Il ragazzo selvatico – De buitenjongen – Paolo Cognetti****

Il ragazzo selvatico, 2013 van Paolo Cognetti naar het Nederlands vertaald voor De Bezige Bij door Y. Boerke en Patty Krone als De buitenjongen, 2018 sluit aan bij de roman Le otto montagne of De acht bergen, onlangs verfilmd door Felix Van Groeningen en Charlotte Vandermeersch. De film sleepte in mei van dit jaar op het 75ste filmfestival van Cannes de prijs van de jury in de wacht

De buitenjongen is eigenlijk een dagboek dat verhaalt, filosofeert over wat een eenzaam verblijf in een afgelegen, gerestaureerde almhut in de bergen van Val d’ Aosta met een mens doet. De verteller draagt zijn boek op aan Gabriele, locale vacher of koeherder,  en Remigio, verhuurder van de berghut, zijn leermeesters in de bergen en hij schrijft ter nagedachtenis van  Chris McCandles, zijn inspiratiebron.

Winter

Seizoen van de slaap

Ik was dertig en voelde me futloos, verloren en ontgoocheld, zoals je je voelt wanneer iets dat je onderneemt op niets uitloopt.(…) Romans stonden me in die dagen tegen, maar ik voelde me wel aangetrokken tot verhalen van mensen die de wereld hadden afgewezen en de bossen waren ingegaan om de eenzaamheid te ervaren.

Lente

Seizoen van afzondering en beschouwing

Aankomst eind april in de almhut en eerste verkenningstochten van het gehuchtje Fontane waar nog drie andere onbewoonde, vervallen almhutten iets hogerop staan.

Ik vertegenwoordigde tegelijkertijd de meest vooraanstaande en de tot armoe vervallen bewoner, de adelijke grondeigenaar en de trouwe opzichter, de waard de dronkenlap, de rechter, de dorpsgek: ik zat opgescheept met zoveel ik’s dat ik soms ’s avonds een ommetje door het bos ging maken om alleen te zijn.

Hij wil een moestuin aanleggen en moet daarvoor een stuk wilde weide omwoelen. Bij nader beschouwing vindt hij … in bebouwde velden rust de vrijheid.(…) Daar lag mijn vrijheid begraven.En de vrijheid van de reeën. En zelfs de vrijheid van het veld.

Slapen lukt niet goed

Hij leest Walden van Thoreau: Ik heb nooit een kameraad gevonden die zo kameraadschappelijk is als de eenzaamheid. (…) Zo kunnen wij ook dankzij lichamelijke en geestelijke  gezondheid en kracht, voortdurend worden opgebeurd door een soortgelijk maar normaler en natuurlijker gezelschap, en aan de weet komen dat we nooit alleen zijn.

Hij krijgt in juni buren nl. Gabriele, de koeherder, die wat hogerop woont en dagelijks de koeien naar de weide brengt. Omdat hij een paar verdwaalde kalveren weer bij de kudde weet te brengen nodigt Gabriele hem uit op het avondeten.

Ik was niet veel waard als kluizenaar: ik was naar Fontane gekomen om alleen te zijn maar deed niets anders dan gezelschap zoeken. Misschien was het wel mijn situatie die elke ontmoeting zo welkom en zo waardevol maakte. Na twee maanden in de almhut liep tegelijk met de lente ook mijn seizoen van de afzondering op zijn eind.

Zomer

Seizoen van vriendschap en avontuur

Samen koken voor en eten met Gabriele en het Petrus vreugdevuur eind juni aansteken smeedt vriendschap tussen beide ‘subversievelingen’.  Remigio en zijn moeder worden geholpen bij het hooien: Zij bijna tachtig, broodmager, onvermoeibaar, verweerd als boomschors, en ik, stedeling van goede wil met een tere huid, vormden een merkwaardig stel achter de door haar zoon bestuurde tractor.

En Renzo, de alpengids en kliminstructeur, aan wie hij tijdens het hooien terugdenkt, die hem als knaap vertrouwd maakte met het bergklimmen en aan wie hij de mooie herinnering bewaart van ‘onze eigen Himalaya’.

Op een avond wordt hij door Remigio uitgenodigd en ontdekt hij een oude schrijfmachine: Er zat een vel papier in en op het vel één zin: Wie weet of ik ooit weer zo zal kunnen schrijven als vroeger. Het zat er als rwintig jaar en was van zijn vader die daarna overleed. Paolo/ik-verteller herkent zijn eigen twijfel , ik schreef al maanden niet en was bang dat ik nooit meer een letter op papier zou krijgen.

Remigio erft de ouderlijke almhut en restaureert ze helemaal eigenhandig, kan er echter niet wennen zelf en verhuurt ze. Beter het behekste huis te laten aan iemand die dat allemaal niet wist.

In deze almhut belandt Paolo/ik-verteller in de hoop zijn schrijverschap terug te vinden.

Op dagelijkse tochten de gemzen observeren, bivakeren in het wild en Primo Levi lezen en in augustus verblijf krijgen in de afgelegen berghut van Davide en Andrea, twee huttenwaarden, omdat je het trekken beu bent; op zoek gaan naar het meer dat er niet is en vervolgens met Andrea een top beklimmen die de naam van zijn familie droeg en dan met een groepje DE BERGEN IN.

Sommigen vinden het fijn om met een groep te lopen, anderen splitsen zich daar bijna zonder het te willen meteen van af: ik wilde graag naar de kam die ik al een keer had verkend, en ging dus die kant uit. Maar de ik-verteller maakt een inschattingsfout en een harde confrontatie met zichzelf is het resultaat. En dus kwam ik, languit op die steen, tot de conclusie dat mijn onderneming was mislukt.

Herfst

Schrijfseizoen

De ik-verteller komt terug naar de almhut en als lezer komen we heel wat over de verhuurder Remigio te weten; ze maken samen veel avondwandelingen. De ik-vertellers vader duikt op  en nadat hij vertrokken is, begint hij te schrijven. Hij  krijgt gezelschap van de hond, Lucky en geleidelijk aan vertrekken alle almbewoners terug naar het dal. De eerste sneeuw valt, het is oktober en alles valt uit in de almhut: gas , elektriciteit, … het leven in één klap gereduceerd tot de absolute essentie.

‘Het einde is belangrijk in alle dingen’ volgens Hagakure. Er volgt een afscheidsdronk met Gabriele en Remigio.

‘Ik had drie stoelen in mijn huis’, schreef Thoreau ‘één voor eenzaamheid, twee voor vriendschap, drie voor gezelschap.’

Als ik daarboven iets goed heb gedaan, als ik één ding moet uitkiezen waar ik trots op ben, dan is het dat ik voordat ik vertrok mijn vrienden aan dezelfde tafel heb laten aanzitten, dat we het samen fijn hebben gehad.

Wie graag De acht bergen las, zal ook deze novelle erg appreciëren.

Al het blauw – Peter Terrin****

Enkele maanden geleden werd ik door een artikel in Knack aangezet om deze roman te gaan lezen. De recensie bleef maanden op mijn bureau liggen: een nieuwe van Peter Terrin die een lovende beoordeling kreeg. Ik had hem ook het boek zien voorstellen op De afspraak. Welaan dan, deze week was het eindelijk zover.

Mijn eerste indruk was bevreemding: wie was wie? [Om te weten wat je nog niet weet moet je gaan langs de weg van het niet-weten, BK] In welke romantijd was ik beland? De tachtiger jaren van vorige eeuw bleek even later. De romanruimte: een zwembad, annex café Azzura, een verlaten fabrieksterrein in de buurt en een sociale woonwijk. De personages: Simon, een twintiger en zijn familie en vrienden; Carla, een barmeid en haar John, trucker-eigenaar van Azurra.

Eens doorheen de eerste bevreemdende bladzijden bleek Al het blauw een pageturner die me bleef verrassen, die hoofdstuk na hoofdstuk mijn mening over de personages bijstelde en met name over het hoofdpersonage Simon, de twintiger met een sterke moederbinding die de smaak van de vrijheid proeft en in zijn beslissingen, of het nu om studeren of de liefde gaat, vrij radikaal en onherroepelijk is.

Over het slot van de roman heb ik verbaasd gestaan. Het laat je wat onvoldaan achter en toch … onderschat de auteur niet. Waarom zegt de persoon die op het fabrieksterrein lag/zit wat hij zegt? Waarom zegt/doet Carla wat ze zegt/doet? En Simon?

Geen grootse klassieke tragedie speelt zich hier af, al is de spanning nooit weg en stevent de verhaallijn af op een mogelijke catastrofe voor de hoofdpersoon. Het gaat veeleer om een probleemsituatie in mineur, waarin de hoofdspelers, gedreven door de egocentrische driften van passionele liefde en haat, uiteindelijk elk een uitweg moeten zoeken.

Wat anderen over de roman schreven:

Al het blauw is meer geworteld in een wereld die ook de onze zou kunnen zijn, in tegenstelling tot veel van Terrins andere werk, waarin de wereld opmerkelijk grauw, hard en onverschillig is – tot in de details. De personages ondergaan nu eens niet de extreemste dingen (zoals een brute moord in Blanco, een persoonsverwisseling in Patricia of een dochtertje in coma in Post Mortem), maar hebben alledaagsere zorgen: een slecht huwelijk, een heimelijke verliefdheid, een kinderwens. – de Volkskrant 12/02/2021

Peter Terrin wil naar eigen zeggen zijn verhalen niet laten bezoedelen door zijn ‘schrijvende, formulerende ego’. Hij is de kok die zijn gerechten niet kruidt om zo de pure smaak van de ingrediënten te bewaren. Maar als die niet van topkwaliteit zijn, hou je gewoon zoutloos eten over.

Wat dus, als het verhaal het soapniveau niet overstijgt? Wat als het een simpel affaire-scenario over een zoekende bijna-twintiger, een barvrouw van 41 en haar echtgenoot met losse handjes betreft? Dan volstaat het niet om in de eerste zin een lichaam te droppen op het parkeerterrein van een verlaten fabrieksgebouw en de hele roman te laten drijven op de vraag wie van de drie plat op de rug eindigt. Dan heb je talige bravoure nodig om de lezer bij de liefdesles te houden.

Nu is de westerse literatuur grotendeels gebouwd op het soort amoureuze driehoek die Terrin in Al het blauw beschrijft. Daar mogen we Terrins voorgangers dankbaar voor zijn, maar dat we hun verhalen over onstuimige liefde, gekrenkte eer en andere al te menselijke aangelegenheden vandaag nog lezen, heeft meer te maken met hun stijlgevoel dan met de precieze constellatie van de drie lichamen in hun verhalen.

Helder schrijven is niet hetzelfde als stijlloos schrijven. Af en toe rijgt de man die in 2012 met Post mortem de AKO Literatuurprijs won, zijn bijzinnen aaneen tot een herkenbaar, troostend of onheilspellend beeld. Terrins romans komen tot leven in de sfeer die de schrijver steeds weet te creëren. Ook deze in de jaren 80 gesitueerde vertelling over liefde aan de rand van een zwembad en van het maatschappelijk aanvaarde krijgt kleur wanneer Terrin de omgevingsgeluiden opsomt die zijn hoofdpersonage hoort in de avondzon, of wanneer hij de geur van een zwembadcafé en de witte aanslag op de ramen omschrijft. Op de momenten waarop Terrin zichzelf toestaat om buiten de grenzen van het strikt verhalende te treden, krijgt zijn roman een in de klare lijn opgetekend gezicht.

Terrins uitgepuurde stijl en zijn fotografenblik lenen zich perfect voor het detail van een momentopname, maar de al te zuivere zinnen zorgen ook om de zoveel bladzijden voor een banaal stukje dialoog, een al te letterlijke explicitering van een gevoel of een weinigzeggende karakterbeschrijving. Aan het einde ken je de lievelingskleur van de hoofdpersonages, maar weet je nog steeds niet wat hen nu zo onherroepelijk in elkaars armen dreef.

Peter Terrin schrijft steevast volgens het ‘stille waters hebben diepe gronden’-principe. Hij weet vakkundig de indruk te wekken dat er heel wat sluimert onder het spiegelende blauwe oppervlak van zijn vertelling, maar je kunt sfeer scheppen tot het putje leeg is, af en toe wil een lezer ook simpelweg kopje-onder gaan in een overdonderende zin. – De Standaard 13/02/2021

Dankzij de boeiende personages, de geslaagde perspectiefwissels en Terrins prikkelende stijl staat Al het blauw garant voor een intense leeservaring. Al het blauw is onmiskenbaar Terrin, maar toch ook weer anders. Het is zowel een talige als visuele trip, werelds en onwerelds tegelijkertijd, het vertelt een intiem, melancholisch verhaal op een bijna zuiver, afstandelijk wijze. Al het blauw doet verlangen naar ‘al het blauw’een glimp van het goddelijke gedurende één ogenblik. Achteraf zal het lijken alsof twee levens elkaar kort schampten, zoals de auto’s in de aanrijding uit de epiloog, voor ze de richtingaanwijzer aanzetten en elk een andere richting uit rijden. Maar ook wat kennelijk geen impact heeft gehad, vormt een onmiskenbaar deel van wie of wat we zijn: ‘In haar achterhoofd daagt een verre herinnering, aan liggen op de grond en staren naar het blauw, aan het gevoel op te stijgen in een duizelingwekkende vrijheid.’ – de Reactor 10/05/2021

In Al het blauw legt Peter Terrin de nadruk op wat we zien en voelen, niet op wat we zouden moeten zien en moeten voelen, niet op de expliciete emoties van zijn figuren. – De Groene 24/02/2021

Zuivering – Tom Lanoye

Het onderwerp is niet terreur. Het onderwerp is wat terreur met ons doet. Het onderwerp is de kwetsbaarheid in ieder van ons, omstandigheden die ons dwingen dingen te doen die we misschien niet willen. – Tom Lanoye

In Tom Lanoyes roman Zuivering, Prometheus, 2017 is Gideon Rottier, een einzelgänger met een spraakgebrek en een uitzonderlijk beroep. Hij maakt huizen schoon na brand, overstroming of zelfmoord. Zijn nieuwe collega, een vluchteling uit Syrië, redt hem het leven. In ruil belooft Gideon de zorg op zich te nemen voor Youssefs gezin, in een wereld die met de de dag vijandiger en gewelddadiger lijkt te worden.

Zuivering is een Lanoye pur sang: virtuoos van taal en bevolkt met onvergetelijke personages die elkaar bekampen en beminnen, tegen de achtergrond van ‘een versleten en uiteenvallend continent’. Een hard en heftig boek voor harde en heftige tijden.

Bovenstaande samenvatting en aanprijzing op het achterplat van het boek wist me te overtuigen om de roman te gaan lezen. En daar kreeg ik in geen geval spijt van. Je blijft je verwonderen over hoe Lanoye de sublieme taal blijft tevoorschijn toveren om een telkens toch weer andere maar grotendeels gelijke situatie op te roepen, over hoe hij de spanning tot de laatste bladzijde virtuoos in de hand weet te houden, hoe levensecht zijn personages uit de verf komen, over hoe hij met reëel engagement de thema’s schoonheid, trouw en verraad, vriendschap, angst, maatschappelijke en psycholgische ontreddering weet te tekenen. Er lijkt voor hem geen onderwerp te bestaan dat hij niet weet te integreren in een uiterst meeslepend, niet van humor gespeend verhaal dat perfect toegesneden is op de actualiteit zonder drammerig te worden.

Heerlijk schelmenverhaal en angstwekkende dystopie: Tom Lanoyes roman, Zuivering, is het allebei. – DS, Maria Vlaar

[Zuivering] is een grillig, moeilijk boek, maar daardoor des te overtuigender – De Volkskrant, Persis Bekkering

Zo voegt [Zuivering], een roman over de oorlog in Syrië, de vluchtelingencrisis, islamitisch terrorisme en de opkomst van extreemrechts tóch nog iets toe aan wat we al kennen van tv, krant en internet. Want waar zulke media grossieren in leugens gebracht als keiharde waarheid en opinies als pure feiten, durft Zuiverheid de onzekerheid onder ogen te zien en vragen onbeantwoord te laten. Het boek zet aan tot speculatie en perspectiefwisseling. Je hoort lezers die een boek ongrijpbaar vinden, weleens verzuchten: ‘Wat wil de auteur hier nu eigenlijk mee zeggen?’ Dat wordt vaak negatief bedoeld, maar voor mij is die vraag juist uitermate positief. Zuivering is geen preek – het is een vragenmachine. Daarmee schept het de mogelijkheid tot een dialoog tussen lezer en boek, een dialoog die eindeloos kan duren. – KNACK, Jamal Ouariachi

“Het is geen documentair, wetenschappelijk of journalistiek werk. Een roman moet over verscheurdheid, overmoed en uiteindelijk catharsis, zuivering gaan. Een roman moet telkens een enkeling in een bijzondere omstandigheid plaatsen. Die ene testcase moet ons eraan herinneren dat we kwetsbaar zijn en dat grote theorieën en filosofieën eigenlijk tekort schieten om de keuzes van 1 mens te verklaren.” – Tom Lanoye in De wereld vandaag – Radio 1

De heilige Rita – Tommy Wieringa

In zijn roman De heilige Rita, De Bezige Bij, 2017 zet Tommy Wieringa een virtuoos verhaal neer over een Twents dorp, Mariënveen. Tegelijk is de geschiedenis van deze kleine provinciale gemeenschap verbonden met die van het oude continent Europa, waardoor het uitstijgt boven het plaatselijke en een universeel, algemeen menselijk karakter krijgt.

In drieëndertig (!) hoofdstukjes vernemen we dat Paul Krüzen al zijn leven lang in een Saksische spookboerderij woont aan de Duitse grens. Eens zorgde zijn vader voor hem toen zijn moeder hen verliet voor een Russische piloot, die met een sproeivliegtuigje in het hartje van de Koude Oorlog ontsnapte uit de Sovjet-Unie en neerstortte in het maïsveld achter de boerderij. Nu zorgde Paul Krüzen voor zijn vader. In de halve eeuw die intussen verstreken is, hebben ze hun dorp sterk zien veranderen. De wereld is in beweging gekomen: Chinezen hebben de horeca van Mariënveen overgenomen, Russen, Polen en Roemenen zijn in het dorp vertrouwde verschijningen geworden. Het neerstorten van de Russische piloot betekende een kentering. Het zette een keten van gebeurtenissen  in werking waarvan Paul Krüzen en zijn vader nooit zijn bekomen.

Enkele passages

Startzin: “Paul Krüzen spuwde in zijn handen, greep de steel vast en hief de bijl boven zijn hoofd.” Blz. 7

“Negenenveertig jaar waren ze nu in elkaars leven, zijn vader en hij. Op een dag niet ver van nu zou hij alleen achterblijven in de Saksische boerderij op de Muldershoek, waar hij tot vreemdheid en gesprekken met zichzelf zou vervallen.” Blz.11

“Paul schudde zijn hoofd. Klein blijven, hij had het hem vaker gezegd, altijd kleiner en dommer lijken dan de anderen. Niks hebben en niks kunnen, dat kennen ze daar kunnen ze mee leven. Maar zo’n avond was het niet vor Hedwiges Johannes Geerdink, die wilde nu eens uit zijn schrale bleke vel stappen en genieten van de twijfel die hij had gezaaid. Hedwiges de mil-jo-nair, jazeker!” Blz. 16

“Alles moest zijn loop hebben. In het leven van de dieren, in dat van hemzelf, Paul Krüzen – meer haas dan kraai. Solitair levend prooidier. Hazenhart.” Blz. 42

Paul had een heldere herinnering aan de dag dat ze het bord aan de weg zetten.’Wat heb je nou opgeschreven, druif,’ had Paul ten langen leste gezegd.’Wat dan?’  vroeg Hedwiges. ‘Curosia …‘ ‘Wat is daarmee?’ ‘Het is fout, dat is daarmee.’ ‘Wat dan?’ vroeg Hedwiges opnieuw.’’t Is curiosa, geen curosia.’ ‘Ach, verdomme’, zei Hedwiges en knikte of hij het altijd al geweten had. ‘Wil je dat ik het overdoe?’ vroeg hij tenslotte. Paul schudde zijn hoofd. ‘Laat ze maar denken dat we dom zijn hier. Goed voor de onderhandelingsruimte.’ Een windvlaag ging door de eiken in de bocht van de weg, eikels ratelden op het asfalt. Ze keken nog een tijdje naar de witte sierletters op de donkergroene ondergrond. ‘Maar verder is het goed?’ vroeg Hedwiges. ‘De andere helft is top.’ Ze liepen over de oprit terug naar huis. Het grind knarste. Paul sloeg hem op zijn schouder en zei: ‘Ik ben blij dat ik je geen ‘parafernalia’ heb laten schrijven.’ Blz.68

Samen op vakantie in Boracay geeft Hedwiges hem grinnikend een medaillon van de heilige Rita dat hij op straat gekocht had.[…] Later die middag wees Hedwiges hem het stalletje met katholieke parafernalia, waar Paul eenzelfde medaillon voor Rita [zijn hoertje uit café Pasha over de Duitse grens, BK] kocht. Ze droeg het hangertje van haar naamheilige altijd. Blz.125

Ook Rita van Cascia had er, net als zijn eigen moeder, geen graten in gezien haar nageslacht te offeren voor haar grote liefde, dacht Paul schamper. Blz. 129

Als kind vindt Paul een oude munt die volgens de pastoor misschien een pauselijke gedenkpenning is. Hij zal hem moeten achterlaten om zekerheid te krijgen. Hij vertrouwt blind op de goedertierenheid van het kindeke Jezus en zijn moeder Maria, maar met de dienaren Gods kon je het niet weten. Blz. 148

Hij dacht aan de lindeboom achter zijn slaapkamer, die oude geweldenaar die gelijkmatig de seizoenen doorstond. Het was belangrijk een boom in de buurt te hebben waartoe je je kon verhouden; binnenkort bereikten ook mensen de leeftijd van bomen, maar zonder de wijsheid van hun zwijgzaamheid. Blz. 172

Met het kind dat het ouderlijk huis nooit verlaten had, was iets niet in orde. Nooit konden de ouders hun ogen sluiten voor hun mislukking. Afkeer, soms uitmondend in haat, zette zich tussen hen vast. Blz.255

Blazend in het duralex glas dacht hij aan zijn moeder die vandaag vijfenzeventig jaar geworden was. Een oude vrouw, ergens. In haar schoot was hij geweven maar ze had hem als een weeffout beschouwd. Blz.283

Enkele recensies

Aan deze minuscule, gehavende  levens onttrekt Tommy Wieringa een erg zintuigelijk boek, beroezend van taal. – Dirk Leyman, De Morgen, 25/10/ 17

Hoewel je de schrijver bij monde van zijn hoofdpersoon met huivering hoort spreken over de nieuwe tijd, waarin de dieren uit de wei zijn verdwenen en zelfs de zieken enkel oog hebben voor hun smartphone, zwelgt deze roman niet in nostalgie. ‘De heilige Rita’ is een ode aan het Twentse land, maar boven alles is het een grappig en ontroerend pleidooi voor mededogen. Mededogen met hen die geworteld zijn en niet meer kunnen bewegen in een snel veranderende wereld – de hopeloze gevallen. – Gerwin Van Der Werf, Trouw, 27/10/17

Wieringa schetst met een goed oog voor opmerkelijke verhalen en scherpe dialogen een inktzwart beeld van een armoedig gevoelsleven en een perverse plattelandscultuur. Hij treft het benauwende leven van Paul en de zijnen feilloos en wendt zich soepel door het dorp, de camera losjes op de schouder. Soms slaat zijn sombere wereldbeeld door naar retoriek en wordt hij sentimenteel. De lezer móet weten hoe hopeloos het ervoor staat op het vergeten platteland aan de grens: ‘Dat was de stand van zaken in dit deel van het land: wel een wolf maar geen pinautomaat.’ Je kunt er maar beter overheen vliegen. – Maria Vlaar, DS, 27/10/17

De heilige Rita knettert van ambitie. Raak getroffen taferelen in uitbundig coloriet, gebracht met achteloos vertelplezier en grimmig komische toetsen. Een grootse zintuigelijke roman, geschreven met jaloersmakende stilistische precisie en in hallucinerende taal – De Volkskrant

Dit is een boek over een Nederland dat ik niet kende, een achtergebleven gebied ver van de Randstad, een bijna niemandsland tegen Duitsland aan. Wieringa schrijft erover met groot vakmanschap, of het nu over Russische vliegtuigen, de loop van een beek, de samenstelling van de grond of over de technische details van wapens gaat, alles is tot op het bot gerechercheerd. Maar het is vooral een boek over eenzaamheid die via twee mannenfiguren zo tot in het merg beschreven wordt dat deze twee je nog lang bijblijven. – Cees Nooteboom

Of het nu een immigratieroman is, een liefdesverhaal, een vader-zoonboek, een roman van de grensstreek en de zandgronden, deze roman is vooral Wieringa’s persoonlijkste boek. Dichter bij hemzelf is deze schrijver nog nooit geweest. – Jan van Mersbergen, Revisor

Le otto montagne – De acht bergen – Paolo Cognetti*****

Wat zal ik nog toevoegen aan de lovende recensies die Paolo Cognetti met zijn roman De Acht Bergen, De Bezige Bij, 2017 ten deel vielen. De man sleepte bovendien een rist literaire prijzen in de wacht met name de Premio Strega, 2017 de Premio Strega Giovani, 2017 en de Prix Médicis étranger, 2017.

Ik begon dit prachtige verhaal over vriendschap en de relatie tussen mens en natuur en las het in één ruk uit. Zo helder en elegant ingehouden de beschrijving van de relaties tussen de familieleden onderling en de bewoners van het bergdorp Grana (Val d’Aosta); zo raak de observaties gedurende de talloze bergwandelingen in de Westelijke Italiaanse Alpen en later in de Himalaya, de lezer ontwaart er moeiteloos de auteur-documentairemaker; zo ontroerend de ontwikkeling van de vriendschap tussen de hoofdpersonages: de stadsjongen Pietro en de boerenjongen Bruno. Een vriendschap die een geheim inhoudt dat alleen zij beiden delen.

Maar wie had hij buiten mij dan wel gekend op deze wereld? Vroeg ik me af. En wie had mij gekend, behalve Bruno? Blz. 238

Het hele verhaal straalt een oprechte authenticiteit uit en telt structureel een inleidend hoofdstuk en drie delen (I. De bergen uit mijn kindertijd II. Het huis van verzoening III. De winter van een vriend) en twaalf hoofdstukken. Hoofdstuk Acht, acht symbolisch het getal van de overgang van het oude naar het nieuwe (beiden verloren hun vader) is meteen ook het einde van het tweede deel. In hoofdstuk Negen vernemen we dan een verhaal van een Nepalese sherpa, het verhaal van de acht bergen. Het is dit wijsheidsverhaal van een oude bergbewoner dat Pietro in de laatste vier hoofdstukken op zijn en Bruno’s bestaan legt.

De man pakte een stokje en tekende er een cirkel mee op de grond. Het was een volmaakte cirkel, je kon zien dat hij het vaker deed. Daarna tekende hij een diameter in de cirkel, toen een tweede haaks op de eerste, en toen nog twee deellijnen, zodat hij een cirkel met acht stralen kreeg. […] ‘Wij zeggen dat er in  het centrum van de wereld een heel hoge berg staat, de Sumeru. Rond de Sumeru bevinden zich acht bergen en acht zeeën. Dat is voor ons de wereld.’ […] ‘En we zeggen: wie zal meer hebben geleerd, hij die de tocht langs de acht bergen heeft gemaakt of hij die de top van de Sumeru heeft bereikt?’ Blz. 186

Cognetti lijkt in dit boek een pleidooi te houden voor het in hun waardigheid en authenticiteit laten bestaan van mens, milieu en bedrijvigheid. De metafoor van het jonge lariksboompje dat volgens Bruno niet zomaar te verplanten is, wijst ook in die richting. In de bergwereld heeft alles een eigen plek! Ook het inzicht … dat er in sommige levens bergen bestaan waar je niet naar terug kunt keren.

Een absolute aanrader!

Geachte heer M. – Herman Koch***

Dat Herman Koch zich helemaal niet gecharmeerd voelt van de recensies die leraren over zijn boeken schrijven, is me bekend. Ze zijn hem te middelmatig, ondermaats geneuzel, gespeend van elk vleugje inspiratie of intelligentie. Nu ja, als  Nederlandse schrijver met renommée in de VS  kan hij zich natuurlijk wat permitteren  in dit geval een sleutelroman waarin niet alleen een hele cohort leraren voor de bijl gaat maar ook nog eens de hele huidige schrijvers- en uitgeverswereld aan een hilarische karikatuur ten prooi is. Het jaarlijkse Boekenbal culmineert er voor schrijver N. en schrijver M. (wie?) in een vechtpartij die de tanende M. finaal fataal wordt.

Het heet dat Koch na het succes van Het diner (2009) met deze roman zijn plaats wou opeisen als één van Nederlands topschrijvers. Daarvoor moest hij iemand aan die top proberen te onttronen. Dat is hem niet gelukt. Nog niet.

Over de wisselende vertelperspectieven en verhaallijnen beginnen, zal me nopen tot vervelend, middelmatig, geneuzel. Spannendst is de verhaallijn van het jonge koppeltje Herman en Laura die uitgaat van een onopgeloste misdaad: de verdwijning van de geschiedenisleraar Jan Landzaat die een korte relatie had met Laura en haar blijft stalken als ze nadien een relatie heeft met Herman. Hier is de schrijver van  Zomerhuis met zwembad en van Het Diner aan het woord in een vlotte literaire thriller.

Schrijver op de terugweg M. die deze historie oppikt als onderwerp voor zijn roman Afrekening, duidt leerling Herman als schuldige voor de verdwijning van leraar Landzaat aan  in dit onopgeloste liefdesdrama. Dat is buiten zijn mysterieuze onderbuur gerekend die hem onopgemerkt op de hielen zit. Die onderbuur, de oudere Herman die het niet verwerkt heeft dat hij in de Afrekening als de schuldige voor de verdwijning werd weggezet, toont M., die na het Boekenbal met gebroken neus en hersenschudding thuis op de sofa ligt, zijn oude wit-zwartfilmpjes getiteld Leven voor de dood, als mogelijk ‘nieuw materiaal’ in het onderzoek. M. heeft echter, zo weet alleen de lezer, het lot een beetje geholpen om zijn romanplot te laten kloppen. Het is midden in de laatste zin van het filmrelaas over Landzaats verdwijning dat Herman – o dramatische ironie –  merkt dat M. niets meer zegt en helemaal niet meer beweegt. De waarheid staart hem zwijgend en met open, onbeweeglijke ogen aan.

Een intelligente leraar die iedereen te slim af was, kwam [M.] helemaal niet goed uit. Het zou het verhaal op zijn zachtst gezegd ongeloofwaardig maken. Maar hij moest het wel zeker weten. Het mocht niet zo zijn dat de werkelijkheid opeens roet in het eten zou gooien. Blz.421

Koch geeft zijn roman het motto mee van een getranscribeerde black box-opname van een vliegtuigramp uit Malcolm Mac Phersons non-fictionboek The Black Box, daarmee verwijzend naar mogelijk bewijsmateriaal dat voor onderzoekers de oorzaak van een ramp kan ophelderen:

……..

COCKPIT UNIDENTIFIED VOICE: Left throttle, left, left, left, left …

COCKPIT UNIDENTIFIED VOICE: God!

CABIN: [Sound of  impact]

THE BLACK BOX

Malcolm Mac Pherson

Herman Kochs nieuwste De greppel (2016), door Ambo|Anthos als luisterboek op de markt gebracht, is voor 14.99€ te downloaden op www.luisterrijk.nl. In 2017 schrijft hij het Boekenweekgeschenk.

%d bloggers liken dit: