Congrats, Red Devils! – Russia WK 2018

Advertenties

Troostemberghbos – Ina Stabergh

We maakten de voorbije week een groepswandeling van 3.7 km in ons mooie, glooiende Hageland en wel in het gehucht Gempe. Een plek met geschiedenis waar verleden en heden weer tot leven werden gebracht. We vertrokken aan de vijver en de bijbehorende watermolen en stapten dwars door het Troostembergbos met zijn prachtige oude beukendreven. Nadien was het aangenaam verpozen op het terras van de brasserie Gempemolen. Gedurende de wandeling ontdekten we, verscholen tussen het groene gebladerte, een gedicht van de eerste vrouwelijke stadsdichter van Vlaanderen namelijk Ina Stabergh. Zij was stadsdichter van Diest van 2006 tot 2008.

Troostemberghbos – Ina Stabergh

Wie deze plek, haar verleden en de wandeling virtueel wil verkennen, kan de volgende link aanklikken Gempemolenwandeling.

Taoïsme – De weg om niet te volgen – Patricia De Martelaere

Aansluitend bij de lectuur van de roman Het onverwachte antwoord herlas ik Patricia De Martelaeres Taoïsme. De weg om niet te volgen, Ambo, 2006 dat een introductie tot deze oosterse filosofie of waarnemingstechniek is. In deze inleiding tracht De Martelaere – aan de hand van fragmenten uit de belangrijkste teksten – de centrale vragen van Lao Zi en Zuang Zi filosofisch te doorgronden.

Wat moet een mens doen om echt ‘groot’ te zijn? Wat kenmerkt de echte leider? Hoe bereiken we onsterfelijkheid? Geluk? Hoe verhouden geest en lichaam zich? Welke weg (tao) leidt naar deugd en menslievendheid? Welke weg moeten wij volgen?  Of bestaan wij juist te meer wanneer wij de weg niet doelbewust volgen, maar ‘meegaan met de stroom’?

Patricia de Martelaere raakte geïnteresseerd in het taoïsme door Taijiquan te beoefenen – ‘de innerlijke gevechtskunst’. ‘In laatste instantie komt het erop neer, dat men niet langer iets doet,’ schrijft ze in haar boek, ‘Taoïsme’. Laat dat nu net een centrale gedachte zijn in de weg van tao.

Het mag vreemd lijken dat de taoïst, die immers zelf-loos of zonder ik heet te zijn, nog enig belang zou hechten aan de uitermate aardse categorie van ,,menselijk geluk”. Streven alle mensen immers niet hun persoonlijk geluk na, en is geluk niet onlosmakelijk verbonden met de gehechtheid aan het eigen ik? Het valt te verwachten dat de Wijze zo zijn eigen visie op ,,geluk” zal hebben, die wezenlijk verschilt – en toch ook weer niet – van die van gewone mensen. Wat de mensheid nastreeft als begerenswaardig blijkt, ondanks kleine individuele verschillen, zeer gelijklopend te zijn: iedereen wil rijkdom, roem, een lang leven en veel genietingen.

De ellende is echter dat deze dingen doorgaans krampachtig worden achternagezeten door wie ze niet bezit, en al even krampachtig worden bewaakt door wie ze wel bezit – zodat het lichaam in beide gevallen meer schade moet lijden dan het kan genieten. De Wijze behoudt zich dan ook het recht voor te betwijfelen of het geluk dat stervelingen op die manier najagen of bereikt hebben wel echt geluk is.

In ieder geval stelt hij er zijn eigen geluk tegenover, dat de dualiteit tussen geluk en ongeluk overstijgt (,,Zij zeggen dat ze gelukkig zijn, maar ik ben niet gelukkig en ook niet ongelukkig.”) […] Volmaakt geluk blijkt dus samen te vallen met de wortel van het leven zelf, en niet met een specifieke toestand die in het leven zou moeten worden bereikt.

Volmaakt geluk is, met andere woorden, geen geluk. Het zou dan ook verkeerd zijn om te veronderstellen – al is de neiging daartoe groot – dat de taoïst de toestanden die door de gewone mens als ,,geluk” worden bestempeld per definitie zou moeten afwijzen. Verwerpen is immers, in extremis, niet verschillend van nastreven – zoals blijkt uit de anekdotische ontmoeting tussen een wijze en een stadswacht.

De wachter, die eerbied wil tonen voor de wijze, wenst hem achtereenvolgens een lang leven, grote rijkdom en veel zonen toe, waarop de wijze telkens verontwaardigd uitroept: ,,Nooit!” De wachter vraagt hem waarom hij uitgerekend de dingen die iedereen nastreeft afwijst. De wijze antwoordt: ,,Veel zonen brengen veel zorgen, rijkdom werkt bezwarend, een lang leven leidt tot veel problemen. Geen van de drie brengt een grotere Te teweeg, daarom verwerp ik ze.” Maar kennelijk is de wachter hier zelf wijzer dan de wijze,want hij concludeert: ,,Ik dacht dat je een wijze was, maar nu zie ik dat je niet meer dan een edelman bent.”

Het bewust nastreven van Te [ ‘supreme kracht’ – red. ] is immers een teken dat de Tao werd verlaten, en de ware Wijze kan zich natuurlijk net zo goed gerust en tevreden voelen mét veel zonen en rijkdommen als zonder. Mocht zijn geluk afhankelijk zijn van het niet-hebben van bepaalde dingen, dan zou het uiteindelijk even voorwaardelijk en onvolmaakt zijn als het geluk van het bezitten ervan. ,,Als het verlies van wat je gelukkig maakt de oorzaak wordt van ongeluk, dan is het duidelijk dat dergelijk geluk waardeloos is.”

Wanneer elders in de Zhuangzi desalniettemin vaak sprake is van wijzen die alle aardse goederen afzweren, dan lijkt mij dat andermaal te moeten worden begrepen als een reactie op de vanzelfsprekendheid van wereldse waarden. De taoïst wil duidelijk maken dat het voor hem op de eerste plaats gaat om een innerlijke houding, al beseft hij maar al te goed dat innerlijk en uiterlijk, net zoals dit en dat, of groot en klein, omwisselbare begrippen zijn in een universum waarin alles één is, zoals hij ook beseft dat ware wijsheid net zo goed op het ,,uiterlijke” als op het ,,innerlijke” moet steunen. Zo lezen we bijvoorbeeld: ,,Wie zijn lichaam wil voeden, moet zich eerst en vooral tot de dingen wenden. En toch is het mogelijk dat men meer dan genoeg dingen heeft en het lichaam nog steeds niet is gevoed.” Een paar bladzijden verder krijgen we het verhaal te horen van de ascetische kluizenaar die zich al zeventig jaar op voortreffelijke wijze met zijn innerlijke groei bezighield en toen domweg door een tijger werd opgegeten.

De moraal van het verhaal luidt dat de ,,bewaker van het leven” er als een goede herder op let dat zijn kudde bijeen blijft, en dat de schapen noch naar buiten toe noch naar binnen toe te ver afdwalen. Nog verderop in hetzelfde hoofdstuk wordt deze toestand in verband gebracht met een diepe ,,tevredenheid” en onverstoorbaarheid van het hart-bewustzijn: ,,Niets verandert binnenin, niets wordt van buitenaf teweeggebracht voor wie alles wat gebeurt op tevredenheid onthaalt.” Ook hier weer moet ,,tevredenheid” – net zoals ,,geluk” – niet worden begrepen als een psychisch-emotionele respons (een ,,gevoel”), maar als een energetische toestand die men als het ware ,,installeert” en dan vergeet. ,,Door te beginnen met tevreden te zijn, en niets verstorends meer te ondergaan, wordt het mogelijk de tevredenheid te leren kennen van het vergeten wat tevredenheid is.”

Zowel geluk als tevredenheid – en ook, zoals we zullen zien, ,,harmonie” – blijkt dus te maken te hebben met iets wat niet verandert en daardoor van geen enkele externe of interne conditie meer afhankelijk is. Maar wat is het dan dat niet verandert? In de buitenwereld volgen de seizoenen elkaar op, in de ,,binnenwereld” zijn het de gevoelens en gedachten die elkaar opvolgen. Niets van wat bestaat is blijvend. Alles is veranderlijk en vergankelijk. Tenzij dan: de as zelf van deze veranderingen, de Hemelse Tao van een absolute oorsprong, die tegelijk samenvalt met alles wat bestaat en toch nergens lokaliseerbaar is. Wie erin slaagt dit tot zijn ,,centrum” te maken – of liever: als zijn onvervreemdbaar centrum te herkennen -, wordt niet alleen ,,gelukkig” op de eerder beschreven onconditionele manier, maar krijgt kennelijk ook een haast bovennatuurlijke vaardigheid in het uitvoeren van dagelijkse menselijke activiteiten.

Opvallend hierbij is niet alleen de moeiteloosheid en de vanzelfsprekendheid waarmee deze virtuoze ambachtslui te werk gaan, maar ook het feit dat hun voorafgaande oefening niet bepaald de vorm aannam van wat men een doelmatige vakopleiding zou kunnen noemen. Dat blijkt het duidelijkst uit de repliek van houtsnijder Qing, wiens klokkenstandaards worden bewonderd ,,omdat ze wel door een geest vervaardigd lijken te zijn”, en wie gevraagd wordt wat het geheim is van zijn kunst. De brave man antwoordt dat hier geen sprake is van ,,kunst” en dat hij maar een gewone houtsnijder is.

Maar met zijn verdere uitleg verraadt hij dat hij in feite niets minder is dan een volgeling van de Tao: ,,Ik sta niet toe dat mijn oorspronkelijke adem ( qi ) uitgeput raakt en zorg dat mijn hart tot bedaren komt. Na drie dagen vasten denk ik niet meer aan roem, beloning, titels of inkomsten. Na vijf dagen vasten denk ik niet meer aan eer of oneer, aan kunde of onkunde. Na zeven dagen vasten ben ik zo stil dat ik vergeet dat ik ledematen en een lichaam heb. Al mijn energie is gebundeld en iedere externe bekommernis is verdwenen. Daarna trek ik het bos in en onderzoek de Hemelse aangeboren natuur van bomen; als ik er een vind met een volmaakte vorm, zie ik met zekerheid de mogelijkheid van een klokkenstandaard en zet ik mijn hand aan het werk; als ik de mogelijkheid niet zie, laat ik het zo. Op die manier harmoniseer ik het Hemelse met de Hemel, en dat is misschien de reden waarom men denkt dat mijn houtsnijwerk verricht werd door geesten.”

Deze beschrijving doet ons uiteraard denken aan de getuigenissen van beeldhouwers als – onder vele anderen – Michelangelo en Branscusi, die te kennen gaven dat hun kunstwerk in zekere zin al aanwezig was in het marmerblok dat ze uitkozen, en dat ze het er ,,alleen maar” uit moesten bevrijden. En inderdaad, of houtsnijder Qing zich nu als een kunstenaar beschouwt of niet, het blijft een feit dat het principe van de ,,Tao” onlosmakelijk verbonden is met kunst, kunde en creativiteit in ruime zin. Onder kunst wordt hier evenwel geen elitaire, op zich staande culturele prestatie verstaan, zoals veelal in het hedendaagse Westen het geval is, maar iedere willekeurige activiteit zodra die op een bepaald niveau en vanuit een bepaalde houding wordt uitgeoefend. Zo is er bijvoorbeeld ook de kunst van het boogschieten, het zwemmen, het krekelvangen of zelfs het stelen. Niet iedere voortreffelijke beoefening van deze activiteiten situeert zich echter op het niveau van ,,kunst”; soms beperkt ze zich tot louter technisch meesterschap, zonder het mysterieuze ,,extra” dat kennelijk met de Tao te maken heeft.

Dit louter technische meesterschap kan overigens op zich behoorlijk indrukwekkend zijn, zoals moge blijken uit het voorbeeld van boogschutter Lie Yu Kou, die pijl na pijl afschiet met een glas water op zijn elleboog, en daarbij onbeweeglijk blijft als een standbeeld. Een wijze die hem klaarblijkelijk doorziet daagt hem uit om hetzelfde kunstje op te voeren hoog in de bergen, aan de rand van een ravijn, met zijn hielen over de afgrond – waarop Lie Yu Kou onmachtig wordt van angst. Commentaar van de wijze: ,,Je beheerst het boogschieten van een boogschutter, maar niet het niet-boogschieten van een boogschutter.”

Toch kan bezwaarlijk worden ontkend dat Lie Yu Kou een indrukwekkend niveau van boogschieten heeft bereikt, zelfs al kan hij dat niet handhaven in alle omstandigheden – heeft hij dan helemaal geen tao verworven?

Een mogelijk antwoord kan wellicht gevonden worden in het onderscheid, dat in de gehele Zhuangzi wordt aangehouden, tussen de Hemelse Tao en de Tao van de mensen. Tao’s op menselijk niveau zijn er vele – een ,,tao” was en is in het Chinese denken immers niet meteen een ondoorgrondelijk filosofisch principe, maar op de eerste plaats een doodgewone ,,weg”, een concrete manier om een specifieke praktijk aan te vatten en te leren beheersen. De tao van het boogschieten is, in die zin, een geheel andere tao dan die van het zwemmen: het gaat in beide gevallen om totaal verschillende principes, verschillende lichaamshoudingen en verschillende doelstellingen. Iemand kan álles weten over de tao van het boogschieten en terstond verdrinken wanneer hij in het water terechtkomt. De Tao van de Hemel daarentegen is één en onverdeeld, staat geheel los van alle doelstellingen en bestaat in het beoefenen van het niet-doen.

Als zodanig zou hij het tegendeel kunnen lijken van menselijke tao’s, maar dat is hij in feite niet – integendeel: hij is er de kern van. Iemand die zijn handelen vanuit deze ,,kern” zou kunnen laten vertrekken, bereikt hierdoor niet alleen in zijn eigen discipline met gemak een veel hoger niveau dan vanuit de menselijke periferie, hij leert tegelijk ook het principe kennen van iedere activiteit – hij leert als het ware een ,,meta”-tao, de Tao van het aanleren van tao’s, het geheim om snel en moeiteloos succesvol te worden in alles.

Dit geheim zouden we natuurlijk allemaal heel graag willen kennen, maar helaas, er staat een grote prijs op: niets minder dan de dood van ons eigen ik. Maar dit is anderzijds tegelijk ook volmaakt ,,geluk”: het niet-boogschieten van de boogschutter, het niet-zwemmen van de zwemmer, waardoor weerstand en bewuste planning plaats maken voor het ,,vanzelf op hun plaats vallen” van de dingen.

,,Volmaakt geluk is het op de juiste tijd komen van drijfveren” – en de juiste tijd (bijvoorbeeld waarop een pijl wordt losgelaten uit de boog) wordt niet bepaald door denken, voelen of willen (de drie grote ego-instanties), maar door het natuurlijk verloop van de qi. Geluk is niet verschillend van kunst of vaardigheid – het is de meest fundamentele van alle vaardigheden: de kunst om in leven te blijven, die echter onlosmakelijk verbonden is met de kunst om ,,dood” te zijn.

Met dank aan De Standaard voor deze recensie.