de verdwijning van een aantal jonge meisjes heeft alles nog aangescherpt en culmineert wanneer ome Lex, na zijn verplicht pianonummer, plots, quasi ongemerkt, samen met de Aziatische adoptiefkleindochter Billie verdwijnt. En Martha bedenkt: Ze zijn allemaal zwak. En dat ze hier samen zijn, maakt hen vreemd genoeg niet sterker. Ze zijn machteloos. En het is haar schuld. Het was niets meer dan angst die hen verbond. Waarom heeft ze dat nooit gezien? De vrees voor iets wat natuurlijk niet zou gebeuren, die hield hen samen.(124) En ome Lex’ devies tegen alle redeloosheid is: Alles is een kwestie van afwachten. Kijken hoe de dingen gaan. Zonder een ommezwaai te willen forceren. Bekijk alles zo rechtvaardig mogelijk. En dan zal je op een gegeven moment weten wat je te doen staat. Althans zo moet je het zien. Gelukkig zijn we machteloos. Dat is mijn geloof. We moeten het niet anders willen.(154)

Ivo Victoria’s stijl in deze roman geeft blijk van puntgave en geestige observatiekunst vb. wanneer hij beschrijft hoe het obligate familieportret tot stand komt of bij de karakterisering van diverse figuren uit het gezelschap. Maar is ook etherisch gevoelig in de beschrijving van wat Billie en ome Lex overkomt. Gelukkig zijn we machteloos peilt naar de existentiële angst en vrijheidsdrang van elke mens en hoe die daarmee probeert klaar te komen.

Post Mortem – Peter Terrin****

Post Mortem - Peter TerrinDe AKO Literatuur Prijs 2012 die sleepte hij vorig jaar al in de wacht en al werd het voor Peter Terrin met Post Mortem geen nominatie voor de shortlist van de Libris Literatuur Prijs 2013 (wél voor de longlist) toch prijkt de roman ook op de lijst van Best Verzorgde Boeken van 2012. Een roman met maatwerk-binnenwerk, zo heet het. Terecht, want het omslagontwerp, de lay-out van de  inleidende binnenbladzijden en de eerste bladzijde van elk deel, samen met de romantekst vormen een mooi grafisch geheel. Op deze manier sluit de vormgeving van deze roman prachtig aan bij de inhoud ervan. Peter Terrin schrijft zijn werk immers op een mechanische tikmachine. Hij heeft daar zo zijn reden voor.

Post Mortem is een aangrijpende en erg complexe roman. Aangrijpend vooral in het tweede deel waarin schrijver Emiel Steegman (op ‘een Olivetti Lettera 32, een stijlvolle portable die in de jaren zestig erg geliefd was bij journalisten’.) het relaas doet van de coma waarin zijn vierjarig dochtertje Renée, terechtkomt na een herseninfarct, terwijl hij aan haar ziekbed de wacht houdt.  Een complexe roman omdat het leven van schrijver Steegman een parallel  vindt in dat van het hoofdpersonage uit T, de roman die Steegman is begonnen na een begenadigd inspiratiemoment in de douche. Een roman in een roman dus, een soort chinese boxstructuur die helemaal aan het einde in deel drie nog eens omvat wordt door het verhaal van de biograaf van Steegman, Paul, die alle puzzelstukjes uit het leven van Steegman moet zien bijeen te sprokkelen uit T, zijn onlangs met het Gouden Buikbandje bekroonde succesroman De moordenaar en de videobandjes die hem door Steegman bezorgd zijn net voor diens overlijden.

Zoals de titel aangeeft is het hoofdthema: wie zal men ‘post mortem’ zeggen dat ik geweest ben? En ook het motto wijst in die richting:”We zijn niet wie we zijn, we zijn wat de wereld van ons weet…” – W.F.Hermans, Herinneringen van een engelbewaarder. Daarom schrijft Steegman zijn roman T, om controle te houden over zijn biografie, vanuit een biofobe motivatie, verbrandt hij hele stapels notities in zijn tuin en bezorgt hij zijn biograaf de videobandjes van de revalidatievorderingen van Renée. De biograaf Paul heeft zelfs van iemand dezelfde tikmachine gekregen als waarop Steegman vermoedelijk T heeft geschreven, een Olympia SGI. Maar de biografie ermee schrijven voelde verkeerd aan: mooie schoenen in de juiste maat, gevormd naar vreemde voeten.

Fictie en realiteit zitten in deze roman in een ingewikkeld kluwen. Autobiografische gegevens worden tot fictie, fictie wordt realiteit. ‘Wegens nogal moeilijke tijden in de familie’, de smoes om afwezig te blijven op een evenement met Estse collega-schrijvers, wordt realiteit in de noodlottige gebeurtenis met Renée. De briljante idee voor T, groeit tot een roman waarmee zijn biograaf Paul na zijn dood aan de slag moet. Er zitten, neem ik aan, veel verwijzingen in de roman naar situaties en personen uit het leven van Peter Terrin waarvoor we als lezer – buitenstaander niet meteen de sleutel bezitten. Zo bevat Deel Een, 13, slechts één zin: “T heeft een geheim”.

Wat ook in deze roman, net als in Blanco en Vrouwen en kinderen eerst, opvalt is de observatiekunst van de auteur, de nauwgezetheid waarmee hij waarneemt en die waarneming tevoorschijn tovert in woorden, de levendige beschrijving van de realiteit die omslaat in surrealiteit doordat onverwachte personen en situaties opduiken en weer verdwijnen. Je leest constant met een hele reeks vraagtekens in je hoofd. De gelaagdheid van het verhaal, vereist wat dieper spitten, even teruggaan, even stilstaan bij wat er staat, verwonderd zijn over de prachtig geschreven passages en over de mooie en innemende vader- dochterrelatie, de symboliek gaandeweg vatten en de vele verwijzingen herkennen. Dat alles garandeert geen onmiddellijk leesplezier maar wel grote leesvoldoening. Post mortem is een erg tedere en ingenieuze roman.

The Forgotten Waltz – De vergeten wals – Anne Enright***

Hieronder drie recensies die de recentste (2011) roman van Anne Enright evalueren op zijn verdiensten. Zoals ze in haar  verhalenbundel ‘Taking Pictures’ in het verhaal ‘Het weer van gisteren’ (dat de Nederlandse uitgeverij de vertaling als titel meegaf) met gemak de fotografische focus van een ontstellend rancuneus gezinsweekendje verlegt naar de ravage die de noordelijke voorjaarskoude in de bloembollentuin van de vertelster heeft aangericht, zo weet ze in deze roman het beeld te verschuiven van het essentiële en scherp te stellen op incidentele situaties, gebeurtenissen, landschappen, buurten die het symbolische decor vormen voor de handeling. Enright neemt waar, zoomt in, plaatst in close up, zet in tegenlicht. In The Forgotten Waltz  zet ze haar heldin, Gina Moynihan, letterlijk en figuurlijk in Dublinse sneeuw en  vrieskou.  

Deze roman over overspel, en de ontnuchterende gevolgen ervan voert een hoofdpersoon op die ondanks haar passie en intelligentie, steeds weer The Forgotten One is. The Forgotten Waltz focust op liefde en romantiek maar verliest de problemen, gedragingen en maatschappelijke realiteit van een ‘verloren’ generatie niet uit het oog.

 Het boek heeft een cirkelstructuur en is opgebouwd uit een voorwoord en 3 delen (walsmaat?) ; elk deel bestaat uit verschillende hoofdstukjes die elk een popsong  als titel hebben en zo verwijzen naar bepaalde motieven in het verhaal vb het Ierse wiegelied Toora Loora Loora als ze de lezer een portret van haar moeder ophangt of In these shoes?  dat weer in je oor klinkt als Evie, haar stiefdochter, zegt ‘Niet te geloven, zoveel schoenen als jij hebt.’  Allemaal ‘highheeled occasions’ om haar vader te behagen? De reactie van Gina Moynihan is direct en een mengeling van woede en koppigheid. The things you do for love (Shirly Bassey) is de titel van het laatste hoofdstukje en dat heeft een pittig slotakkoord. (BK)

“Hindsight is a wonderful thing,” says Gina Moynihan, the narrator of Anne Enright’s fifth novel. But it can be a treacherous and ungovernable thing, too, providing the illusion of wisdom about events and circumstances that are, by definition, no longer present to us. Gina knows this. Not only is she constantly hedging her account, but she is perfectly attuned to the tricks that hindsight plays. After recounting the start of her affair, adulterous on both sides, with “the love of my life”, Seán Vallely, she says that “perhaps this is not how it was . . . I might be imposing the lover I now know on the memory of the man I slept with then.” Even the title of the novel hints at her mixture of fallibility and self-awareness; in a first-person narrative, a forgotten thing must be acknowledged as forgotten. (1)

De geur van routineus gestoft meubilair, restjes roomservice op het vasttapijt en een lampenkampje dat onthoofd wordt tijdens een iets te enthousiaste positiewissel: nergens is het beter de liefde bedrijven dan in de anonieme lakens van een hotelkamer. In die setting laat de Ierse Anne Enright haar hoofdpersonage Gina een tijdlang haar gang gaan in ‘De vergeten wals’ (De Bezige Bij). Ze is onverhoeds verliefd geworden op Seán, en daar komt een liaison dangereuse van, want beiden zijn comfortabel getrouwd. Enright, die voor haar familiesaga ‘De samenkomst’ in 2007 de Man Booker Prize kreeg, doet niet aan spanning: haar plot volgt een voorspelbaar paadje. De kennismaking van de minnaars (in ‘een klein toneeldecor voor geluk’), het eerste blikken en blozen, de periode van stiekem rampetampen (‘fantastische, clandestiene lust’), de verdamping van het geheim, de deconfiture van de twee huwelijken en het samenwonen van de nieuwbakken geliefden: niets dat u nog niet hebt gezien in uw of andermans leven.

Maar de bevlogenheid waarmee Enright het allemaal opschrijft, maakt alles goed. ‘De vergeten wals’ staat vol pientere observaties van kleinmenselijk gepeuter op die dommig rondtollende aardbol. Een kerstfeest bij Seán – op het moment dat zijn vrouw nog van niets weet – beschrijft ze bijvoorbeeld met een duizelingwekkende accuratesse.

Enright kleedt haar hoofdpersonage ook aan met een cassant gevoel voor humor. […] Of deze wetenschappelijke beschouwing: ‘Na de seks praten mannen over hun moeders; voor de seks zijn ze een beetje beledigd als ze ter sprake komt. Wat dochters betreft, mijn seksuele ervaringen met vaders zijn beperkt, maar ik vermoed dat dochters alleen besproken worden als iedereen aangekleed is.’

Gek genoeg weet Enright het meest te ontroeren met haar twee nevenplotjes. In het ene sterft de moeder van Gina zonder dat die zich daar goed bewust van is; in het andere is er de wispelturige, ziekelijke Evie, het dochtertje van Seán en zijn vrouw op wie niemand echt vat krijgt. Enright blijft het allemaal opschrijven met een koket ne me touche pas.

Het leven is een snel bij elkaar gepende stationsroman, maar je kan er wel een genoeglijke brok literatuur van maken: Anne Enright weet hoe dat moet. (2)

An Unrepentant Adulterer
By FRANCINE PROSE

As “The Forgotten Waltz” opens, a young married woman named Gina Moynihan is kissing an older man, Sean, upstairs in his house, when Gina realizes they are being observed by Sean’s daughter, Evie. Sean’s wife calls up to Evie to rejoin the party downstairs, and despite what she has just witnessed, the child, who has burst out laughing at the sight of her father and Gina embracing, seems reassured.

This quick summary might lead some readers to suppose that Anne Enright’s new novel offers an update on a subject — thwarted Irish adultery — that Edna O’Brien and William Trevor have written about with such tenderness and compassion. But these readers would be wrong.

Because already an odd note in Gina’s narrative voice hints that, despite the surface resemblances, the world she inhabits is fundamentally unlike that of Trevor and O’Brien, whose characters, however trapped by circumstance and led astray by passion, tend to be good at heart. But Gina doesn’t seem to have a heart — or, for that matter, a conscience. Nor is she particularly intelligent, though she does work in “I.T., sort of” and has a sharp eye for designer dresses and shoes.

She’s less interested in the sad little home she’s wrecking by sleeping with Sean or in the pain she’s causing his “zombie” wife, Aileen, “whose little fat sits in sad, middle-aged pouches about her boy’s body” and who wears “very middle-aged lipstick, pinkish and pearlized, on her unprepossessing, useful face.” Annoyed and repulsed by Evie, whose neurological illness — a seizure disorder — is an understandable worry for her parents, Gina finds the child “slightly unbearable. . . . It might have been something to do with the fat” or “the wrong sort of face.” She stifles the urge to call her a “little cow.”

Throughout, Gina’s humor crackles with brittle desperation, and while you may share her impatience with, let’s say, overprotective middle-class parents (Gina’s sister’s children have never seen a cigarette) we want to distance ourselves from whatever she is thinking. Delighted that the end of her marriage to the hapless Conor has rescued her from having to visit his boring family, she crows: “I just can’t believe it. That all you have to do is sleep with somebody and get caught and you never have to see your in-laws again. Ever. Pfffft! Gone. It’s the nearest thing to magic I have yet found.”

It’s early in the new, still fiscally optimistic century, and Gina works at a company that “puts European companies on the English-language Web.” The Irish economy is thriving, and Gina (like many others, we can assume, and not only in Ireland) has filled the hole where a soul might be with narcissism, acquisitiveness, competitiveness, a lively interest in the prices of things and, above all, with real estate hunger — for beachfront property, in particular.

She resents the settled and middle-aged for having nice homes, and when her mother dies, Gina is briefly distracted from her grief (the most genuine and powerful emotion she feels in the book) when a lawyer suggests that she and her sister might get “two and a bit” for the sale of their mother’s house. “If you’re going to spin your grief into cash — what the hell — maybe it helps if the cash is crazy.” Though Conor wants children, Gina is sensibly mindful of the cost: “How were we supposed to pay for it? The mortgage was two and a half grand a month, the child care would be another grand on top of that.”

In the novel’s first sentence, Gina tells us that “the fact that a child was involved made everything that much harder to forgive.” The point of this will not become clear until the strong final scene, when it turns out (trust me, this is not a spoiler) that Evie is the only major character with a basic sense of moral consequence. Until then Gina’s concern with forgiveness is submerged by a tendency to blame her actions on alcohol and a certain fogginess that is, for her, a side-effect of the birth control pill.

In fact Gina’s foggy about a lot of things: how, why and when the critical events in her story take place. (“I can’t be too bothered here, with chronology.”) And she’s hazy on details, preferring the fuzzy and general summary to the sharp and particular representation. Her job involves translation, but not from “the romance languages, unfortunately, I do the beer countries, not the wine.” When a character tells us, as Gina does, that “languages are my thing,” we’re alerted to the probability that English is, alas, not one of them.

Enright willfully exchanges the descriptive abilities she demonstrated in her previous novel, “The Gathering,” winner of the 2007 Man Booker Prize, for Gina’s pop-psychology clichés, vagueness and inexactitude. “We knew each other,” she says of the early days of her marriage to Conor. “Our real life was in some shared head space; our bodies were just the places we used to play.” Gina describes a friend’s pregnant wife as “slow and hysterical as a turnip in a nervous breakdown.”

Enright gets credit for courage: she never allows Gina to step out of character, never signals from behind the mask of Gina’s limitations to remind us she’s smarter and nicer than her protagonist. But this also means Enright doesn’t have to be more original or precise than Gina would be. Why spend days trying to find an exact or fresh way of describing erotic desire when her narrator wouldn’t bother? “I felt — I still feel — that if we kissed again, we might never stop.” Each chapter has a title suggestive of a romantic song, and it does make one wonder what “Madame Bovary” would have been like, narrated by an Emma whose brain had been softened (or, in Gina’s case, hardened) not by romance novels but by “Sex and the City.”

“The Forgotten Waltz” is a book we read with enjoyment and admiration but not for the usual pleasures of language, suspense, sensibility and so forth. Though the last half contains a few mild surprises, by that point we’re not especially curious about what happens to Gina and Sean. For me, the suspense lay in seeing if Enright would weaken and allow her narrator to be redeemed by any of the emotions that are commonly believed (in fiction, if not always in life, as any estate lawyer will tell you) to be improving and redemptive.

Ultimately, “The Forgotten Waltz” evokes Enright’s Irish literary colleagues less than it does a tour de force like Ford Madox Ford’s novel “The Good Soldier,” a book whose narrator has only a partial and flawed idea of the story being told. “The Forgotten Waltz” is a nervy enterprise, an audacious bait-and-switch. Cloaked in a novel about a love affair is a ferocious indictment of the self-involved material girls our era has produced.

Enright’s channeling of Gina’s interior monologue is so accurate and unsparing that reading her book is, at times, like eavesdropping on a very long, crazily intimate cellphone conversation. It’s a testament to the unwavering fierceness of Enright’s project that I mean this as high praise. We’ve all met people like the characters in her book. Neither evil nor good, they’re merely awful in entirely ordinary ways. And it’s impressive, how skillfully Anne Enright has gotten them on the page.(3)

1.The New Statesman, 12 May 2011

2.Humo, 12 oktober 2011

3.The New York Times, 30 september 2011

Sprakeloos – Tom Lanoye ****

Met deze roman uit 2009 sleepte T. Lanoye verschillende prijzen in de wacht w.o. de Gouden Uil Publieksprijs en de Henriette-Roland Holstprijs. Niet dat boeken die prijzen in de wacht slepen altijd boeiende lectuur opleveren of klassiekers worden. Daarvoor is meer nodig dan dat. Toch is dit werk flink op weg om nooit vergeten te worden door z’n sociale bewogenheid, z’n pareltjes van rake karakterschetsen (ik dacht voortdurend aan Dylan Thomas’ Under Milkwood), z’n autobiografische gegevens, z’n ideeën over taal en antitaal en over theater en de theatraliteit van het bestaan en vooral ook door de no nonsense benadering van z’n eigen leven en werk. Ik heb dit boek niet boulimisch, vraatzuchtig binnengeslokt maar gesmaakt van de eerste tot de laatste bladzijde. Een niet te missen aanrader voor de komende vakantiedagen.

%d bloggers liken dit: